1.
De werknemer heeft onder bij en krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde voorwaarden elk kalenderjaar recht deel te nemen aan een levensloopregeling.
2.
De werkgever draagt het op verzoek van de werknemer ter zake van een levensloopregeling ingehouden loon af aan de door de werknemer aangewezen uitvoerder.
3.
Bij het in het tweede lid bedoelde verzoek geeft de werknemer kennis aan de werkgever van de hoogte van het per kalenderjaar in te houden en af te dragen loon.
4.
De werkgever willigt het verzoek in uiterlijk met ingang van de aanvang van de derde kalendermaand na de indiening ervan.
5.
De werknemer kan het in het tweede lid bedoelde verzoek slechts een keer per jaar doen, met dien verstande dat de werknemer te allen tijde kan verzoeken om de inhoudingen en afdrachten te beëindigen.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Aanpassing arbeidsduur
+ Hoofdstuk 3. Zwangerschap, bevalling, adoptie en pleegzorg
+ Hoofdstuk 4. Calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
+ Hoofdstuk 5. Kort- en langdurend zorgverlof
+ Hoofdstuk 6. Ouderschapsverlof
- Hoofdstuk 7. Levensloopregeling
+ Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht