Artikel 2.14
Deze paragraaf is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
1.
Een houder van een peuterspeelzaal stelt binnen zes maanden na de registratie, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, voor elke door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in artikel 2.17.
2.
De verplichting tot het instellen van een oudercommissie, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:
a. de houder zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om een oudercommissie in te stellen; en
b. het een peuterspeelzaal, waar maximaal 50 kinderen worden opgevangen, betreft.
3.
In de situatie, bedoeld in het tweede lid, betrekt de houder de ouders aantoonbaar voldoende op een andere wijze bij de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, biedt de houder de ouders de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie, stelt de houder voor die oudercommissie in dat geval een reglement vast en zijn artikel 2.16, tweede tot en met vijfde lid, en artikel 2.17 van overeenkomstige toepassing.
4.
De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen.
5.
Personen werkzaam bij een peuterspeelzaal zijn geen lid van de oudercommissie van die peuterspeelzaal.
6.
De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze.
1.
De houder stelt binnen zes maanden na de registratie, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, voor de oudercommissie een reglement vast, tenzij er op grond van artikel 2.15, tweede lid, geen oudercommissie is ingesteld.
2.
Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:
a. het aantal leden van de oudercommissie;
b. de wijze waarop de leden van de oudercommissie worden gekozen;
c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie.
3.
Het reglement bevat geen regels omtrent de werkwijze van de oudercommissie.
4.
De oudercommissie beslist bij meerderheid van stemmen.
5.
Wijziging van het reglement behoeft instemming van de oudercommissie.
1.
De houder stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot:
a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 2.6, eerste lid, in het bijzonder het pedagogisch beleid dat wordt gevoerd;
b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;
c. openingstijden;
d. het beleid met betrekking tot voorschoolse educatie;
e. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid;
f. wijziging van de prijs van peuterspeelzaalwerk.
2.
Van een advies als bedoeld in het eerste lid kan de houder slechts afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van het peuterspeelzaalwerk zich tegen het advies verzet.
3.
De oudercommissie is bevoegd de houder ook ongevraagd te adviseren over de onderwerpen, genoemd in het eerste lid.
4.
De houder van een peuterspeelzaal voert ten minste eenmaal per 12 maanden overleg met de oudercommissie over de invulling van het nog te voeren pedagogisch beleid en over het al gevoerde pedagogisch beleid, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid.
5.
De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft.
6.
Na vaststelling door de toezichthouder van het inspectierapport, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, bespreekt de houder dit rapport met de oudercommissie.
7.
De houder brengt de mogelijkheid om geschillen aan de geschillencommissie voor te leggen op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Kinderopvang
- Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
+ Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht