1.
De geschillencommissie verricht haar werkzaamheden op basis van een reglement dat ten minste waarborgt dat:
a. aan de geschillencommissie een geschil kan worden voorgelegd door een ouder:
1°. die na de indiening van een klacht bij de houder van een kindercentrum of een gastouderbureau niet tijdig een oordeel heeft ontvangen als bedoeld in artikel 1.57b, tweede lid, onderdeel e;
2°. die een klacht in tweede aanleg wil laten beoordelen;
3°. voor wie behandeling van een klacht overeenkomstig een schriftelijke regeling als bedoeld in artikel 1.57b, eerste lid, niet gewaarborgd is door het ontbreken van die regeling of doordat de regeling niet aan artikel 1.57b, tweede lid, voldoet, of
4°. van wie in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden een klacht bij de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau indient;
b. de geschillencommissie bevoegd is over een geschil door middel van een bindend advies een uitspraak te doen;
c. de geschillencommissie uiterlijk binnen zes maanden na de voorlegging van het geschil uitspraak doet;
d. de geschillencommissie in afwijking van onderdeel c op kortere termijn na voorlegging van het geschil uitspraak doet in gevallen waarin dat, gelet op de aard van het geschil en de daarbij betrokken belangen, is aangewezen;
e. de geschillencommissie de uitspraken over de aan haar voorgelegde geschillen openbaar maakt, zodanig dat deze niet tot natuurlijke- of rechtspersonen herleidbaar zijn, en
f. de geschillencommissie uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter bestaat, en deze leden niet werkzaam zijn voor of bij de houder op wie het geschil betrekking heeft noch anderszins in directe relatie tot de betreffende ouder of houder staan.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot geschillenbeslechting door de geschillencommissie en het reglement, bedoeld in het eerste lid.
1.
Indien de oudercommissie een geschil met de houder over de toepassing en de uitvoering van artikel 1.60 door de houder aan de geschillencommissie voorlegt, toetst de geschillencommissie uitsluitend of de houder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft gehandeld.
2.
Indien de geschillencommissie de oudercommissie in het gelijk stelt, kan zij in haar uitspraak tevens bepalen dat:
a. de houder zijn besluit geheel of ten dele intrekt;
b. een of meer gevolgen van dat besluit ongedaan worden gemaakt.
3.
Indien de houder gebruik maakt van de in artikel 1.58, tweede en derde lid, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid kan, indien deze vorm zich daarvoor leent, bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat deze vorm voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 1.57c gelijk wordt gesteld met een oudercommissie. Hieraan kunnen voorwaarden worden verbonden.
4.
Indien gebruik is gemaakt van de in artikel 1.58, tweede en derde lid, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid, maar deze vorm zich niet leent voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 1.57c, kan in plaats daarvan een ouder een geschil over de toepassing en uitvoering van artikel 1.60 aan de geschillencommissie voorleggen en zijn het eerste en tweede lid en artikel 1.57c zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
Inhoudsopgave
- Hoofdstuk 1. Kinderopvang
+ Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
+ Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht