2.
Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van deze paragraaf recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon, bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen, dat de werknemer of de gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, dan wel de betrokkene, bedoeld in artikel 3:10, in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het recht op uitkering op grond van deze paragraaf is ontstaan, verdiende in de dienstbetrekking waaruit dat recht is ontstaan, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Aanpassing arbeidsduur
- Hoofdstuk 3. Zwangerschap, bevalling, adoptie en pleegzorg
+ Hoofdstuk 4. Calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
+ Hoofdstuk 5. Kort- en langdurend zorgverlof
+ Hoofdstuk 6. Ouderschapsverlof
+ Hoofdstuk 7. Levensloopregeling
+ Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht