1.
De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 104 weken recht op de doorbetaling van zijn bezoldiging overeenkomstig de volgende tabel:
de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;
de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging;
de derde 26 weken 80% van de bezoldiging;
vervolgens 70% van de bezoldiging.
2.
In afwijking van het eerste lid, behoudt de ambtenaar, indien de ziekte uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, is veroorzaakt door een dienstongeval of beroepsziekte, zijn aanspraak op doorbetaling van 100% van zijn bezoldiging.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
4.
Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging, indien het bevoegd gezag de aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW, later doet dan op grond van dat artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van de vertraging van de wachttijd, bedoeld in artikel 23, eerste en tweede lid, van de WIA, indien de wachttijd met toepassing van artikel 24 van de WIA wordt verlengd;
c. met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld;
d. met de duur van de periode dat het bevoegd gezag de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, noch heeft ontslagen op grond van artikel 94, eerst lid, onderdeel e of f, van het Besluit algemene rechtspositie politie, noch op grond van artikel 49b, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie heeft herplaatst teneinde passende arbeid te kunnen verrichten.
5.
Ingeval van verlenging op grond van het vierde lid, onderdeel a, b of c, kan het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, niet méér dan 156 weken belopen.
6.
De ambtenaar die langer dan 26 weken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en die loonvormende arbeid of reintegratieactiviteiten verricht, ontvangt over deze uren een beloning naast de bezoldiging bij ziekte als bedoeld in het eerste lid.
7.
De beloning, bedoeld in het zesde lid, tezamen met de doorbetaling van de bezoldiging bij ziekte bedraagt:
a. 35% van de bezoldiging en 65% van de bezoldiging bij ziekte als bedoeld in het eerste lid indien de ambtenaar maximaal 35% van zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten verricht als bedoeld in het zesde lid;
b. 80% van de bezoldiging en 20% van de bezoldiging bij ziekte als bedoeld in het eerste lid indien de ambtenaar meer dan 35% en maximaal 80% van zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten verricht als bedoeld in het zesde lid;
c. 100% van de bezoldiging indien de ambtenaar meer dan 80% van zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten verricht als bedoeld in het zesde lid.
8.
De doorbetaling van de bezoldiging eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 49b, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie passende arbeid verricht en daartoe is herplaatst;
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;
c. met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of
d. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
9.
De ambtenaar die op grond van artikel 49b, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie passende arbeid verricht en daartoe is herplaatst, voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 94, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn aanspraak op een aanvullende uitkering, indien zijn bezoldiging als gevolg van zijn herplaatsing vermindering ondergaat, ter grootte van het verschil tussen:
a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van dit artikel recht zou hebben gehad indien hem geen andere betrekking zou zijn opgedragen, maar in plaats daarvan voor dezelfde arbeidstijd zijn eigen betrekking; en
b. de som van zijn bezoldiging na herplaatsing, een uit zijn arbeidsongeschiktheid voortvloeiend recht op een WIA-uitkering, en een arbeidsongeschiktheidspensioen.
10.
De ambtenaar waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35% en die als gevolg van de arbeidsongeschiktheid inkomensverlies heeft, maakt aanspraak op een compensatie van dit inkomensverlies. Onder inkomensverlies wordt verstaan het verschil tussen de oorspronkelijke bezoldiging van de ambtenaar, waarbij ten aanzien van de onregelmatigheidstoeslag en consignatie wordt uitgegaan van hetgeen gemiddeld genoten is in de twaalf maanden voor de ziekte, en de bezoldiging nadat de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%, waarbij verhogingen van de bezoldiging wegens algemene salarismaatregelen of een verhoging van het salaris als bedoeld in artikel 9 buiten beschouwing worden gelaten.
11.
De compensatie, bedoeld in het tiende lid, is een toelage ter hoogte van 70% van het inkomensverlies voor de duur van vijf jaar, gerekend vanaf de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar is vastgesteld op minder dan 35%, maar niet voordat 104 weken na de eerste ziektedag zijn verstreken. Bij samenloop van de compensatie, bedoeld in het tiende lid, met een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie , wordt de compensatie verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie.
Inhoudsopgave
- Hoofdstuk 1. Algemeen
+ Hoofdstuk 2. Salaris
+ Hoofdstuk 3. Gratificatie
+ Hoofdstuk 3a. Bijdrage levensloopregeling
+ Hoofdstuk 3b. Toelage bezwarende functies
+ Hoofdstuk 3c. Te gelde maken algemene levensloopbijdrage, toelage bezwarende functie en inhaaltoelage bezwarende functie
+ Hoofdstuk 4. Inconveniëntentoelage
+ Hoofdstuk 5. Overige toelagen
+ Hoofdstuk 6. Vakantie-uitkering
+ Hoofdstuk 7. Uitkeringen
+ Hoofdstuk 8. Vergoedingen in verband met extra diensten en verschoven diensten
+ Hoofdstuk 8a
+ Hoofdstuk 9. Bijzondere situaties
- Hoofdstuk 10. Voorzieningen in verband met ziekte
+ Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht