1.
De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ter grootte van 8,3% van het door hem genoten salaris.
2.
De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorafgaande kalenderjaar.
3.
Voor de duur dat de bezoldiging op grond van artikel 18, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of op grond van een bepaling van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt de ambtenaar voor de toepassing van het eerste lid geacht geen salaris te genieten.
4.
Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag.
5.
Voor de berekening van de eindejaarsuitkering wordt uitgegaan van het salaris zonder dat dit is verminderd met het bedrag dat als belastingvrije vergoeding is uitgekeerd voor een bestemmingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de IKAP-regeling rijkspersoneel.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Bepalingen betreffende het salaris
+ Hoofdstuk IIA
+ Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende toelagen
- Hoofdstuk IIIA. Bepalingen betreffende de eindejaarsuitkering
+ Hoofdstuk IV. Bepalingen betreffende de vakantie-uitkering
+ Hoofdstuk IVA. Bepalingen betreffende de toeslag
+ Hoofdstuk V. Bepalingen betreffende vergoedingen voor extra diensten
+ Hoofdstuk VI. Bepalingen betreffende het bevoegde gezag
+ Hoofdstuk VIa. Rijksschoonmaakorganisatie
+ Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht