Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2017. U leest nu de tekst die gold op -.

Artikel 3 Individuele keuzen in het arbeidsvoorwaardenpakket (IKAP)

Uitgebreide informatie
3. De keuze om minder te werken
De ambtenaar heeft de keuzemogelijkheid om in een bepaald kalenderjaar minder uren te werken dan het aantal waarvoor hij is aangesteld. Daarbij geldt een maximum van 80 uur. Heeft de ambtenaar een onvolledige arbeidsduur dan geldt het naar evenredigheid vastgesteld lager aantal uren als maximum. Indien een ambtenaar in een bepaald kalenderjaar minder uren wenst te werken dient hij daartoe een aanvraag in. Het bevoegd gezag beoordeelt vervolgens of een zwaarwegend dienstbelang zich niet verzet tegen de toewijzing van de aanvraag.
Voor de beoordeling of zwaarwegende dienstbelangen zich tegen de toewijzing van de aanvraag verzetten is aangesloten bij de criteria van de Wet aanpassing arbeidsduur , die gelden bij een verzoek tot vermindering van de arbeidsduur.
Dit houdt in dat er in ieder geval sprake is van een zwaarwegend dienstbelang als het minder uren gaan werken leidt tot ernstige problemen:
1. voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren;
2. op het gebied van veiligheid, of
3. van roostertechnische aard.
Het betreft hier overigens uitdrukkelijk een niet-limitatieve opsomming. Ook andere economische, technische of operationele belangen die ernstig zouden worden geschaad bij honorering van de aanvraag, kunnen reden zijn het verzoek af te wijzen.
Zo kan bij het minder uren gaan werken het dienstbelang spelen dat werkruimtes of apparatuur onvoldoende worden benut doordat de ambtenaar minder uren aanwezig is. Dit dienstbelang leidt echter niet zonder meer tot afwijzing van het verzoek. Hiervan kan alleen sprake zijn als deze consequenties van het minder uren gaan werken tot ernstige economische of operationele problemen leiden.
Op het salaris van de ambtenaar die ervoor gekozen heeft om minder uren te gaan werken wordt per minder te werken uur een inhouding gepleegd ten bedrage van het salaris per uur dat voor betrokkene geldt op de door het bevoegde gezag vastgestelde datum waarop de ambtenaar uiterlijk zijn aanvraag moet indienen. Nu de verrekening geschiedt door middel van een inhouding zijn er geen consequenties voor zaken als vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering. Dit omdat in deze situatie het minder uren gaan werken niet leidt tot een wijziging van de formele arbeidsduur van de ambtenaar. Dit betekent dat zijn salaris formeel gehandhaafd blijft op 100%. Alle aan het salaris gerelateerde aanspraken worden derhalve berekend op basis van het 100% salaris.
Daarnaast blijven de rechtspositionele aanspraken die gerelateerd zijn aan de formele arbeidsduur van de ambtenaar gehandhaafd. Het betreft dan zaken als het aantal vakantie-uren, het aantal uren ouderschapsverlof en de tegemoetkoming in de ziektekosten.
De keuze om minder uren te gaan werken heeft voor de sociale zekerheid van de ambtenaar in het algemeen de volgende consequentie. Het leidt tot een lager premieloon en derhalve tot een lagere premieheffing. Het minder uren werken heeft geen consequenties voor het WW-dagloon en een verwaarloosbaar effect op het WAO-dagloon (zie bijlage I ).
Daarnaast heeft de keuze om minder uren te gaan werken voor het pensioen van de ambtenaar geen consequenties. Zo is er sprake van een tijdelijke situatie, verandert de omvang van het dienstverband niet en zijn er met het minder uren werken geen pensioengevolgen beoogd. Voorts valt het binnen de fiscale ruimte die de pensioenregeling biedt.
Voor de werkgever kan het tijdelijk minder uren werken gevolgen hebben in die situaties waarin de werkgever op de aan de belastingdienst af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen een korting kan toepassen. Wanneer en onder welke voorwaarden deze zogenaamde afdrachtkorting kan worden toegepast is geregeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premies volksverzekeringen (Stb. 1995, 635). Deze gevolgen zullen zich vooral voordoen in het kader van de afdrachtkorting lage lonen en de afdrachtkorting langdurig werklozen waarbij als voorwaarde een bepaalde loongrens wordt gehanteerd.
Inhoudsopgave
Managementinformatie
1. Inleiding
2. De keuze om meer te werken
3. De keuze om minder te werken
4. Bronnen en doelen
4.1. De fiscale en sociaalzekerheidsrechtelijke voorwaarden voor het inzetten van bronnen voor doelen
4.2. Bronnen
a. Vergoeding voor meer uren werken
b. verlaging vakantieaanspraken ( artikel 22, twaalfde tot en met veertiende lid ARAR)
c. de eindejaarsuitkering ( artikel 20a BBRA 1984)
d. de vakantie-uitkering ( artikel 21 BBRA 1984)
e. de tegemoetkoming in de ziektekosten op basis van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel
f. de eenmalige toeslag ( artikel 22a BBRA 1984)
g. de eenmalige mobiliteitstoeslag ( artikel 22c BBRA 1984)
h. de vergoeding voor overwerk ( artikel 23 BBRA 1984)
4.3. Doelen
a. Personal computer en/of bijbehorende randapparatuur
b. Fiets van de werkgever
c. Vermindering ouderbijdrage kinderopvang
d. Vergoeding voor studie, cursussen en vakliteratuur
e. Opbouw van individuele oudedagsvoorziening
f. tegemoetkoming kosten woon-werkverkeer
4.4. Overzicht bronnen en doelen
4.5
5. Aanvraagprocedure meer of minder uren te werken
6. Taak en bevoegdhedenverdeling centraal en decentraal
7. Arbeidsvoorwaardenmeter
8. Informatievoorziening
Slotopmerking
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht