1.
Deze wet is van toepassing op de gedragingen van de volgende bestuursorganen:
a. Onze Ministers;
b. bestuursorganen van provincies, gemeenten, openbare lichamen, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen, tenzij voor die bestuursorganen een eigen voorziening voor de behandeling van verzoekschriften is ingesteld op grond van respectievelijk artikel 79q van de Provinciewet , artikel 81p van de Gemeentewet, artikel 107 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, artikel 51b van de Waterschapswet of artikel 10, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
c. bestuursorganen aan welke bij of krachtens wettelijk voorschrift een taak met betrekking tot de politie is opgedragen, voor zover het de uitoefening van die taak betreft;
d. bestuursorganen van provincies, gemeenten, openbare lichamen, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen voor zover het de gedragingen van voor hen werkzame buitengewoon opsporingsambtenaren betreft;
e. andere bestuursorganen, daaronder mede begrepen bestuursorganen in de openbare lichamen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.
2.
Een gedraging van een ambtenaar, verricht in de uitoefening van zijn functie, wordt aangemerkt als een gedraging van het bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid hij werkzaam is.
3.
Op een gedraging van het College, genoemd in artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens, is deze wet slechts van toepassing voor zover het gaat om een gedraging van een ambtenaar die behoort tot het in artikel 18 van die wet bedoelde bureau.
Inhoudsopgave
- Hoofdstuk I. Begripsbepalingen en toepassingsbereik
+ Hoofdstuk II. De Nationale Ombudsman
+ Hoofdstuk IIa. De Kinderombudsman
+ Hoofdstuk IIb. De Veteranenombudsman
+ Hoofdstuk III. Aanvullende bepalingen betreffende het onderzoek
+ Hoofdstuk IV. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht