Besluit van 23 december 2010 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES (Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2010, nr. AFP 2010/557;
Gelet op de artikelen 8.39, 8.69, 8.89, 8.95, 8.109 en 8.115a van de Belastingwet BES en artikel 3, vierde lid, van de Wet loonbelasting BES;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 december 2010, nr. W06.10.0531/III);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 16 december 2010, nr. DB2019/289;
Hebben goedgevonden en verstaan:
2.
Dit besluit verstaat onder:
a. wet: Belastingwet BES ;
b. CBS versie 2 mei 1998: door het Centraal Bureau voor de Statistiek gehanteerde bedrijfstakclassificatie, versie 2 mei 1998, op basis van de International Standard Industrial Classification of all Economic Activities;
c. FATCA-verdrag: het op 18 december 2013 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en tenuitvoerlegging van de FATCA (Trb. 2014, 22).
Artikel 2.1
Ter zake van het verrichten van werkzaamheden voor de invordering van bedragen door de zorg van de ontvanger of belastingdeurwaarder worden aan degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen, kosten in rekening gebracht volgens het bepaalde in de artikelen 2.2 tot en met 2.5.
Artikel 2.2
Verschuldigd is:
a. voor het betekenen van een dwangschrift met bevel tot betaling: USD 40, verhoogd met USD 3 voor elk geheel bedrag van USD 50 waarmee de gevorderde som USD 50 te boven gaat, met een maximum van USD 9333;
b. voor het ingevolge een wettelijk voorschrift doen van een ander exploot: USD 40;
c. voor het geven van kwitantie door de met de tenuitvoerlegging van een dwangschrift belaste deurwaarder ter zake van een aan deze gedane betaling ter afwering van een beslaglegging op roerende zaken: USD 20;
d. voor het ingevolge een wettelijk voorschrift voor »gezien» doen tekenen van een exploot of een ander stuk: USD 4;
e. voor het aanplakken van een exploot: USD 4;
f. voor het doen aankondigen van een gedaan exploot in een dagblad: USD 4;
g. voor het verzenden van een aanmaning tot betaling: USD 8.
1.
Verschuldigd is:
a. voor het in beslag nemen van een goed en het deswege opmaken van een proces-verbaal: USD 40;
b. voor de verkoop van een goed en het deswege opmaken van een proces-verbaal: USD 50;
c. voor het bekendmaken van de verkoop door het aanslaan van de verkoopbiljetten, al dan niet gevolgd door het doen van aankondiging van de verkoop in een dagblad: USD 24;
d. voor het ingevolge een wettelijk voorschrift opmaken van een ander proces-verbaal: USD 24;
e. voor iedere getuige: USD 12 per uur of voor zover de duur niet in volle uren kan worden gerekend, per gedeelte daarvan.
2.
Indien de verrichtingen, bedoeld in de onderdelen a en b, ter plaatse langer dan twee uren duren, worden de genoemde bedragen verhoogd met USD 12 voor elk volgend uur of gedeelte daarvan.
1.
Voor de bewaring van in beslag genomen zaken is voor elke dag of gedeelte daarvan verschuldigd: het bedrag van de werkelijke kosten.
2.
Het op grond van het eerste lid verschuldigde bedrag komt toe aan de bewaarder.
3.
Aan de bewaarder komt geen vergoeding toe indien hij bij de bewaring van de zaken ook overigens belang heeft of in enige andere betrekking met de bewaring is belast.
Artikel 2.5
Naast de in de artikelen 2.2 tot en met 2.4 genoemde bedragen worden in rekening gebracht de bedragen, toekomende aan derden voor de door hen rechtstreeks ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het dwangschrift verrichte handelingen.
Artikel 3.1
De artikelen 8.67 en 8.68 van de wet zijn niet van toepassing in de volgende bedrijfssectoren en bedrijfstakken:
a. landbouw, jacht en bosbouw, zoals omschreven in letter A, onderdelen 1 en 2, van de CBS versie 2 mei 1998;
b. visserij, viskwekerijen en aanverwante dienstverlening, zoals omschreven in letter B, onderdeel 05, van de CBS versie 2 mei 1998;
c. mijnbouw en steenhouwerij, zoals omschreven in letter C, onderdelen 10 tot en met 14, van de CBS versie 2 mei 1998;
d. industrie, zoals omschreven in letter D, onderdelen 15 tot en met 37, van de CBS versie 2 mei 1998;
e. elektriciteits-, gas- en watervoorziening, zoals omschreven in letter E, onderdelen 40 en 41, van de CBS versie 2 mei 1998;
f. groot- en kleinhandel, reparatie van motorvoertuigen en huishoudelijke producten, zoals omschreven in letter G, onderdelen 50, 51 en 52, van de CBS versie 2 mei 1998;
g. hotels en restaurants, zoals omschreven in letter H, onderdeel 55, van de CBS versie 2 mei 1998;
h. vervoer, opslag en communicatie, zoals omschreven in letter I, onderdelen 60 tot en met 64, van de CBS versie 2 mei 1998;
i. financiële bemiddeling, zoals omschreven in letter J, onderdelen 65, 66 en 67, van de CBS versie 2 mei 1998;
j. onroerend goed, verhuur en zakelijke activiteiten, zoals omschreven in letter K, onderdelen 70 tot en met 74, van de CBS versie 2 mei 1998;
k. overheidswezen en defensie, verplichte sociale verzekeringen, voor zover al niet uitgezonderd, zoals omschreven in letter L, onderdeel 75, van de CBS versie 2 mei 1998;
l. onderwijs, voor zover al niet uitgezonderd, zoals omschreven in letter M, onderdeel 80, van de CBS versie 2 mei 1998;
m. gezondheidszorg en sociaal werk, zoals omschreven in letter N, onderdeel 85, van de CBS versie 2 mei 1998;
n. overige maatschappelijke, sociale en persoonlijke dienstverlening, zoals omschreven in letter O, onderdelen 90 tot en met 93, van de CBS versie 2 mei 1998;
o. particuliere huishoudens met personeel in loondienst, voor zover al niet uitgezonderd, zoals omschreven in letter P, onderdeel 95, van de CBS versie 2 mei 1998;
p. extraterritoriale organisaties en lichamen, voor zover al niet uitgezonderd, zoals omschreven in letter Q, onderdeel 99, van de CBS versie 2 mei 1998.
Artikel 4.1
Aan deskundigen en tolken die door de inspecteur met toepassing van artikel 8.89 van de wet zijn aangewezen of door de Raad van Beroep voor belastingzaken met toepassing van artikel 8.109 van de wet zijn opgeroepen, wordt een vergoeding toegekend overeenkomstig het Besluit tarieven in burgerlijke zaken BES .
Artikel 5.1
Een vergoeding van de kosten als bedoeld in de artikelen 8.95 en 8.115a van de wet kan uitsluitend betrekking hebben op:
a. kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand;
b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij is meegebracht of opgeroepen;
c. reis- en verblijfkosten;
d. verletkosten, en
e. kosten van uittreksels uit openbare registers, alsmede kosten van telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken.
1.
Het bedrag van de kosten wordt bij de beslissing op het bezwaar, onderscheidenlijk bij de uitspraak van de rechter bepaald:
a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 5.1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage bij dit besluit opgenomen tarief;
b. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 5.1, onderdeel b: op de vergoeding die ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES is verschuldigd;
d. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 5.1, onderdeel d: overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen USD 2,25 en USD 36,30 per uur bedraagt;
e. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 5.1, onderdeel e: op de werkelijke kosten.
2.
Indien een partij door de rechter gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, kan het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag worden verminderd.
Het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag kan eveneens worden verminderd indien het beroep bij de Raad van Beroep voor belastingzaken is ingetrokken omdat gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.
3.
In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken.
1.
Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 5.2, eerste lid, onderdeel a, beschouwd als één zaak.
2.
Samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
Artikel 6.1
De in hoofdstuk 5 voorkomende bedragen kunnen bij regeling van Onze Minister van Financiën worden gewijzigd.
Artikel 7.1
Ten aanzien van de in artikel 3.1 van dit besluit opgesomde bedrijfssectoren en bedrijfstakken is artikel 3, tweede lid, onderdelen f en g, van de Wet loonbelasting BES niet van toepassing.
Artikel 7a.1
Op het tijdstip van transitie, bedoeld in artikel 13a, onderdeel a, van de Wet geldstelsel BES, gaan de taken en bevoegdheden van de Gouverneur en het bestuurscollege, bedoeld in de Landsverordening ter bevordering van bedrijfsvestiging en hotelbouw, de Landsverordening belastingfaciliteiten industriële ondernemingen, de Landsverordening renovatie hotels en de Landsverordening ter bevordering van grondontwikkeling, over op de directeur-generaal Belastingdienst, bedoeld in de op artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gebaseerde ministeriële regeling.
1.
Als administratieplichtigen als bedoeld in artikel 8.129, vierde lid, van de wet worden voor de verstrekking van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, aangewezen: Nederlandse financiële instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van het FATCA-verdrag, met uitzondering van de niet-rapporterende Nederlandse financiële instellingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel q, van het FATCA-verdrag.
2.
Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 8.129, vierde lid, van de wet worden aangewezen: de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder (1) tot en met (7), van het FATCA-verdrag, ter zake van Amerikaanse te rapporteren rekeningen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel cc, van het FATCA-verdrag, te bepalen met inachtneming van artikel 3, eerste, tweede en vierde lid, van het FATCA-verdrag en de bepalingen in de bijlagen I en II van het FATCA-verdrag.
3.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is het een financiële instelling, met inachtneming van artikel 4, zevende lid, van het FATCA-verdrag, toegestaan om in plaats van gebruik te maken van de begripsomschrijvingen in artikel 1 van het FATCA-verdrag en in de bijlagen van het FATCA-verdrag, gebruik te maken van dienovereenkomstige begripsomschrijvingen in de voorschriften van het Amerikaanse Ministerie van Financiën, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van het FATCA-verdrag.
4.
Een administratieplichtige volgt de procedures die zijn opgenomen in bijlage I van het FATCA-verdrag teneinde Amerikaanse te rapporteren rekeningen te identificeren. Een administratieplichtige mag zich, met inachtneming van bijlage I, sectie VI, onderdeel F, van het FATCA-verdrag, bij de toepassing van de eerste volzin baseren op door derden uitgevoerde procedures voor zover voorzien in de daarop betrekking hebbende voorschriften van het Amerikaanse Ministerie van Financiën, bedoeld in bijlage I, sectie VI, onderdeel F, van het FATCA-verdrag.
5.
In afwijking van het vierde lid, eerste volzin, is het een administratieplichtige, met inachtneming van bijlage I, sectie I, onderdeel C, van het FATCA-verdrag, toegestaan om voor het identificeren van Amerikaanse te rapporteren rekeningen de procedures toe te passen die zijn opgenomen in de daarop betrekking hebbende voorschriften van het Amerikaanse Ministerie van Financiën, bedoeld in bijlage I, sectie I, onderdeel C, van het FATCA-verdrag. Van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste volzin, kan gebruik worden gemaakt per sectie van bijlage I afzonderlijk, hetzij voor alle relevante financiële rekeningen, hetzij voor elke duidelijk omschreven groep van dergelijke rekeningen afzonderlijk. Het vierde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
6.
Een administratieplichtige mag gebruikmaken van de keuzemogelijkheden, bedoeld in bijlage I, sectie II, onderdeel A, sectie III, onderdeel A, sectie IV, onderdeel A, en sectie V, onderdeel A, van het FATCA-verdrag. Een administratieplichtige die gebruikmaakt van een keuzemogelijkheid als bedoeld in de eerste volzin, is, afhankelijk van de gemaakte keuze, ter zake van Amerikaanse te rapporteren rekeningen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel cc, van het FATCA-verdrag, verplicht om met inachtneming van de bepalingen van het FATCA-verdrag, gegevens en inlichtingen te verstrekken over:
a. de rekeningen, bedoeld in bijlage I, sectie II, onderdeel A, onder 1 tot en met 4, van het FATCA-verdrag, hetzij voor al deze rekeningen, hetzij voor elke duidelijk omschreven groep van dergelijke rekeningen afzonderlijk;
b. de rekeningen, bedoeld in bijlage I, sectie III, onderdeel A, onder 1 en 2, van het FATCA-verdrag, hetzij voor al deze rekeningen, hetzij voor elke duidelijk omschreven groep van dergelijke rekeningen afzonderlijk;
c. de rekeningen, bedoeld in bijlage I, sectie IV, onderdeel A, van het FATCA-verdrag, hetzij voor al deze rekeningen, hetzij voor elke duidelijk omschreven groep van dergelijke rekeningen afzonderlijk;
d. de rekeningen, bedoeld in bijlage I, sectie V, onderdeel A, van het FATCA-verdrag, hetzij voor al deze rekeningen, hetzij voor elke duidelijk omschreven groep van dergelijke rekeningen afzonderlijk.
7.
Ingeval ingevolge artikel 7 van het FATCA-verdrag gunstigere bepalingen van toepassing zijn dan ingevolge artikel 4 van het FATCA-verdrag en bijlage I van het FATCA-verdrag, mag een administratieplichtige deze gunstigere bepalingen toepassen. Onze Minister maakt de gunstigere bepalingen, bedoeld in de eerste volzin, op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
8.
Een administratieplichtige is gehouden de gegevens en inlichtingen te verstrekken op de door Onze Minister voorgeschreven wijze en met een door Onze Minister voorgeschreven frequentie. De gegevens en inlichtingen dienen uiterlijk te worden verstrekt:
a. indien Onze Minister maandelijkse aanlevering voorschrijft: de laatste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben;
b. indien Onze Minister jaarlijkse aanlevering gedurende het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben voorschrijft: 30 april van dat kalenderjaar;
c. indien Onze Minister jaarlijkse aanlevering na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben voorschrijft: 31 januari volgend op dat kalenderjaar.
9.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
1.
Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 8.129, vierde lid, van de wet worden voor administratieplichtigen als bedoeld in artikel 7b.1, eerste lid, mede aangewezen: de naam van elke niet-participerende financiële instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van het FATCA-verdrag, waaraan de administratieplichtige een of meer betalingen heeft verricht en het totaalbedrag van deze betalingen, te bepalen met inachtneming van artikel 3, tweede lid, van het FATCA-verdrag en de bepalingen in de bijlagen I en II van het FATCA-verdrag.
2.
Artikel 7b.1, derde, vierde, vijfde, zevende, achtste en negende lid, is voor de toepassing van het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7b.3
Met betrekking tot een rapporterende financiële instelling zijn de artikelen 2 tot en met 12 van het Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.1
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011 om 00:00 uur in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05:00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 8.2
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 23 december 2010
De Staatssecretaris van Financiën,
Uitgegeven de achtentwintigste december 2010
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Kosten van vervolging
+ Hoofdstuk 3. Van inleners- en ketenaansprakelijkheid uitgezonderde sectoren
+ Hoofdstuk 4. Vergoedingen voor deskundigen en tolken
+ Hoofdstuk 5. Proceskostenvergoeding
+ Hoofdstuk 6. Bijstelling bedragen
+ Hoofdstuk 7. Sectoren ten aanzien waarvan artikel 3, tweede lid, onderdelen f en g, van de Wet loonbelasting BES geen toepassing vindt
+ Hoofdstuk 7a. Aanwijzing bevoegde functionaris
+ Hoofdstuk 7b. Gegevensuitwisseling
+ Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht