1.
Borden worden slechts toegepast indien de inrichting van de weg in overeenstemming is met hetgeen bij de afzonderlijke borden is voorgeschreven.
2.
Borden worden niet toegepast indien daarmee een regeling beoogd wordt die overeenkomt met een gedragsregel of een ander verkeersteken. Ook indien het gewenste gedrag voortvloeit uit de weginrichting blijven borden achterwege.
3.
Verkeersborden die een gevaar aanduiden worden slechts toegepast, indien het gevaar voor weggebruikers onvoldoende of niet tijdig waarneembaar is.
4.
Overzicht van mogelijke combinaties bij zonale toepassing. *[1]
  A1 E1 E9 E10 C.. G5 G7
A1 X J J J J N N
E1   X J J J N N
E9     X J J J J
E10       X J J N
C..         J J N
G5           X N
G7             X

J = combinatie van zones mogelijk
N = combinatie van zones niet mogelijk
X = n.v.t.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
- Hoofdstuk II. Verkeersborden
+ Hoofdstuk III. Onderborden
+ Hoofdstuk IV. Verkeerstekens op het wegdek
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken