2.
Het is degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie, verboden dit te doen, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan tweehonderdtwintig microgram alcohol per liter uitgeademde lucht;
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Bepalingen met betrekking tot de ordening van het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen
+ Hoofdstuk 3. Gegevens ten behoeve van de statistiek
+ Hoofdstuk 4. Gebruik van scheepvaartwegen door personen die zich anders dan op een schip te water bevinden
+ Hoofdstuk 5. Bepalingen met betrekking tot de uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties
+ Hoofdstuk 6. Dwangbepalingen
- Hoofdstuk 7. Straf-, opsporings- en politiebepalingen
+ Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overige bepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht