1.
Indien een bij de onderneming van de houder werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van het door de houder geboden peuterspeelzaalwerk kan deze bij de onderneming van de houder werkzame persoon in overleg treden met een deskundige als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid.
2.
Indien moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de persoon die werkzaam is bij de onderneming van de houder onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering.
3.
De houder bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Kinderopvang
- Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
+ Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht