1.
Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij artikel 2.8 vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur publieke gezondheid van de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, aan als toezichthouder.
2.
Voor zover een peuterspeelzaal is gevestigd in een woning, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
1.
Een door Onze Minister aan te wijzen instelling bevordert de kwaliteit en uniformiteit van de uitvoering van de taak door het college op grond van deze afdeling.
2.
Bij beschikking van Onze Minister wordt een financiële vergoeding verstrekt aan de instelling, bedoeld in het eerste lid.
1.
De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels.
2.
Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke geregistreerde peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.
3.
Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels.
4.
Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede of het derde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten.
1.
De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste tot en met vierde lid, vast in een inspectierapport.
2.
Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3.
Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, vierde lid.
4.
De toezichthouder zendt het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan de houder.
5.
De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar.
6.
De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, aan het college en aan de Inspectie van het onderwijs, indien met betrekking tot een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, tekortkomingen zijn geconstateerd.
1.
Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de door de toezichthouder te hanteren werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in deze paragraaf.
2.
De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
1.
Het college van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
2.
In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
3.
Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet, dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college kan worden verlengd.
4.
De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing, onderscheidenlijk het bevel, gestelde termijn.
1.
Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een peuterspeelzaal voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
2.
Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20 of anderszins blijkt dat de peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens afdeling 2, paragraaf 2, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te nemen of te houden.
1.
De geschillencommissie verricht haar werkzaamheden op basis van een reglement dat ten minste waarborgt dat:
a. aan de geschillencommissie een geschil kan worden voorgelegd door een ouder:
1°. die na de indiening van een klacht bij de houder niet tijdig een oordeel heeft ontvangen als bedoeld in artikel 2.13a, tweede lid, onderdeel e;
2°. die een klacht in tweede aanleg wil laten beoordelen;
3°. voor wie behandeling van een klacht overeenkomstig een schriftelijke regeling als bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid, niet gewaarborgd is door het ontbreken van die regeling of doordat de regeling niet aan artikel 2.13a, tweede lid, voldoet, of
4°. van wie in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden een klacht bij de houder indient;
b. de geschillencommissie bevoegd is over een geschil door middel van een bindend advies een uitspraak te doen;
c. de geschillencommissie uiterlijk binnen zes maanden na de voorlegging van het geschil uitspraak doet;
d. de geschillencommissie in afwijking van onderdeel c op kortere termijn na voorlegging van het geschil uitspraak doet in gevallen waarin dat, gelet op de aard van het geschil en de daarbij betrokken belangen, is aangewezen, en
e. de geschillencommissie de uitspraken over de aan haar voorgelegde geschillen openbaar maakt, zodanig dat deze niet tot natuurlijke- of rechtspersonen herleidbaar zijn, en
f. de geschillencommissie uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter bestaat, en deze leden niet werkzaam zijn voor of bij de houder op wie het geschil betrekking heeft noch anderszins in directe relatie tot de betreffende ouder of houder staan.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot geschillenbeslechting door de geschillencommissie en het reglement, bedoeld in het eerste lid.
1.
Indien de oudercommissie een geschil met de houder over de toepassing en de uitvoering van artikel 2.17 door de houder aan de geschillencommissie voorlegt, toetst de geschillencommissie uitsluitend of de houder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft gehandeld.
2.
Indien de geschillencommissie de oudercommissie in het gelijk stelt, kan zij in haar uitspraak tevens bepalen dat:
a. de houder zijn besluit geheel of ten dele intrekt;
b. een of meer gevolgen van dat besluit ongedaan worden gemaakt.
3.
Indien de houder gebruik maakt van de in artikel 2.15, tweede en derde lid, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid kan, indien deze vorm zich daarvoor leent, bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat deze vorm voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 2.13b gelijk wordt gesteld met een oudercommissie. Hieraan kunnen voorwaarden worden verbonden.
4.
Indien gebruik is gemaakt van de in artikel 2.15, tweede en derde lid, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid, maar deze vorm zich niet leent voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 2.13b, kan in plaats daarvan een ouder een geschil over de toepassing en uitvoering van artikel 2.17 aan de geschillencommissie voorleggen en zijn het eerste en tweede lid en artikel 2.13b zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
1.
Het college verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens en inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en beleidsvorming en de statistiek met betrekking tot dit hoofdstuk nodig heeft.
2.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die het college verstrekt over de uitvoering van zijn werkzaamheden op grond van dit hoofdstuk en de wijze waarop het college de gegevens en inlichtingen verstrekt en verzamelt en of en op welke wijze deze informatie openbaar wordt gemaakt.
3.
De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Kinderopvang
- Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
+ Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht