1.
Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.
2.
Tot de in het eerste lid verboden gedragingen worden in ieder geval gerekend:
a. een dier arbeid doen verrichten die kennelijk zijn krachten te boven gaat of waartoe het uit hoofde van zijn toestand ongeschikt is;
b. een koe met overvolle uier vervoeren of op een markt of openbare verkoping ten verkoop houden;
c. bij de verlossing van een koe gebruikmaken van dierlijke trekkracht of van een niet daarvoor toegelaten krachttoestel, en
d. een hond als trekkracht gebruiken met uitzondering van de sledehondensport, voor zover toegelaten.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts gedragingen worden aangewezen die in ieder geval worden gerekend tot de verboden gedragingen, bedoeld in het eerste lid.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor een toelating als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c en d, of voor de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, aangewezen gedragingen.
5.
Van de krachtens het derde lid aangewezen gedragingen kan, al dan niet in daarbij aangewezen gevallen, deel uitmaken het gebruik van voorwerpen die bij dieren pijn of letsel kunnen veroorzaken, dan wel de gezondheid of het welzijn kunnen benadelen.
6.
Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg.
7.
Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren.
1.
Het is verboden dieren te houden die niet behoren tot door Onze Minister aangewezen diersoorten of diercategorieën.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria vastgesteld op grond waarvan Onze Minister diersoorten of diercategorieën, bedoeld in het eerste lid, aanwijst.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, slechts van toepassing is op één of meer dierklassen.
4.
De hoofdstukken 6, 7 en 8 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid.
5.
Het is verboden dieren te houden waarbij in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 2.25 substanties zijn toegepast.
6.
Het is verboden bij ministeriële regeling aangewezen dieren te houden. Een dier als bedoeld in de eerste volzin wordt aangewezen indien het een gevaar kan opleveren voor mens of dier.
7.
Het is verboden dieren behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieën van het ouderdier te scheiden voordat die dieren een bij die maatregel vastgestelde leeftijd hebben bereikt.
8.
Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.
9.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende EG-maatregelen over het houden van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën.
10.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het negende lid, voor dieren of voor dieren behorende tot bepaalde diersoorten of diercategorieën, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:
a. een verbod op de aanwezigheid op of in de nabijheid van een bedrijf van bepaalde:
1°. diervoeders;
2°. diergeneesmiddelen, of
3°. andere substanties of materialen voor zover die een risico kunnen opleveren voor de diergezondheid, het welzijn van dieren, de volksgezondheid, het milieu of de kwaliteit van een dierlijk product;
b. de ruimte of het terrein waar dieren worden gehouden, waaronder:
1°. de afmeting, uitvoering en vormgeving;
2°. de wanden, de vloer en de grond;
3°. de voorzieningen, waaronder de voeder- en drinkwatervoorziening;
4°. de verlichting, luchtverversing en verwarming;
5°. het onderbrengen of afzonderen van zieke dieren, dieren die mogelijk met een besmettelijke ziekteverwekker zijn besmet, of dieren met een bepaalde gezondheidstoestand;
6°. de afrasteringen en beschutting, en
7°. de ligging ten opzichte van onroerende zaken en ruimten waar zich mensen kunnen bevinden;
c. de wijze waarop dieren worden gehouden, waaronder:
1°. het vastleggen of aangebonden houden van dieren;
2°. het gescheiden houden van dieren, al naar gelang de leeftijd, het geslacht of de soort;
3°. het groeperen van dieren;
4°. het aantal dieren dat in één ruimte wordt gehouden, en
5°. de ruimte waarover dieren kunnen beschikken;
d. de verzorging, de behandeling, het africhten, de voedering en de drenking van dieren;
e. het gebruik en de bewaring van bepaalde diervoeders, alsmede een verbod daarop;
f. de bestrijding van organismen die schadelijk zijn voor de gezondheid of het welzijn van dieren;
g. de reiniging en ontsmetting van ruimten en aanwezige gereedschappen en andere instrumenten of uitrustingen waarmee dieren in aanraking kunnen komen;
h. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]
i. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]
j. de bedrijfsbegeleiding door een dierenarts;
k. de bij de houder, de personen die bij hem in dienst zijn en de personen die voor hem diensten verrichten aanwezige kennis over het houden van dieren;
l. het bijhouden, overleggen, controleren, bewaren en melden van gegevens, onder meer over:
1°. dieren, waaronder de gezondheidstoestand, geboorte- en sterftegevallen;
2°. bezoekers van bedrijven, en vervoermiddelen;
3°. de herkomst, bestemming of verplaatsing van dieren, en
4°. de herkomst, ontvangst, bereiding, bewerking, verwerking en verdere behandeling, opslag en bewaring van diervoeders en diergeneesmiddelen, alsmede het gebruik van diervoeders, onderscheidenlijk het toepassen van diergeneesmiddelen;
m. de te verrichten onderzoeken bij dieren of in ruimten of op terreinen en gebieden waar dieren kunnen worden gehouden, naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten, zoönosen, ziekteverschijnselen, ziekteverwekkers of organismen die drager van een ziekteverwekker kunnen zijn, of naar de werking van vaccins;
n. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers;
o. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]
p. de gevallen waarin een dierenarts of een ander persoon die is toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van een diergeneeskundige handeling, wordt geconsulteerd;
q. de voorwaarden waaronder, met betrekking tot de wijze waarop dieren worden gehouden op het bedrijf een bij of krachtens de maatregel aangewezen exclusieve aanduiding mag worden gebruikt, en
r. een verbod op het houden van bepaalde diersoorten of diercategorieën, indien niet is voldaan aan ten aanzien van dat dier gestelde regels als bedoeld in onderdeel b, c, d, e, f, k, l en p.
11.
Het bepaalde krachtens het tiende lid, onderdeel e, is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren.
1.
Het is verboden dieren te gebruiken met het oog op de productie van dierlijke producten.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op dieren behorende tot bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieën.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de bescherming van het welzijn en de gezondheid van dieren regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over de doeleinden of activiteiten waarvoor dieren, diersoorten of diercategorieën kunnen worden gebruikt.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het derde lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:
a. een verbod op het gebruik van bepaalde dieren, diersoorten of diercategorieën voor bepaalde doelen of activiteiten, en
b. het toestaan van het gebruik van bepaalde dieren, diersoorten of diercategorieën voor bepaalde doelen of activiteiten onder bij of krachtens de in het derde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EG-maatregelen over de identificatie van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld voor bij deze maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën die betrekking hebben op onder meer:
a. de verplichting tot identificatie;
b. de hoedanigheid van de identificatiemiddelen;
c. de gegevens die in of op de identificatiemiddelen worden vermeld of vastgelegd;
d. de wijze en het moment van aanbrengen van identificatiemiddelen;
e. de verwijdering en vervanging van identificatiemiddelen;
f. de productie, het vervoeren, het te koop aanbieden, het verkopen, het voorhanden of in voorraad hebben, het afleveren en het in de handel brengen van identificatiemiddelen, en
g. het document waarin gegevens met betrekking tot de identificatie van dieren worden vastgelegd.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot dieren en het bedrijf waar de dieren worden of zijn gehouden, ingeval ten aanzien van één of meer van de op het bedrijf aanwezige dieren niet kan worden voldaan aan de krachtens dit artikel gestelde regels.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over het vervoer van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld voor bij deze maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën die betrekking hebben op onder meer:
a. een verbod op het vervoeren van bepaalde dieren;
b. de bij de te vervoeren dieren te verrichten onderzoeken;
c. het bijeenbrengen, aanvoeren en afvoeren van dieren;
d. de bewijsstukken die de dieren tijdens het vervoer vergezellen;
e. de wijze van vervoer;
f. de duur en de afstand van het vervoer, met inbegrip van rustpauzes;
g. het in-, bij-, uit- en overladen van dieren;
h. de beladingsdichtheid van vervoermiddelen;
i. het verzegelen of merken van vervoermiddelen;
j. voorwerpen die ten behoeve van het vervoer van dieren worden gebruikt;
k. de verzorging, voedering en drenking van dieren tijdens het vervoer;
l. de over het vervoer bij te houden gegevens;
m. de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen, en de plaatsen of inrichtingen waar dit plaatsvindt;
n. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers, en
o. de vakbekwaamheid van degene die de dieren vervoert of die bij het vervoer betrokken is.
1.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld voor bij deze maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën die betrekking hebben op onder meer:
a. een verbod op het fokken of het voor de fok gebruiken van:
1°. dieren die beschikken over een bepaalde aandoening die, of een uiterlijk kenmerk dat, de gezondheid of het welzijn van het dier of de nakomelingen van het dier kan aantasten;
2°. dieren die een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van mens of dier, en
3°. andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen dieren, diersoorten of diercategorieën;
b. de methode van fokken, waaronder een verbod op bepaalde methoden van fokken;
c. het voorafgaand aan het fokken door de fokker te verrichten of te doen verrichten onderzoek bij dieren waarmee wordt gefokt naar de aanwezigheid van aandoeningen die de gezondheid of het welzijn van de dieren of de nakomelingen van die dieren kunnen aantasten;
d. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers;
e. het aantal nesten dat dieren gedurende een bepaalde periode krijgen, en
f. de bij te houden en over te leggen gegevens.
3.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over het verkopen, het ten verkoop in voorraad hebben, het ten verkoop aanbieden, het kopen, het verhuren, het afleveren, het in de handel brengen en het in of buiten Nederland brengen van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:
a. een verbod op het verkopen, het voor de verkoop in voorraad hebben, het voor de verkoop aanbieden, het kopen, het verhuren, het afleveren, het in de handel brengen of het in of buiten Nederland brengen van:
1°. dieren waarbij in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 2.25 substanties zijn toegepast, en
2°. andere aangewezen dieren, diersoorten of diercategorieën;
b. de afkomst van de dieren;
c. de documenten die de dieren vergezellen of die worden overgelegd;
d. de gezondheidstoestand van de dieren;
e. de bij de dieren te verrichten onderzoeken;
f. degene die de dieren in de handel brengt, verkoopt, voor de verkoop in voorraad heeft, voor de verkoop aanbiedt, koopt, verhuurt of aflevert;
g. de bij te houden en over te leggen gegevens;
h. de bedrijfsruimten;
i. de hoedanigheid van de dieren;
j. de herkomst en bestemming van de dieren;
k. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen en het weren van ziekteverwekkers;
l. de vakbekwaamheid van degene die de dieren in de handel brengt, verkoopt, voor de verkoop in voorraad heeft, voor de verkoop aanbiedt, koopt, verhuurt of aflevert, en
m. een verbod op het verkopen van bij of krachtens die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze een in die maatregel genoemde leeftijd heeft bereikt.
3.
Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht voor de verkoop in voorraad te hebben, voor de verkoop aan te bieden, te verkopen en te kopen.
1.
Het is verboden:
a. lichamelijke ingrepen te verrichten;
b. diergeneesmiddelen waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, is verstrekt, bij dieren toe te passen, of
c. diergeneesmiddelen toe te passen in strijd met voorschriften en beperkingen als bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, die zijn verbonden aan de vergunning die ten behoeve van dat diergeneesmiddel is verstrekt.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van:
a. lichamelijke ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;
b. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen lichamelijke ingrepen;
c. overige bij of krachtens enig wettelijk voorschrift verplichte dan wel toegestane lichamelijke ingrepen, en
d. het toepassen van diergeneesmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over het verrichten van diergeneeskundige handelingen.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het derde lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:
a. de verplichting om daarbij aangewezen diergeneeskundige handelingen te verrichten;
b. de wijze waarop en de voorwaarden waaronder diergeneeskundige handelingen worden verricht;
c. de aanwijzing van dieren waarbij of met betrekking tot welke de daarbij aangewezen diergeneeskundige handelingen mogen worden verricht;
d. de inrichting en het gebruik van de ruimten waarin diergeneeskundige handelingen worden verricht;
e. de hoedanigheid, het voorhanden of in voorraad hebben, het aanbieden, het afleveren, het verkopen, het kopen, het in de handel brengen, het in en buiten Nederland brengen en het gebruik van hulpmiddelen, waaronder apparatuur, die bij het verrichten van diergeneeskundige handelingen worden gebruikt, en
f. het bijhouden, overleggen, controleren, bewaren en melden van gegevens over verrichte diergeneeskundige handelingen;
g. de bedrijfsbegeleiding door een dierenarts.
5.
Voor de toepassing van het eerste lid en vierde lid en de daarop berustende bepalingen wordt met het toepassen van een diergeneesmiddel bij een dier gelijkgesteld het toepassen van een diergeneesmiddel bij materiaal van dierlijke herkomst, uitgezonderd cel- of weefselcultures.
6.
Het bij en krachtens het eerste tot en met het vijfde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren.
7.
Het bij en krachtens het eerste tot en met zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van diervoeders met medicinale werking.
1.
Het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen is verboden voor een ieder die daartoe niet bij of krachtens artikel 4.1 is toegelaten.
2.
Het anders dan beroepsmatig verrichten van lichamelijke ingrepen is verboden voor anderen dan de personen, bedoeld in het eerste lid.
3.
De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diergeneeskundige handelingen. De aanwijzing van diergeneeskundige handelingen kan worden beperkt tot het in een bepaalde hoedanigheid verrichten van de aangewezen handeling.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere diergeneeskundige handelingen dan lichamelijke ingrepen worden aangewezen waarvan het anders dan beroepsmatig verrichten bij dieren, verboden is.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de kwalificaties van andere personen dan die bij of krachtens artikel 4.1 zijn toegelaten, die diergeneeskundige handelingen verrichten, waaronder de opleiding en bij- of nascholing.
6.
Het bij en krachtens het eerste tot en met het vijfde lid bepaalde is tevens van toepassing op het verrichten van diergeneeskundige handelingen bij andere dan gehouden dieren.
1.
Het is verboden om dieren behorend tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieën te doden, behoudens in gevallen waarin een dier wordt gedood voor de bedrijfsmatige productie van dierlijke producten of in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over het doden, het bedwelmen, het fixeren, het onderbrengen en het verplaatsen van dieren.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het tweede lid, regels worden gesteld voor bij deze maatregel aan te wijzen diersoorten of diercategorieën die betrekking hebben op onder meer:
a. een verbod op het doden van bepaalde dieren;
b. de wijze waarop dieren worden gedood;
c. situaties waarin het is toegestaan dieren te doden;
d. voorwaarden waaronder het is toegestaan dieren te doden;
e. de personen die dieren doden, of die daarbij betrokken zijn;
f. de plaats waar dieren worden gedood;
g. het vervoeren, het aanvoeren en het afvoeren van dieren naar de plaats waar wordt gedood;
h. het verplaatsen van dieren in de ruimten waar dieren worden gedood;
i. het onderbrengen van dieren in de ruimten waar dieren worden gedood;
j. het fixeren van dieren;
k. het bedwelmen van dieren;
l. de inrichting, uitvoering en vormgeving van ruimten waar dieren worden gedood, waaronder de aanwezige voorzieningen;
m. de gegevens over de te doden dieren die voorafgaand aan het doden worden overgelegd;
n. de gezondheidsstatus van de te doden dieren;
o. de onderzoeken aan en met betrekking tot de dieren;
p. de keuring van dieren;
q. de personen die dieren keuren, of die daarbij betrokken zijn;
r. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers, en
s. de instrumenten, installaties en verdere voorzieningen voor het fixeren, bedwelmen of doden van dieren.
4.
Het is toegestaan om dieren zonder voorafgaande bedwelming te doden volgens de israëlitische of de islamitische ritus. Bij algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de bescherming van de dieren nadere regels gesteld over het doden volgens de israëlitische of de islamitische ritus.
5.
De regels, bedoeld in het vierde lid, kunnen betrekking hebben op onder meer:
a. de wijze waarop dieren worden gedood;
b. de personen die het doden van dieren uitvoeren;
c. de inrichting, uitvoering en vormgeving van ruimten waar dieren worden gedood, waaronder de aanwezige voorzieningen, en
d. de aanwezigheid van een op grond van artikel 8.1 aangewezen ambtenaar, tevens zijnde een dierenarts, en de door die ambtenaar te geven aanwijzingen.
1.
Het is verboden dieren opzettelijk in een zodanige toestand te brengen dat deze ziek worden of kunnen worden besmet met een dierziekte of een zoönose.
2.
De houder van dieren die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dieren door zijn handelen of nalaten ziek worden, of dat daardoor een besmetting met dan wel de verspreiding van een dierziekte of een zoönose als bedoeld in het eerste lid, kan worden veroorzaakt:
a. laat dergelijk handelen of nalaten achterwege voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd;
b. neemt alle maatregelen die in redelijkheid kunnen worden gevergd, teneinde zodanige besmetting of verspreiding te voorkomen, en
c. ingeval een zodanige besmetting zich voordoet, beperkt de omvang en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk of maakt die zoveel mogelijk ongedaan.
3.
De houder, bedoeld in het tweede lid, handelt in elk geval in strijd met dat lid indien hij een handeling verricht waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die achterwege zou zijn gebleven, indien geen sprake zou zijn geweest van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte of zoönose, dan wel een kennelijke dreiging daarvan, en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die handeling het gevaar van een zodanige verspreiding kan vergroten.
1.
Ingeval een dierenarts weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een dier is besmet met een dierziekte of een zoönose als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, dan wel met een andere bij ministeriële regeling aangewezen dierziekte of zoönose, of drager is van een ziekteverwekker, geeft hij hiervan terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid.
2.
Ingeval een dierenarts weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een dier een ziekteverschijnsel als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, dan wel een ander bij ministeriële regeling aangewezen ziekteverschijnsel vertoont, geeft hij hiervan terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid.
3.
Ingeval een dier een ziekteverschijnsel als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, dan wel een ander bij ministeriële regeling aangewezen ziekteverschijnsel vertoont, of ingeval de houder weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een dier is besmet met een dierziekte of een zoönose als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, dan wel een andere bij ministeriële regeling aangewezen dierziekte of zoönose, of drager is van een ziekteverwekker, geeft de houder van dit dier hiervan terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid.
4.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een ieder die in het kader van werkzaamheden in een onderzoeksinstelling, die gevallen van dierziekten, zoönosen of ziekteverschijnselen als bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, opmerkt.
5.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden een kennisgeving als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid achterwege kan blijven.
Artikel 2.13. Verbod op het gebruik van dieren als prijs
Het is verboden dieren als prijs, beloning of gift uit te loven of uit te reiken naar aanleiding van wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere dergelijke evenementen.
1.
Het is verboden dierengevechten te organiseren of dieren aan dierengevechten te doen deelnemen.
2.
Het is verboden bij dierengevechten aanwezig te zijn.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over wedstrijden met dieren.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:
a. een verbod op het organiseren en het houden van wedstrijden met een bepaald doel, en het daaraan doen deelnemen van dieren;
b. een verbod voor bepaalde personen op het organiseren van wedstrijden;
c. de leeftijd, de gezondheidstoestand en afkomst van de dieren die aan wedstrijden deelnemen;
d. de frequentie waarmee dieren aan wedstrijden deelnemen;
e. een verbod op het inschrijven voor, het toelaten tot en het deelnemen aan wedstrijden van bepaalde dieren;
f. de aanwezigheid van een dierenarts bij wedstrijden;
g. de baan- en hindernisbouw bij wedstrijden;
h. de organisatie van wedstrijden en de inrichting van wedstrijdterreinen, en
i. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het gebruik van substanties bij dieren die het prestatievermogen van dieren in wedstrijden kunnen beïnvloeden.
4.
De regels, bedoeld in het derde lid, kunnen betrekking hebben op onder meer:
a. een verbod op het gebruik van bepaalde substanties en het vaststellen van het maximum toegestane gehalte aan bepaalde substanties;
b. de toepassing van substanties bij dieren;
c. de uitsluiting van dieren van deelname aan wedstrijden ingeval in de dieren een substantie, een bestanddeel daarvan of een omzettingsproduct, aanwezig is, of dat wordt vermoed;
d. de wijze waarop de aanwezigheid van een substantie in dieren, een bestanddeel daarvan of een omzettingsproduct, wordt aangetoond, en
e. een verbod op het voorhanden, in voorraad of aanwezig hebben van substanties.
5.
Het is verboden deel te nemen aan wedstrijden met dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht.
6.
Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht, tot een wedstrijd toe te laten.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het houden van keuringen, tentoonstellingen en andere gelegenheden of inrichtingen waar dieren worden gehouden en aan het publiek worden getoond wegens recreatieve, sportieve of opvoedkundige doeleinden.
2.
De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. een verbod op het met bepaalde dieren deelnemen aan een tentoonstelling;
b. een verbod op het toelaten van bepaalde dieren tot een tentoonstelling, een gelegenheid of een inrichting;
c. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers;
d. de bevordering van de instandhouding van diersoorten, en
e. informatie en educatie met betrekking tot de tentoongestelde diersoorten.
3.
Het is verboden deel te nemen aan tentoonstellingen of keuringen met dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht.
4.
Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht, tot een tentoonstelling of keuring toe te laten.
1.
Het is verboden in strijd met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitvoering van een EU-richtlijn vastgesteld voorschrift, een handeling te verrichten die ertoe strekt diervoeders te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verpakken, te etiketteren, in de handel te brengen, in of buiten Nederland te brengen, te vervoeren of aan te bieden, aan te prijzen, af te leveren, te ontvangen, voorhanden of in voorraad te hebben:
a. die niet zuiver, deugdelijk, of van gebruikelijke handelskwaliteit zijn;
b. die een gevaar opleveren voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, indien niet correct gebruikt, of
c. die de dierlijke productie ongunstig kunnen beïnvloeden.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op andere stoffen of producten die bestemd zijn voor het voederen van dieren.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen met betrekking tot diervoeders en andere stoffen of producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:
a. een verbod op het bereiden, het bewerken, het verwerken, het verpakken, het etiketteren, het voorhanden of in voorraad hebben, het vervoeren, het afleveren of het in de handel brengen van bepaalde diervoeders, alsmede handelingen als bedoeld in artikel 2.17, de bij deze handelingen te hanteren procedures en normen, waaronder de daarbij te verstrekken informatie;
b. de hoedanigheid van diervoeders, waaronder de aanwezigheid van diergeneesmiddelen, substanties of andere stoffen die in diervoerders voorkomen;
c. het bereiden, het bewerken en het verwerken van diervoeders;
d. het verpakken en het etiketteren van diervoeders;
e. het ontvangen, het voorhanden of in voorraad hebben, het in de handel brengen, het in of buiten Nederland brengen, het vervoeren, het afleveren, het aanbieden en het aanprijzen van diervoeders;
f. ruimten waarin diervoeders worden bereid, bewerkt, verwerkt, verpakt, geëtiketteerd dan wel voorhanden of in voorraad worden gehouden, waaronder de inrichting en het gebruik van die ruimten;
g. de hulpmiddelen, waaronder apparatuur, die bij het bereiden, het bewerken, het verwerken, het verpakken, het etiketteren, het bewaren en het vervoeren van diervoeders worden gebruikt;
h. de kwalificaties van personen die zijn betrokken bij het bereiden, het bewerken, het verwerken, het verpakken of het vervoeren van, onderscheidenlijk de handel in diervoeders, waaronder hun opleiding;
i. controles door bereiders, bewerkers, verwerkers, verpakkers, vervoerders of houders van, onderscheidenlijk handelaren in diervoeders, waaronder de wijze van controles en monsterneming, de vastlegging van controleresultaten alsmede het bewaren en overleggen van controleresultaten en monsters;
j. het bijhouden, overleggen, controleren, bewaren en melden van gegevens over de voorraad, de bereiding, de bewerking, de verwerking, de ontvangst, de herkomst, de aflevering, de vernietiging, de bestemming, het verbruik en de vervoedering van diervoeders;
k. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers, en
l. het zich ontdoen van resten en lege verpakkingen van diervoeders.
1.
Het is verboden een handeling te verrichten die ertoe strekt een diergeneesmiddel te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verpakken, te etiketteren, in de handel te brengen, in of buiten Nederland te brengen, te vervoeren, aan te bieden, aan te prijzen, af te leveren, te ontvangen, voorhanden of in voorraad te hebben, voor zover deze handeling niet is toegestaan krachtens een vergunning die is verstrekt ingevolge een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van een bindend onderdeel van een EU-rechtshandeling vastgesteld voorschrift of een bij ministeriële regeling aangewezen voorschrift van een EU-verordening inzake het in de handel brengen, vervaardiging, invoer, of het bezit van, handel in of verstrekken van een diergeneesmiddel.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in voorkomend geval met inachtneming van EU-rechtshandelingen, aangewezen diergeneesmiddelen, of in bij of krachtens die maatregel aangewezen gevallen.
3.
De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt op aanvraag verstrekt indien:
a. op grond van onderzoek met redelijke zekerheid mag worden aangenomen dat het diergeneesmiddel bij het toepassen overeenkomstig de aan de te verstrekken vergunning krachtens artikel 7.5, eerste lid, te verbinden voorschriften:
1°. de gestelde werking bezit, en
2°. geen gevaar oplevert voor de gezondheid van mensen, dieren en planten en voor het milieu;
b. het diergeneesmiddel de opgegeven eigenschappen en kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling bezit en de voor het controleren daarvan opgegeven methodieken adequaat zijn;
c. het diergeneesmiddel voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels met betrekking tot de substanties waaruit het is samengesteld;
d. het diergeneesmiddel, voor zover het een immunologisch diergeneesmiddel of biologisch diagnosticum betreft, niet bereid is uit, of met behulp van bij EU-verordening, EU-besluit of bij ministeriële regeling aangewezen substanties waarvan gevaar is te duchten voor de gezondheid van dieren of voor verstoring van de dierziektebestrijding;
e. bij EU-verordening of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde procedures in acht zijn genomen;
f. bij ministeriële regeling aangewezen door de Europese Commissie vastgestelde beginselen en richtsnoeren in acht zijn genomen, en
g. geen ingevolge een EU-verordening of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde weigeringsgrond aanwezig is.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de beoordelingsmethoden bij de toepassing van de voorwaarden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a tot en met d, alsmede regels inzake de methode waarmee de op grond van het derde lid, onderdeel a, aanhef, vast te stellen voorschriften worden bepaald, voor zover deze voorschriften bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn toegestaan.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake de onderzoeksmethoden die worden toegepast bij een onderzoek als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b.
6.
Het derde lid, onderdeel a, onder 1°, is niet van toepassing op een aanvraag voor een homeopathisch diergeneesmiddel in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
7.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, en een regeling als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, en vierde lid, wordt vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
8.
Voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid die is verstrekt voor het in de handel brengen van een diergeneesmiddel, gelden voor een ieder die een handeling als bedoeld in het eerste lid verricht.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen met betrekking tot diergeneesmiddelen of diervoeders met medicinale werking.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:
a. het bereiden, het bewerken, het verwerken, het verpakken, het etiketteren, het in de handel brengen, het in of buiten Nederland brengen, het vervoeren, het aanbieden, het aanprijzen, het afleveren, het ontvangen, het voorhanden of in voorraad hebben van:
1°. diergeneesmiddelen, of
2°. substanties die bij de bereiding van diergeneesmiddelen worden gebruikt;
b. een verbod op het bereiden, het bewerken, het verwerken, het verpakken, het etiketteren, het afleveren, het ontvangen, het voorhanden of in voorraad hebben, het in de handel brengen, het in of buiten Nederland brengen, het vervoeren, het afleveren, het aanbieden of het aanprijzen van diergeneesmiddelen of substanties als bedoeld in onderdeel a, onder 2°, alsmede handelingen als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, en de bij die handelingen te hanteren procedures en normen, waaronder de te verstrekken informatie;
c. het uit de handel nemen en het vernietigen van diergeneesmiddelen;
d. het zich ontdoen van resten en lege verpakkingen van diergeneesmiddelen;
e. ruimten waarin diergeneesmiddelen worden bereid, bewerkt, verwerkt, verpakt, geëtiketteerd, bewaard dan wel voorhanden of in voorraad gehouden, waaronder de inrichting en het gebruik van die ruimten;
f. de hulpmiddelen, waaronder apparatuur, die bij het bereiden, het bewerken, het verwerken, het verpakken, het etiketteren, het bewaren en het vervoeren van diergeneesmiddelen worden gebruikt;
g. de kwalificaties van personen die zijn betrokken bij het bereiden, het bewerken, het verwerken, het verpakken of het vervoeren van, onderscheidenlijk de handel in diergeneesmiddelen, waaronder hun opleiding, alsmede de zo nodig tegen deze personen te nemen maatregelen;
h. controles door bereiders, bewerkers, verwerkers, verpakkers, vervoerders of houders van, onderscheidenlijk handelaren in diergeneesmiddelen, waaronder de wijze van controles en monsterneming, de vastlegging van controleresultaten alsmede het bewaren en overleggen van controleresultaten en monsters;
i. het aantekening houden en melden van bijwerkingen van een diergeneesmiddel alsmede de inrichting van een diergeneesmiddelenbewakingssysteem;
j. het bijhouden, overleggen, controleren, bewaren en melden van gegevens over de voorraad, de bereiding, de bewerking, de verwerking, de ontvangst, de herkomst, de aflevering, de vernietiging, de bestemming en het verbruik van diergeneesmiddelen;
k. de keuring van partijen diergeneesmiddelen, en
l. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers.
3.
Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij ministeriële regeling aangewezen substanties die geen diergeneesmiddel zijn maar wel als zodanig kunnen worden gebruikt, of diervoeders met medicinale werking.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld dat daarbij aangewezen diergeneesmiddelen of diervoeders met medicinale werking uitsluitend worden afgeleverd aan, onderscheidenlijk in voorraad of voorhanden worden gehouden door daarbij aangewezen personen, onder de daarbij gestelde voorwaarden.
2.
Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt uitsluitend plaats ingeval een EU-rechtshandeling daartoe verplicht, of ingeval de diergeneesmiddelen of diervoeders met medicinale werking zonder tussenkomst van een dierenarts een gevaar voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu kunnen opleveren.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen met betrekking tot ziekteverwekkers.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:
a. het bereiden, het bewerken, het verwerken en het vermengen van ziekteverwekkers;
b. het voorhanden of in voorraad hebben, het vervoeren van ziekteverwekkers en het in de handel brengen van ziekteverwekkers door personen die immunologische diergeneesmiddelen of biologische diagnostica bereiden;
c. het weren, het voorkomen van verspreiding en het vernietigen van ziekteverwekkers;
d. het voeren van een administratie en het verstrekken van gegevens omtrent ziekteverwekkers, en
e. een verbod op het vervoeren van bepaalde ziekteverwekkers.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen ziekteverwekkers worden aangewezen waarvan het voorhanden of in voorraad houden uitsluitend is toegestaan aan:
a. instellingen van wetenschap of onderzoek die bij ministeriële regeling zijn aangewezen in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, voor zover de ziekteverwekkers zijn bestemd voor gebruik voor wetenschappelijke doeleinden, of
b. bereiders van sera, entstoffen of biologische diagnostica, voor zover de ziekteverwekkers zijn bestemd voor de bereiding van, of de controle op die producten.
4.
Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van ziekteverwekkers, bestemd voor de bereiding van of de controle op therapeutische of diagnostische middelen die zijn bestemd voor toepassing bij onderzoek of behandeling van de mens.
1.
Het is verboden om uitsluitend voor sportprestaties of vermaak het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie.
2.
Het is zonder vergunning verboden:
a. het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie;
b. biotechnologische technieken bij een dier of een dierlijk embryo toe te passen.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het tweede lid voor zover die handelingen worden verricht ten behoeve van biomedisch onderzoek.
4.
Onze Minister verleent een vergunning slechts indien naar zijn oordeel:
a. de handelingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de gezondheid of het welzijn van dieren; en
b. tegen de handelingen geen ethische bezwaren bestaan.
5.
In afwijking van artikel 7.7, eerste lid, vraagt Onze Minister telkenmale omtrent een verzoek tot verlening van een vergunning als bedoeld in het tweede lid advies aan een door hem met betrekking tot dat verzoek in te stellen commissie van onafhankelijke deskundigen.
6.
Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag tot een vergunning als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 2.24
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen handelingen worden aangewezen ten aanzien waarvan in ieder geval niet is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.23, vierde lid.
1.
Het is verboden om op enigerlei wijze handelingen te verrichten in strijd met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen gestelde regels over het bij dieren of op cel- of weefselcultures bij dieren toepassen van diergeneesmiddelen, diervoeders, substanties of andere stoffen, of producten.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in bij ministeriële regeling, in voorkomend geval met inachtneming van EU-rechtshandelingen, aangewezen gevallen.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor bij deze maatregel aan te wijzen diersoorten of diercategorieën regels worden gesteld over het bij dieren of op cel- of weefselcultures bij dieren toepassen van diergeneesmiddelen, diervoeders, bij of krachtens die maatregel aangewezen substanties of andere stoffen, of producten, welke regels betrekking kunnen hebben op onder meer:
a. de aard van de substantie;
b. het doel waarvoor de substantie wordt toegepast;
c. de wijze waarop de substantie wordt toegepast;
d. de diersoort of diercategorie waartoe de dieren, dan wel cel- of weefselcultures van dieren behoren waarbij de substantie uitsluitend mag worden toegepast;
e. het moment van toepassing, en
f. de waarborgen die worden getroffen in het belang van de dieren of de volksgezondheid.
4.
Voor zover een aanwijzing van een substantie als bedoeld in het derde lid geschiedt krachtens algemene maatregel van bestuur en indien die aanwijzing geheel of mede in het belang is van de volksgezondheid, geschiedt deze in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemeen deel
- Hoofdstuk 2. Dieren
+ Hoofdstuk 3. Dierlijke producten
+ Hoofdstuk 4. Toelating beroepen in de uitoefening van de diergeneeskunde
+ Hoofdstuk 5. Maatregelen
+ Hoofdstuk 6. Uitvoering EU-rechtshandelingen
+ Hoofdstuk 7. Vergunningen, erkenningen, toestemmingen, toelatingen, registraties, meldingen en registers
+ Hoofdstuk 8. Handhaving
+ Hoofdstuk 9. Financiën
+ Hoofdstuk 10. Overig
+ Hoofdstuk 11. Wijzigingen andere wetten en overgangsrecht
+ Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken