Artikel 9.1. Reikwijdte
Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten.
1.
Het college van bestuur is belast met het bestuur van de universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht volgens dit hoofdstuk.
2.
Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.
3.
De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de universiteit in en buiten rechte.
1.
Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de rector magnificus van de universiteit. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.
2.
Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad of de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
3.
De voorzitter van het college van bestuur wordt uit de leden door de raad van toezicht benoemd.
4.
In het bestuurs- en beheersreglement worden nadere regels gegeven omtrent de wijze van voordracht en benoeming van de rector magnificus.
5.
Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
6.
Een lid van het college van bestuur kan niet tevens zijn:
a. lid van de raad van toezicht van de desbetreffende universiteit,
b. decaan van een faculteit of lid van het bestuur daarvan, tenzij een universiteit slechts een faculteit omvat,
c. lid van het bestuur van een opleiding, voorzover dat met toepassing van artikel 9.17 is ingesteld, of
d. lid van de raad van toezicht of van het college van bestuur van een andere universiteit.
7.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.
Artikel 9.4. Bestuurs- en beheersreglement
Het college van bestuur stelt een bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de universiteit vast.
Artikel 9.5. Richtlijnen aan decanen
Het college van bestuur kan richtlijnen vaststellen met het oog op de organisatie en coördinatie van de uitoefening van de in de artikelen 9.14, derde lid, en 9.15, eerste lid, bedoelde bevoegdheden.
1.
Het college van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht.
2.
Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende zijn besluiten en andere handelingen.
3.
Het college van bestuur verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de universiteit.
1.
De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.
2.
De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen. Indien de voorgedragen kandidaten niet door Onze minister worden benoemd, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze minister kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad, dan wel het vertrouwen geniet van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, gezamenlijk. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.
3.
Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
4.
De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de universiteit. De leden van de raad zijn niet tevens werkzaam bij een ministerie dan wel lid van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen.
5.
De universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, wordt of worden in de gelegenheid gesteld om aan de raad van toezicht advies uit te brengen over de profielen bedoeld in het vierde lid.
6.
Het college van bestuur voorziet in de functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning van de raad van toezicht. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de raad.
7.
De leden van het college van bestuur wonen de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Zij hebben daarin een adviserende stem.
8.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.
1.
De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de universiteit, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met:
a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur;
b. het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement;
c. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag en het instellingsplan;
d. indien van toepassing, het goedkeuren van de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in artikel 8.1;
e. het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in artikel 2.9;
f. het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen verkregen op grond van de artikelen 2.5 en 2.6;
g. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad;
h. het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, en
i. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h, in het bestuursverslag van de universiteit.
2.
De raad van toezicht pleegt ten minste twee keer per jaar overleg met de universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld.
1.
De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze minister.
2.
De raad van toezicht verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen.
1.
Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze Minister de raad van toezicht een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
2.
Onder wanbeheer wordt verstaan:
a. financieel wanbeleid;
b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 1.18, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de instelling en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van wetenschappelijk onderwijs in gevaar komt;.
c. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde;
d. onrechtmatig handelen waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde, en
e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.
3.
In de aanwijzing geeft Onze Minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
4.
Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de raad van toezicht aan de aanwijzing moet voldoen.
5.
Voordat Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:
a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;
b. heeft de inspectie daarover een rapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en
c. stelt Onze Minister de raad van toezicht gedurende vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.
6.
Indien het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid, onder a, mede de kwaliteit van het onderwijs omvat, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan bij haar onderzoek.
1.
Aan een universiteit is een college voor promoties verbonden. Het college voor promoties bestaat uit hoogleraren.
2.
Het college voor promoties hoort het college van bestuur over het verlenen van de graad, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.
3.
In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties nader geregeld.
Artikel 9.11. Faculteiten en opleidingen
In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald welke faculteiten of faculteit een universiteit omvat. Tevens wordt in dat reglement vermeld welke opleidingen in die faculteiten of faculteit zijn ingesteld.
1.
De verzorging van het onderwijs en de beoefening van de wetenschap geschieden in de faculteit. Aan het hoofd van de faculteit staat de decaan van de faculteit.
2.
In afwijking van het eerste lid kan in het bestuurs- en beheersreglement worden bepaald dat aan het hoofd van de faculteit een bestuur staat, bestaande uit de decaan van de faculteit, tevens voorzitter, en een of meer andere leden. Indien de eerste volzin toepassing heeft gevonden, wordt in deze titel en in titel 2 met uitzondering van artikel 9.13, vierde en zesde lid, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de faculteit. Indien aan het hoofd van de faculteit een meerhoofdig bestuur staat, wordt een student van de desbetreffende faculteit in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van dit bestuur bij te wonen in welke vergaderingen deze student een adviserende stem heeft. In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald, op welke wijze de in de vorige volzin bedoelde student wordt aangewezen.
3.
Indien een universiteit slechts een faculteit omvat:
a. is de rector magnificus tevens decaan,
b. staat aan het hoofd van de faculteit een bestuur,
c. wordt in deze titel en in titel 2 met uitzondering van artikel 9.13, vierde en zesde lid, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de faculteit, en
d. worden de taken en bevoegdheden van het bestuur van de faculteit uitgeoefend door het college van bestuur.
4.
Een lid van het bestuur van de faculteit kan niet tevens lid zijn van de faculteitsraad van die faculteit.
1.
De decaan wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het college van bestuur. De benoeming geschiedt voor een door het college van bestuur te bepalen termijn.
2.
Alvorens tot benoeming of ontslag van de decaan over te gaan, hoort het college van bestuur vertrouwelijk de faculteitsraad van de desbetreffende faculteit over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
3.
De decaan kan om gewichtige redenen worden geschorst of tussentijds worden ontslagen.
4.
De decaan bezit de hoedanigheid van hoogleraar.
5.
Indien aan het hoofd van de faculteit een bestuur als bedoeld in artikel 9.12, tweede lid, staat, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.
6.
Dit artikel is niet van toepassing, indien de rector magnificus tevens decaan is.
1.
De decaan is belast met de algemene leiding van de faculteit. De decaan is voorts belast met het bestuur en de inrichting van de faculteit voor het onderwijs en de wetenschapsbeoefening.
2.
De decaan werkt mede aan het bestuur van de universiteit door onder meer het plegen van overleg met het college van bestuur terzake van de voorbereiding van het instellingsplan en de begroting.
3.
Onverminderd artikel 9.5 stelt de decaan ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de faculteit het faculteitsreglement vast.
4.
Het faculteitsreglement behoeft de goedkeuring van het college van bestuur. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
5.
Indien binnen een door het college van bestuur te bepalen termijn het faculteitsreglement niet of niet volledig is vastgesteld, stelt het college van bestuur het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vast.
1.
De decaan is, onverminderd artikel 9.5, voorts belast met:
a. het vaststellen van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, alsmede de regelmatige beoordeling daarvan,
b. het vaststellen van algemene richtlijnen voor de wetenschapsbeoefening,
c. het vaststellen van het jaarlijks onderzoekprogramma van de faculteit,
d. het houden van toezicht op de uitvoering van de onderwijs- en examenregeling en op het jaarlijks onderzoekprogramma, alsmede het uitbrengen van regelmatig verslag hieromtrent aan het college van bestuur,
e. het instellen van de examencommissies en de commissie, bedoeld in artikel 7.29, eerste lid, alsmede de benoeming van de leden van die commissies,
f. de uitvoering van de artikelen 7.8b en 7.9, met uitzondering van de aanwijzing van opleidingen, bedoeld in de artikelen 7.8b, derde lid, en 7.9, eerste lid,
g. het vaststellen van nadere regels omtrent de wijze waarop vrijstelling als bedoeld in de artikelen 7.25, vierde lid, 7.28, tweede tot en met vierde lid, en 7.29, eerste lid, kan worden verkregen,
h. het verstrekken van een bewijs van toelating als bedoeld in artikel 7.30a, derde lid, de toepassing van artikel 7.30a, vijfde lid, de uitvoering van artikel 7.30c, en
i. het sluiten van een gemeenschappelijke regeling ten behoeve van een of meer opleidingen met een of meer decanen van andere faculteiten,
j. de uitvoering van de artikelen 6.7a en 7.9b,
j. het vaststellen van de procedures en criteria met betrekking tot erkenning van verworven competenties.
2.
De decaan oefent het recht tot voordracht, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid, uit.
3.
In het bestuurs- en beheersreglement worden regels gesteld omtrent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder i.
Artikel 9.16. Verantwoordings- en inlichtingenplicht decaan
De decaan is verantwoording verschuldigd aan het college van bestuur. Hij verstrekt het college de gevraagde inlichtingen omtrent de faculteit.
1.
De decaan voorziet in een meerhoofdig bestuur van elke opleiding die in de faculteit is ingesteld. In afwijking van de eerste volzin kan volstaan worden met een opleidingsdirecteur.
2.
Indien in een meerhoofdig bestuur wordt voorzien, maakt daarvan een student deel uit.
3.
In het faculteitsreglement worden nadere regels gesteld omtrent het bestuur van de opleidingen.
4.
Een lid van het bestuur van de opleiding kan niet tevens lid zijn van de opleidingscommissie van die opleiding.
5.
Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop aansluitende masteropleidingen.
1.
Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak:
a. advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13,
b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en
c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17, eerste lid, en de decaan over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding.
De commissie zendt de adviezen, bedoeld onder a en c, ter kennisneming aan de faculteitsraad.
2.
Op een advies als bedoeld in het eerste lid, is artikel 9.35, aanhef en onderdelen b en c, van overeenkomstige toepassing.
3.
In het faculteitsreglement worden regels van procedurele aard met betrekking tot de toepassing van het eerste lid gesteld en wordt de wijze van benoeming en samenstelling van de opleidingscommissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.
4.
Indien een faculteit slechts een opleiding omvat, kan het faculteitsreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de faculteitsraad, bedoeld in artikel 9.37.
1.
Tot het personeel van de universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.
2.
De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied, onverminderd de bevoegdheid van het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17.
3.
Eervol ontslagen hoogleraren behouden nog gedurende vijf jaren na hun ontslag het recht als promotor op te treden.
4.
De hoogleraren zijn gerechtigd de titel professor te voeren. De oud-hoogleraren aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren.
1.
In het faculteitsreglement kunnen binnen de faculteit onderzoekinstituten en onderzoekscholen worden ingesteld. De decaan regelt het bestuur en de inrichting van deze onderzoekinstituten en onderzoekscholen.
2.
In het faculteitsreglement worden regels gesteld omtrent het bestuur en beheer van onderzoekinstituten en onderzoekscholen.
1.
In het bestuurs- en beheersreglement kunnen binnen de universiteit onderzoekinstituten en onderzoekscholen worden ingesteld waarop artikel 9.20 niet van toepassing is. Het college van bestuur regelt het bestuur, beheer en de inrichting van deze onderzoekinstituten en onderzoekscholen.
2.
In het bestuurs- en beheersreglement kan een faculteit worden aangewezen waarvan de decaan de bevoegdheden uitoefent die bij of krachtens deze wet met betrekking tot een onderzoekinstituut of onderzoekschool aan het college van bestuur zijn toegekend.
1.
In het faculteitsreglement kan worden bepaald dat het bestuur van een onderzoekinstituut of onderzoekschool als bedoeld in artikel 9.20 gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar met beheerstaken wordt belast.
2.
In het bestuurs- en beheersreglement kan door het college van bestuur worden bepaald dat het bestuur van een onderzoekinstituut of onderzoekschool als bedoeld in artikel 9.21 gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar met beheerstaken wordt belast. Het besluit van het college van bestuur behoeft de instemming van de decanen van de desbetreffende faculteiten.
3.
Indien het tweede lid toepassing heeft gevonden, stelt het college van bestuur jaarlijks de financiële middelen ter beschikking aan het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool.
1.
Een onderzoekinstituut of onderzoekschool tussen twee of meer universiteiten wordt in overeenstemming met de decanen van de betrokken faculteiten ingesteld bij gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1. Daarin kan de bepaling worden opgenomen dat het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool met beheerstaken wordt belast.
2.
Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, stellen de colleges van bestuur jaarlijks de financiële middelen ter beschikking aan het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool.
1.
De besluiten van de decaan kunnen door het college van bestuur worden vernietigd. In geval van schorsing kan, in afwijking van artikel 10:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, deze schorsing niet langer dan vier maanden duren.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een besluit van de decaan betreffende de benoeming van leden van de commissies, bedoeld in artikel 9.15, eerste lid onderdeel e.
1.
Ingeval van verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren van het bestuur van een faculteit of een deel daarvan treft het college van bestuur, zo nodig met afwijking van de paragrafen 2 en 3 van deze titel en paragraaf 2 van titel 2, voor een door het college van bestuur te bepalen tijdvak van ten hoogste één jaar de voorzieningen die het noodzakelijk oordeelt. Het college doet hiervan onverwijld mededeling aan de raad van toezicht.
2.
De voorzieningen vervallen, indien zij niet binnen drie weken na de ontvangst van de mededeling van het college van bestuur door de raad van toezicht zijn bekrachtigd.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging
+ Hoofdstuk 3. Overleg
+ Hoofdstuk 4. Het personeel
+ Hoofdstuk 5
+ Hoofdstuk 5a. Accreditatie in het hoger onderwijs
+ Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod
+ Hoofdstuk 7. Onderwijs
+ Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van de zij-instroom in het beroep van leraar en docent
+ Hoofdstuk 8. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
- Hoofdstuk 9. Het bestuur en de inrichting van de universiteiten
+ Hoofdstuk 10. Het bestuur en de inrichting van de hogescholen
+ Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit
+ Hoofdstuk 12. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen
+ Hoofdstuk 13. Het bestuur en de inrichting van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
+ Hoofdstuk 14. Beroep bij de bestuursrechter
+ Hoofdstuk 15. Inhouding bekostiging, schadevergoeding en strafbepalingen
+ Hoofdstuk 16. Overgangsvoorzieningen onder meer in verband met de invoering van de wet en voorschriften in verband met fusie, omzetting, splitsing, verplaatsing en bestuursoverdracht
+ Hoofdstuk 17. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot 2002
+ Hoofdstuk 18. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten vanaf 2002
+ Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht