1.
Indien de in artikel 18 tweede lid bedoelde verklaring naar het oordeel van Onze Minister van Financiën overeenkomstig de waarheid is, verleent hij de verzoeker de gevraagde vrijstelling. Ten bewijze van de vrijstelling reikt hij voor elk van de motorrijtuigen waarvan de vrijgestelde de bezitter, degene, op wiens naam deze in het kentekenregister zijn ingeschreven, dan wel de in artikel 2, tweede lid, bedoelde houder is, tegen betaling een bewijs uit, dat ten hoogste een jaar geldig is. De bestuurders van deze motorrijtuigen moeten een geldig bewijs van vrijstelling bij zich hebben. Zolang de vrijstelling geldt, wordt het bewijs op verzoek van de vrijgestelde tegen betaling van jaar tot jaar vernieuwd. Het model van dit bewijs wordt vastgesteld door Onze voornoemde Minister.
2.
Onze Minister van Financiën kan de verleende vrijstelling intrekken:
a. op verzoek van de vrijgestelde;
b. indien de gemoedsbezwaren, op grond waarvan vrijstelling is verleend, naar zijn oordeel niet langer geacht kunnen worden te bestaan;
c. indien gedurende een termijn van tenminste één jaar geen bewijs van vrijstelling is uitgereikt;
d. indien de vrijgestelde in gebreke blijft binnen twee maanden het bedrag, verschuldigd voor het verkrijgen van een in het eerste lid bedoeld bewijs, te betalen.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen omtrent het in de vorige leden bepaalde worden gesteld.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
- Hoofdstuk 2. Vrijstellingen
+ Hoofdstuk 3. Verzekerde sommen
+ Hoofdstuk 4. Het Waarborgfonds Motorverkeer
+ Hoofdstuk 4a. Het Informatiecentrum
+ Hoofdstuk 4b. Het Schadevergoedingsorgaan
+ Hoofdstuk 5. Gevolgen van het intrekken van de vergunning of het opleggen van een verbod ter zake van acquisitie
+ Hoofdstuk 6. Verbods- en strafbepalingen
+ Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht