1.
Onderborden zijn rechthoekig en worden in wit uitgevoerd met zwarte letters, cijfers en afbeeldingen.
2.
a. Op onderborden worden waar mogelijk de afbeeldingen gebruikt zoals die voorkomen op de borden van bijlage 1 van het RVV 1990.
b. Om een beperking van de werkingssfeer aan te geven wordt het woord ’uitgezonderd’ gebruikt.
c. Indien het beoogde verkeersgedrag niet kan worden aangegeven overeenkomstig de in de onderdelen a en b aangegeven wijze, worden teksten of tekens, al dan niet in combinatie met symbolen, gebruikt, waarmee het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven.
3.
De grootte en leesbaarheid van het onderbord is in overeenstemming met die van het bord waaronder het is geplaatst.
4.
Het retroreflecterend materiaal waarin het onderbord wordt uitgevoerd is gelijk aan dat van het bord, waaraan het is toegevoegd.
5.
Een afstandsaanduiding en wegvaklengte worden afgerond op: -
10 m bij afstanden van minder dan 100 m-
50 m bij afstanden tot 300 m-
100 m bij afstanden vanaf 300 m.
Bij afstanden van meer dan 1000 m wordt de afstand in kilometers aangegeven, zonodig met één decimaal.
6.
De lengte van een wegvak wordt op het onderbord aangegeven door een getal met aan weerszijden verticaal omhoogwijzende pijlen.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Verkeersborden
- Hoofdstuk III. Onderborden
+ Hoofdstuk IV. Verkeerstekens op het wegdek
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken