Artikel 66
In deze paragraaf wordt verstaan onder heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege van aanslag of bij wege van voldoening op aangifte.
1.
Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van eilandbelastingen, andere dan die bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel b, met toepassing van de hoofdstukken I en VIII van de Belastingwet BES als waren die belastingen BES belastingen.
2.
Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Belastingwet BES genoemde functionarissen, met betrekking tot de eilandbelastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:
a. Onze Minister van Financiën en de directeur: het bestuurscollege;
b. de inspecteur: de eilandambtenaar, belast met de heffing van eilandbelastingen;
c. de ontvanger of een inzake BES belastingen bevoegde ontvanger: de eilandambtenaar belast met de invordering van eilandbelastingen;
d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de eilandambtenaren belast met de heffing of de invordering van eilandbelastingen;
e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen eilandambtenaar.
3.
Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot eilandbelastingen in de Belastingwet BES voor «algemene maatregel van bestuur» en voor «ministeriële regeling» ge
lezen: besluit van het bestuurscollege.
4.
Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot eilandbelastingen in de Belastingwet BES onder «belastingwet» mede verstaan: een belastingverordening, bedoeld in artikel 40, en de daarop berustende bepalingen, alsmede andere algemeen verbindende voorschriften of besluiten van algemene strekking met betrekking tot de in paragraaf 1 bedoelde eilandbelastingen.
1.
Het bestuurscollege kan bepalen dat voor de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Belastingwet BES voor de in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar een andere eilandambtenaar in de plaats treedt.
2.
De colleges van twee of meer openbare lichamen kunnen met betrekking tot een of meer eilandbelastingen bepalen dat ambtenaren van een van die openbare lichamen worden aangewezen als:
a. de in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van die openbare lichamen voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van eilandbelastingen;
b. de in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar van die openbare lichamen voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van eilandbelastingen;
c. de in artikel 67, tweede lid, onderdeel d, bedoelde ambtenaren van die openbare lichamen voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van eilandbelastingen;
d. de in artikel 67, tweede lid, onderdeel e, bedoelde ambtenaar van die openbare lichamen, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van eilandbelastingen.
3.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het bestuurscollege van het openbaar lichaam waarvan de ambtenaar, belast met de invordering van eilandbelastingen op grond van het tweede lid, onderdeel b, wordt aangewezen.
4.
Indien voor de heffing of de invordering van eilandbelastingen een gemeenschappelijke regeling is getroffen en bij die regeling een openbaar lichaam is ingesteld, kan bij of krachtens die regeling worden bepaald dat een daartoe aangewezen ambtenaar van dat openbare lichaam wordt aangewezen als:
a. de in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het openbaar lichaam dat de desbetreffende taken heeft overgedragen, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van eilandbelastingen;
b. de in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar van het openbaar lichaam dat de desbetreffende taken heeft overgedragen, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van eilandbelastingen;
c. de in artikel 67, tweede lid, onderdeel d, bedoelde ambtenaren van het openbaar lichaam dat de desbetreffende taken heeft overgedragen, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van eilandbelastingen;
d. de in artikel 67, tweede lid, onderdeel e, bedoelde ambtenaar van het openbaar lichaam dat de desbetreffende taken heeft overgedragen, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de invordering van eilandbelastingen.
5.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam dat is ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen waarvan een ambtenaar op grond van het vierde lid, onderdeel b, wordt aangewezen.
Artikel 69
Eilandbelastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij wege van afdracht op aangifte.
1.
Indien de eilandbelastingen op andere wijze worden geheven, bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden geheven en de wijze waarop de belastingschuld aan de belastingplichtige wordt bekendgemaakt. De belastingverordening kan bepalen dat het bestuurscollege omtrent de uitvoering van een en ander nadere regels geeft.
2.
De op andere wijze geheven belastingen worden voor de toepassing van de Belastingwet BES aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder:
a. de aanslag, de voorlopige aanslag en de navorderingsaanslag: het gevorderde, het voorlopig gevorderde, onderscheidenlijk het nagevorderde bedrag;
b. het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde bedrag;
c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde bedrag, of bij gebreke van een schriftelijke kennisgeving, de datum waarop het bedrag op andere wijze ter kennis van de belastingplichtige is gebracht.
1.
De belasting, bedoeld in artikel 56, eerste lid, onder a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze.
2.
Als voldoening op aangifte wordt uitsluitend aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het bestuurscollege gestelde voorschriften.
3.
In afwijking van artikel 8.92, eerste lid, van de Belastingwet BES kan geen bezwaarschrift worden ingediend inzake het bedrag dat overeenkomstig het tweede lid, onderdeel a, op aangifte is voldaan.
4.
Ingeval een naheffingsaanslag wordt opgelegd, wordt deze berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan.
6.
Ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag worden kosten in rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht.
7.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de in het zesde lid bedoelde kosten. In de belastingverordening wordt het bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald.
8.
Indien het niet mogelijk is het aanslagbiljet terstond aan de belastingschuldige uit te reiken, kan worden volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig. Alsdan vermeldt het aanslagbiljet niet de naam van de belastingschuldige maar het kenteken van het voertuig. Bij gebreke van een kenteken vermeldt het aanslagbiljet een of meer gegevens die kenmerkend zijn voor het geparkeerde voertuig.
9.
De naheffingsaanslag is dadelijk en ineens invorderbaar.
1.
Na afloop van een in de belastingverordening te bepalen termijn, die ten minste 24 uren bedraagt nadat het aanslagbiljet aan de belastingschuldige is uitgereikt dan wel nadat het aanslagbiljet, overeenkomstig artikel 71, achtste lid, aan het voertuig is aangebracht, is de in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde eilandambtenaar bevoegd het voertuig naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen. Ter zake van de in de eerste volzin bedoelde overbrenging en bewaring wordt procesverbaal opgemaakt en worden kosten in rekening gebracht.
2.
De in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde eilandambtenaar draagt er zorg voor dat in een daartoe aangelegd register aantekening wordt gemaakt van de gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt uitgeoefend.
3.
De in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde eilandambtenaar draagt zorg voor de bewaring van de ingevolge het eerste lid in bewaring gestelde voertuigen.
4.
De in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde eilandambtenaar geeft het voertuig terug aan de rechthebbende, nadat de naheffingsaanslag, en de kosten van overbrenging en bewaring zijn voldaan.
5.
Wanneer het voertuig binnen 48 uren na het in bewaring stellen niet is afgehaald, geeft de in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde eilandambtenaar zo mogelijk binnen zeven dagen van de overbrenging en bewaring kennis:
a. indien het voertuig een motorrijtuig is ter zake waarvan motorrijtuigenbelasting wordt geheven, aan degene die ter zake van dat motorrijtuig belastingplichtig is voor de motorrijtuigenbelasting;
b. indien blijkt dat ter zake van het voertuig aangifte van vermissing is gedaan, aan degene die aangifte heeft gedaan;
c. in nader door Onze Minister te bepalen gevallen op de daarbij aangegeven wijze.
6.
De kosten van opsporing van degene aan wie de kennisgeving wordt gezonden en die van het doen van de kennisgeving worden voor de toepassing van dit artikel gerekend tot de kosten van overbrenging en bewaring.
7.
Wanneer het voertuig binnen drie maanden na het in bewaring stellen niet is afgehaald, is de in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde eilandambtenaar bevoegd het te verkopen of, indien verkoop naar hun oordeel niet mogelijk is, het voertuig om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen. Gelijke bevoegdheid heeft de in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde eilandambtenaar ook binnen die termijn, zodra het gezamenlijke bedrag van de naheffingsaanslag en de kosten van overbrenging en bewaring, vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van het voertuig naar zijn mening onevenredig hoog zou worden. Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken nadat de kennisgeving als bedoeld in het vijfde lid is uitgegaan. Voor de toepassing van de volgende leden worden de kosten van verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging gerekend tot de kosten van overbrenging en bewaring.
8.
Gedurende drie jaren na het tijdstip van de verkoop heeft degene, die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van het voertuig, met dien verstande dat eerst de kosten van het bewaren van het voertuig en vervolgens de naheffingsaanslag met die opbrengst worden verrekend. Na het verstrijken van die termijn vervalt het eventueel batige saldo aan het openbaar lichaam.
9.
In de belastingverordening wordt bepaald tot welke bedragen de kosten van het overbrengen en bewaren van het voertuig in rekening worden gebracht. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden met betrekking tot de wijze van berekening van die kosten.
10.
De in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde eilandambtenaar stelt het bedrag van de in rekening te brengen kosten vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
11.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden omtrent de overbrenging, bewaring, verkoop, eigendomsoverdracht om niet en vernietiging, het inrichten en aanhouden van het in het tweede lid bedoelde register, alsmede omtrent hetgeen verder voor de uitvoering van dit artikel wenselijk is.
12.
Indien aantoonbaar is dat tijdens de overbrenging en bewaring schade aan het voertuig is toegebracht, is het openbaar lichaam gehouden deze schade te vergoeden.
1.
Bij de heffing en invordering van eilandbelastingen blijven de artikelen 8.1, 8.4, eerste en tweede lid, 8.5, tweede lid, 8.11, eerste, vierde en vijfde lid, 8.43, 8.55, 8.77, tweede lid, 8.79, tweede en derde lid, 8.80, tweede tot en met vierde lid, 8.81, 8.83, tweede tot en met vijfde lid, 8.86, 8.87, 8.91 en 8.120 tot en met 8.129 van de Belastingwet BES buiten toepassing. Bij de heffing van eilandbelastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 8.2, eerste lid, 8.3, 8.7, eerste lid, en 8.9 van die wet buiten toepassing.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de kosten van vervolging worden bepaald als bedoeld in artikel 8.39, tweede lid, van de Belastingwet BES.
1.
Met betrekking tot de bij wege van aanslag en bij wege van voldoening op aangifte geheven eilandbelastingen moet het aangiftebiljet binnen een bij de belastingverordening gestelde termijn worden ingeleverd bij de eilandambtenaar, bedoeld in artikel 67, tweede lid, onderdeel b. De belastingverordening kan bepalen dat de in de vorige volzin bedoelde eilandambtenaar voor de termijn, genoemd in de belastingverordening, een kortere termijn in de plaats kan stellen.
2.
Als de belastingverordening geen regeling bevat omtrent het inleveren van het aangiftebiljet is artikel 8.4 of artikel 8.5 van de Belastingwet BES onverkort van toepassing.
3.
Onverminderd artikel 8.3, vijfde lid, van de Belastingwet BES, kan in afwijking van artikel 8.3, eerste en vierde lid, van de Belastingwet BES de in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar vorderen dat een verplichting tot het doen van aangifte of tot het indienen van een verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet wordt nagekomen door het mondeling doen van aangifte. Daarbij:
a. worden de door de in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar gevraagde bescheiden overgelegd;
b. kan de in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar vorderen dat een van de mondelinge aangifte opgemaakt relaas door de aangever wordt ondertekend, bij gebreke waarvan de aangifte geacht wordt niet te zijn gedaan.
4.
Indien het derde lid toepassing vindt, kan de in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar voor de termijnen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, kortere termijnen in de plaats stellen en is artikel 8.9 van de Belastingwet BES niet van toepassing.
1.
Met betrekking tot de bij wege van voldoening op aangifte geheven eilandbelastingen bepaalt de belastingverordening binnen welke termijn de verschuldigde belasting moet worden betaald.
2.
Voor zover de belastingverordening geen termijn noemt als bedoeld in het eerste lid is artikel 8.11 van de Belastingwet BES onverkort van toepassing.
3.
Bij toepassing van artikel 74, derde lid, kan de in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar voor de termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid, een kortere termijn in de plaats stellen.
1.
De in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar is bevoegd voor eenzelfde belastingplichtige bestemde belastingaanslagen van dezelfde soort die betrekking kunnen hebben op verschillende belastingen, op één aanslagbiljet te verenigen.
2.
Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.
1.
Degene die ingevolge de belastingverordening aanspraak kan maken op een gehele of gedeeltelijke vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf, kan binnen zes weken nadat de omstandigheid welke die aanspraak deed ontstaan, zich heeft voorgedaan, of, voor zover het een belasting betreft die bij wege van aanslag wordt geheven en op dat tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt of is toegezonden, binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet, een aanvraag tot het verkrijgen van vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf indienen bij de in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar.
2.
Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.
3.
De in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 78
In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel, naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën, het internationale gebruik daartoe noodzaakt, wordt vrijstelling van eilandbelastingen verleend. Onze genoemde Ministers kunnen gezamenlijk ter zake nadere regels stellen.
Artikel 79
Naast een in de belastingverordening voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf kan de in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar ook een in de belastingverordening voorziene vrijstelling ambtshalve verlenen.
1.
Met betrekking tot eilandbelastingen kunnen bij algemene maatregel van bestuur:
a. regels worden gesteld waarbij de artikelen 8.83, tweede tot en met vijfde lid, 8.86, 8.87, en 8.91 van de Belastingwet BES geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard, dan wel
b. regels worden gesteld die overeenkomen met die in de in onderdeel a genoemde artikelen.
2.
De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval een omschrijving van degene op wie de verplichting rust, alsmede van de eilandbelasting ten behoeve waarvan de verplichting geldt. Voorts vermelden deze regels naar gelang de aard van de verplichting een omschrijving van de aard van de te verstrekken gegevens en inlichtingen, van de aard van de gegevens welke uit de administratie dienen te blijken of van het doel waarvoor het voor raadpleging beschikbaar stellen van gegevensdragers kan geschieden.
1.
De belastingverordening bepaalt binnen welke termijnen een belastingaanslag invorderbaar is. Voor zover de belastingverordening geen termijnen noemt als bedoeld in de vorige volzin is artikel 8.43 van de Belastingwet BES van toepassing.
2.
Bij toepassing van artikel 74, derde lid, kan de in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar voor de termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid, een kortere termijn in de plaats stellen.
3.
De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag moet worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de voldoening van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere vordering.
4.
Het eerste tot en met derde lid vinden overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.
Artikel 82
De verrekening van aan de belastingschuldige uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van eilandbelastingen op de voet van artikel 8.59 van de Belastingwet BES is ook mogelijk indien de in artikel 8.43 van de Belastingwet BES gestelde termijn, dan wel de krachtens artikel 81, eerste lid, gestelde termijn nog niet is verstreken.
1.
Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.
2.
Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van één van de belastingplichtigen is gesteld, kan de met de invordering van eilandbelastingen belaste eilandambtenaar de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen ten name van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.
3.
De belastingschuldige die de belastingaanslag heeft voldaan kan hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht verhalen op de overige belastingplichtigen naar evenredigheid van ieders belastingplicht.
4.
Tegen een met toepassing van het eerste lid vastgestelde belastingaanslag kan mede bezwaar en beroep als bedoeld in titel 8 van hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES worden ingesteld door de belastingplichtige wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld.
5.
Van het derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.
1.
De in artikel 8.58 van de Belastingwet BES bedoelde kwijtschelding wordt met betrekking tot eilandbelastingen verleend door de in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, bedoelde eilandambtenaar.
2.
De eilandsraad kan bepalen dat in het geheel geen dan wel gedeeltelijke kwijtschelding wordt verleend.
3.
Het bestuurscollege kan de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de eilandambtenaar belast met de invordering van eilandbelastingen van de verplichting verder pogingen tot invordering te doen.
Artikel 85
Indien ter zake van een eilandbelasting exploot moet worden gedaan, een akte van vervolging betekend of een dwangbevel ten uitvoer gelegd in een gemeente, of in een ander openbaar lichaam dan die aan welke de belasting is verschuldigd, is daartoe naast de belastingdeurwaarder van laatstbedoeld openbaar lichaam mede de belastingdeurwaarder van de desbetreffende gemeente en van het andere openbaar lichaam bevoegd en desgevraagd verplicht.
Artikel 86
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake alle eilandbelastingen in het kader van deze paragraaf passende nadere regels worden gegeven ter aanvulling van de in deze paragraaf geregelde onderwerpen.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk II. Het College financieel toezicht Bonaire, Sint Eustatius en Saba
+ Hoofdstuk III. Financiële functie
- Hoofdstuk IV. De belastingen
+ Hoofdstuk V. De financiële verhouding
+ Hoofdstuk VI. Wijziging van andere wetten
+ Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht