1.
Bij de verordening, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, kan worden bepaald dat gedeputeerde staten op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van krachtens dat lid vast te stellen regels, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.
2.
Voor zover de ontheffing wordt aangevraagd met het oog op een voorgenomen besluit tot verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt deze ontheffing aangemerkt als een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Structuurvisies
+ Hoofdstuk 3. Bestemmings- en inpassingsplannen
+ Hoofdstuk 3A. Beheersverordening
- Hoofdstuk 4. Algemene regels en specifieke aanwijzingen
Hoofdstuk 5. Intergemeentelijke samenwerking in stedelijke gebieden
+ Hoofdstuk 6. Financiële bepalingen
+ Hoofdstuk 7. Handhaving en toezicht op de uitvoering
+ Hoofdstuk 8. Bezwaar en beroep
+ Hoofdstuk 9. Planologische organen
+ Hoofdstuk 10. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht