Stuwadoorsbesluit BES
1.
Het dek van een zeeschip moet voor havenarbeiders, die aan boord van het schip stuwadoorsarbeid gaan verrichten, veilig te bereiken zijn.
2.
Indien voor het geven van toegang tot het zeeschip loopplanken gebruikt worden, moeten deze aan de boordzijde stevig bevestigd zijn; zij moeten eene breedte hebben van ten minste 0,50 m en moeten ten minste aan één zijde van voldoend sterke leiders zijn voorzien, die op doelmatige hoogte zijn aangebracht.
3.
Indien voor het geven van toegang andere ladders dan touwladders worden gebruikt, moeten deze ten minste 0,80 m boven de verschansing reiken; zij moeten doelmatig geplaatst en aan de bovenzijde tegen zijdelings verschuiven beveiligd zijn.
4.
Ter plaatse, waar loopplanken, trappen of ladders toegang tot het zeeschip geven, moeten goed vaststaande trappen of andere doelmatige hulpmiddelen van den bovenkant der verschansing naar het dek leiden.
1.
Indien havenarbeiders over water naar een zeeschip moeten worden vervoerd, moeten vaartuigen beschikbaar worden gesteld om de havenarbeiders kosteloos van den wal van aanwerving naar het schip en van het schip naar den wal van aanwerving te brengen.
2.
Deze vaartuigen moeten in goeden staat van onderhoud verkeeren, voorzien zijn van de noodige hulpmiddelen voor veilig varen en, zoo nodig, van doelmatige reddingsmiddelen. Zij moeten voldoende bemand zijn door ervaren personeel.
3.
Met deze vaartuigen mag geen grooter aantal personen tegelijkertijd worden vervoerd dan de veiligheid der vaart toelaat, welk aantal op een goed zichtbare plaats op elk vaartuig moet zijn vermeld. Indien behalve personen tevens goederen worden vervoerd, wordt voor elke 75 kg vervoerd goed, het aantal toe te laten personen met één verminderd.
1a.
Geschiedt het vervoer over land, dan moeten voertuigen beschikbaar worden gesteld om de havenarbeiders kosteloos van den wal van aanwerving naar het schip en van het schip naar den wal van aanwerving te brengen.
2a.
Deze voertuigen moeten in goeden staat van onderhoud verkeeren en voldoen aan de wettelijk gestelde eischen.
3a.
Met deze voertuigen mag geen groter aantal personen tegelijk worden vervoerd, dan de veiligheid toelaat, welk aantal op een goed zichtbare plaats op elk voertuig moet zijn vermeld. Indien behalve personen tevens goederen worden vervoerd, wordt voor elke 75 kg vervoerd goed het aantal toe te laten personen met één verminderd.
Artikel 3
Aan een zeeschip, waarheen havenarbeiders over water worden vervoerd, moet eene statietrap of eene goede, binnenboords bevestigde, stormladder van voldoende lengte aanwezig zijn, opdat vanuit de in artikel 2 bedoelde vaartuigen gemakkelijk de bovenzijde der verschansing kan bereikt worden, tenzij toegang tot het zeeschip wordt verkregen door middel van ladders, geplaatst op een langszij liggend vaartuig van voldoende grootte.
Artikel 4
De in artikel 2 bedoelde vaartuigen mogen slechts daar aan den wal aanleggen, waar doelmatige trappen of ladders of andere voldoende hulpmiddelen aanwezig zijn, om van den wal die vaartuigen of vanuit laatstgenoemde den wal te bereiken.
Artikel 5
De toegangen tot de vaartuigen, bedoeld in artikel 2, en tot de zeeschepen, waaraan stuwadoorsarbeid verricht wordt, moeten bij het aan boord komen en van boord gaan der havenarbeiders voldoende verlicht zijn.
Artikel 6
Ter plaatse, waar de stuwadoorsarbeid verricht wordt, moeten de zich op minder dan 1,80 m boven de vloeren, bordessen of traptreden bevindende, gevaar doen vreezende, deelen van:
a. krachtwerktuigen zooals vliegwielen, krukken, drijfstangen, assen spieën, kettingen, snaren, schijven, riemen, tandraderen, uitstekende zuigerstangen;
b. drijfwerken, zooals krukken, assen, kettingen, snaren, riemen, schijven, raderen, spieën, bouten, koppelingen, stelschroeven: voldoende zijn beschut en in goeden staat van onderhoud verkeeren.
1.
Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid verricht wordt, moeten hijschkranen, lieren, elevators en andere hefwerktuigen aan de volgende vereischten voldoen:
a. deze werktuigen, alsmede hun onderdeelen, toebehooren en stoomleidingen moeten voldoende zijn beschut en in goeden staat van onderhoud verkeeren;
b. hijschkranen, lieren of andere hefwerktuigen moeten voorzien zijn van middelen waardoor bij het ophijschen van den last, het onverhoeds neerdalen ervan kan worden voorkomen, terwijl bij het neerlaten van den last door een doelmatige, goede werkende rem of andere inrichting de snelheid moet kunnen worden geregeld en onmiddellijk stil zetten van het werktuig steeds mogelijk moet zijn;
c. de zwengels van hijschkranen, lieren of andere hefwerktuigen moeten bij het neervieren van den last kunnen worden afgenomen of ontkoppeld;
d. aan de hijschkranen of andere hefwerktuigen moeten ter plaatse, waar de werklieden zich daarbij bevinden moeten, om deze te bedienen, alsmede op de toegangswegen tot die plaatsen, zoodanige inrichtingen zijn aangebracht, dat de werklieden beveiligd zijn tegen ongevallen door gevaar veroorzakende deelen van drijfwerk, door electrische geleidingen of toestellen, door onbekleede stoomleidingen, door vallen of door vallende voorwerpen;
e. de handels der keerkoppelingen van stoomkranen of lieren moeten voorzien zijn van middelen om deze handels vast te zetten;
f. de afgewerkte stoom van hijschkranen, lieren en andere hefwerktuigen moet op zoodanige wijze kunnen ontsnappen, dat het uitzicht der werklieden bij de werkzaamheden geen belemmering ondervindt en voor hen geen gevaar van verbranding door stoom of heet water ontstaat.
2.
Met hijschkranen mogen geen zwaardere lasten worden verplaatst dan overeenkomt met het hefvermogen van die werktuigen, dat uit een oogpunt van veiligheid ten hoogste kan worden toegelaten. Dat hefvermogen moet op de hijschkranen op een goed zichtbare plaats vermeld staan, terwijl het bij kranen met verstelbaren dirk automatisch bij elken stand van den dirk moet worden aangegeven.
Artikel 8
Op een zeeschip, waaraan stuwadoorsarbeid wordt verricht, moeten:
a. de dekopeningen, die niet voorzien van voldoend hooge luikhoofden, tegen het gevaar van er in te vallen doelmatig zijn beveiligd en wel, voor zoover de werkzaamheden zulks toelaten, door middel van voldoende sterkte, op doelmatige hoogte aangebrachte, leiders:
b. de stoomlieren naast de luikhoofden aan de zijde, waar de ruimladders zijn aangebracht, zoodanig zijn geplaatst, dat eene ruimte van ten minste 0,40 m aanwezig is tusschen stoomlier en luikhoofd;
c. de schilden en merkels voorzien zijn van zoodanige hulpmiddelen om hen weg te nemen of te plaatsen, dat het niet noodig is om op de schilden of merkels te klimmen om deze hulpmiddelen te bevestigen.
Artikel 9
Ten aanzien van ruimen, tusschendekken, bunkerruimen en andere onder het opperdek gelegen plaatsen van een zeeschip, waaraan stuwadoorsarbeid verricht wordt, gelden de volgende voorschriften:
a. de toegangsmiddelen tot die plaatsen moeten bestaan uit vaste ruimladders, trappen of losse ladders, die in goeden staat van onderhoud verkeeren en waarvan de handgrepen of sporten tot den bovenkant van het luikhoofd reiken en op onderling gelijken afstand zijn aangebracht, zoodat op- en afklimmen onbelemmerd en zonder gevaar kan geschieden;
b. de ruimladders, die de dekken onderling verbinden moeten in één lijn onder elkander zijn geplaatst, tenzij er voldoende maatregelen voor veilig op- en afgaan zijn genomen;
c. de tunnels moeten aan beide zijden van een voldoend aantal handgrepen zijn voorzien, zoodat onbelemmerd en zonder gevaar daarover kan worden geklommen.
Artikel 10
Stellingen, waarop stuwadoorsarbeid verricht wordt en die van den wal naar het schip leiden, moeten aan de volgende vereischten voldoen:
a. de stellingen moeten in goeden staat verkeeren en de vloeren moeten zóó zijn samengesteld, dat stellingpalen en jukken hoofdzakelijk tot steun en borg dienen. De helling van den vloer mag niet grooter zijn dan voor een veilig gebruik van lorries of steekwagens toelaatbaar is. Daartoe moet, wanneer de hoogte van het dek boven den wal tot eene gevaarlijke helling van de vloer aanleiding zou geven, de stellingvloer rusten op een juk; het juk moet met kettingen aan het boord bevestigd zijn en de stellingpalen moeten gewaarborgd zijn tegen afglijden van het juk;
b. de stellingen moeten eene breedte hebben van ten minste 1,40 m. Indien deze stellingen in de breedte uit verschillende planken bestaan, moeten deze planken ten minste 0.07 m dik zijn en onderling verbonden zijn door daaronder aangebrachte leggers van ten minste 0,10 m bij 0,10 m in doorsnede, welke leggers op niet meer dan 1,50 m afstand van elkander verwijderd mogen zijn, terwijl zij ten minste 0,15 m buiten de planken moeten uitsteken.
Artikel 11
Ten aanzien van hangstellingen buiten boord, waarop stuwadoorsarbeid verricht wordt, en ten aanzien van den arbeid op zulke stellingen gelden de volgende voorschriften:
a. de hangstellingen moeten in goeden staat verkeeren en bestaan uit planken van ten minste 0,05 m dikte, goed bevestigd aan twee leggers, welke niet minder dan 0,20 m buiten de planken uitsteken. De vier stellingtouwen moeten van voldoende dikte zijn en elk afzonderlijk binnenboord worden vastgezet, terwijl de buitenstellingtouwen iets meer moeten zijn doorgehaald dan die, welke zich tegen de zijde van het schip bevinden;
b. wanneer geen behoorlijke omschutting van de hangstelling aanwezig is, moet iedere arbeider door een gordel met een touw van voldoende lengte en sterkte beveiligd zijn; dit touw moet binnenboord aan een geschikt punt zijn vastgemaakt.
1.
Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid verricht wordt, moet aan de volgende voorschriften zijn voldaan:
a. vloeren, bordessen, trappen, leiders, hijschluiken moeten in goeden staat van onderhoud verkeeren;
b. bij hijschdeuren moeten doelmatige handgrepen zijn aangebracht;
c. verplaatsbare trappen moeten voorzien zijn van zoodanige inrichting, dat voldoende zekerheid bij op- en afstappen en tegen uitglijden wordt geboden;
d. ladders moeten van beveiligingsmiddelen tegen uitglijden, omvallen of sterk doorbuigen zijn voorzien; zij moeten ten minste 0,80 m uitsteken boven de plaats, waartoe zij toegang geven, voor zoover niet op andere wijze voldoende zekerheid bij het op- en afstappen wordt geboden; de sporten moeten in het hout der boomen rusten en mogen niet uitsluitend zijn opgespijkerd of aangeschroefd; houten ladders mogen niet geverfd zijn;
e. liften met toebehooren moeten in goeden staat van onderhoud verkeeren en van doelmatige veiligheidsinrichtingen zijn voorzien; inzonderheid – tenzij de lift een continu-lift is – van veiligheidsinrichtingen, die beletten, dat de bak kan neerstorten en die verzekeren, dat alle toegangen veilig worden afgesloten en dat de liftbak automatisch stil gezet wordt als hij de uiterste standen heeft bereikt;
f. vaste of tijdelijke bordessen moeten tegen het gevaar van er af te vallen voldoende beveiligd zijn; zoo nodig moeten netten daaronder zijn aangebracht.
2.
Met liften mogen geen zwaardere lasten worden vervoerd, dan uit een oogpunt van veiligheid ten hoogste kunnen worden toegelaten. Het toelaatbaar gewicht moet bij de toegangen tot de lift of op den liftbak op een goed zichtbare plaats vermeld staan.
Artikel 13
Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid verricht wordt, moet ten aanzien van de daarbij gebezigde, hieronder vermelde werktuigen aan de volgende voorschriften zijn voldaan:
a. los- en laadgerei, als masten, stagen, laadboomen, hangers, kettinglengen, stroppen, laadborden, stellingen, bakken, manden, rolwagens, steekwagens, moeten in goeden staat van onderhoud verkeeren;
b. los- en laadgerei moeten voldoende zekerheid bieden, in verband met het gewicht der daarmede in den regel te verwerken lasten;
c. laadreepen met open haken moeten zoo noodig voorzien zijn van een borg tegen onklaar loopen;
d. bij staaldraad-laadreepen moeten de oogsplitsen ten minste zes maal doorgestoken zijn;
e. staaldraad-laadreepen mogen niet bestaan uit aan elkaar gesplitste einden;
f. kettingwerk mag niet door knoopen zijn ingekort;
g. touw-stroppen, die bij de lossing of lading van gezaagd hout gebezigd worden, mogen dubbel gemeten, niet langer zijn dan 2,7 m.
h. balkhaken, die bij de lossing of lading van balken gebezigd worden, mogen niet door onvoldoend scherpe punten of ondoelmatigen vorm, in verband met den vorm der balken, gevaar voor het neervallen daarvan opleveren.
1.
Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid wordt verricht, moet aan de volgende voorschriften zijn voldaan:
a. bij het laden of lossen moet aan de luikopeningen toezicht worden gehouden door personen, die met het verrichten van zulk werk vertrouwd zijn, tenzij de kranen zoodanig zijn ingericht en behandeld worden, dat de kraandrijver een voldoend vrij gezicht op den last en het ruim heeft;
b. de bediening der hijschwerktuigen moeten geschieden door werklieden die daarmee uitsluitend zijn belast; deze moeten geoefend en bekwaam zijn en de landstaal voldoende machtig zijn;
c. één persoon mag niet meer dan één hijschwerktuig tegelijk bedienen;
d. het stuwen of verwerken van goederen moet onder deskundig toezicht geschieden en maatregelen moeten genomen worden, dat de opgestapelde goederen niet kunnen omvallen;
e. op één ruim mogen niet meer ploegen zijn gesteld dan, in verband met veilig werken, toelaatbaar is.
f. de opstelling der ploegen en hijschwerktuigen moet zoodanig zijn, dat zooveel mogelijk voorkomen wordt, dat de opgeheschen lasten boven de werklieden blijven hangen of moeten passeeren;
g. er mogen geen werkwijzen worden gevolgd of gereedschappen worden gebezigd, die uiteraard voor de te verwerken voorwerpen niet geschikt zijn en daardoor voor de werklieden gevaar kunnen doen ontstaan;
h. de lasten moeten goed zijn samengesteld en aangeslagen;
i. manden of bakken mogen niet tot boven den rand worden volgeschept, zoodat bij het ophijschen of neerlaten gevaar ontstaat, dat deelen der ingeschepte goederen er uit vallen;
k. indien schilden en merkels bij het laden en lossen niet volledig uit de luikopeningen worden verwijderd, moeten zij zoodanig worden vastgezet, dat geen gevaar voor uitlichten kan ontstaan;
l. de stroppen of lengen, waarmede een last wordt opgeheschen moeten voldoende zijn dichtgeslagen;
m. bij het ophijschen van verschillende lange ijzeren voorwerpen in één hijsch, moeten deze tegen uitschieten uit den hijsch worden geborgd;
n. in de ruimen of uit hijschluiken mogen geen voorwerpen worden uitgeworpen;
o. dekken, vloeren, bordessen, trappen en loopplanken mogen door regen of andere oorzaken geen gevaar voor uitglijden opleveren;
p. goederen moeten op doelmatige wijze zijn of worden opgestapeld;
q. de verlichting moet in verband met den arbeid, die plaats heeft, voldoende zijn en zij mag niet door de voortdurende afscheiding van roet of walm hinderlijk op de ademhalingsorganen werken;
r. er mag gedurende het laden en lossen geen herstellingsarbeid aan het schip verricht worden, die zooveel geraas maakt, dat daardoor het mondeling verkeer tusschen de personen, die stuwadoorsarbeid verrichten, belemmerd wordt.
2.
Het dek van een zeeschip moet, zoolang daaraan stuwadoorsarbeid wordt verricht, voldoende verlicht zijn.
3.
[vervallen]
1.
Zoo nodig moeten ten aanzien van kettingwerk, dat ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid wordt verricht, gebezigd wordt, de herkomst, het jaar van aanmaak, de veilig toelaatbare belasting, zoomede de tijdstippen van beproeving en van uitgloeiing genoteerd worden in een door of namens het hoofd of den bestuurder der onderneming bij te houden register. De in het register vermelde, veilig toelaatbare, belasting en een mede in het register aangegeven merkteeken moeten op het kettingwerk zijn ingeslagen. Dit register wordt de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Stuwadoorswet 1946 BES, op eerste aanvrage ter inzage gegeven.
2.
Het kettingwerk en het overige los- en laadgerei dat ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid wordt verricht, gebezigd wordt, moet voor zoover de aard van die hulpmiddelen beproeving noodig en mogelijk maakt, aan eene beproeving of eene periodieke beproeving door een door Onze Minister erkende deskundige worden onderworpen. Van deze beproeving wordt de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Stuwadoorswet 1946 BES, op eerste aanvrage een door de deskundige opgesteld bewijs overgelegd. Voldoende bewijs moet kunnen worden geleverd, dat het behoorlijk en tijdig met gunstigen uitslag is beproefd.
Artikel 16
Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid verricht wordt en zich vaste, vloeibare of gasvormige stoffen bevinden, die ontplofbaar of licht ontvlambaar zijn, mag geen ander dan goed geïsoleerd kunstlicht worden gebezigd en geen vuur aanwezig zijn.
1.
Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid verricht wordt, moeten:
a. doelmatige middelen voor eerste hulp bij ongevallen aanwezig zijn, die zoodanig worden bewaard, dat zij tegen verontreiniging door stof of op andere wijze zijn beschut en dat te allen tijde er over kan beschikt worden;
b. doelmatige middelen voor het redden van drenkelingen op eene goed zichtbare en doelmatige plaats aanwezig zijn.
2.
Indien op een zeeschip tien of meer personen en indien in eene loods of op een afgesloten terrein vijf en twintig of meer personen stuwadoorsarbeid verrichten, moet ter plaatse ten minste één persoon aanwezig zijn, die belast is met het verleenen van eerste hulp bij ongevallen en ten aanzien van wien een bewijs kan worden overgelegd, waaruit blijkt dat hij met verleenen van eerste hulp bij ongevallen vertrouwd is.
1.
Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid verricht wordt, moet aan de volgende voorschriften zijn voldaan:
a. voor de havenarbeiders, die arbeiden aan stuivende ladingen, waarvan het stof schadelijk of hinderlijk is voor de oogen of ademhalingsorganen, zooals pek, sommige ertsen, zwavel, slakkenmeel, fosfaat, moeten doelmatige brillen en doelmatige inrichtingen, ter voorkoming van de inademing van schadelijke stoffen, kosteloos ter beschikking gesteld worden;
b. bij het ontstaan of de verspreiding van schadelijke of hinderlijke gassen of dampen en van stof, moeten doeltreffende middelen worden aangewend tot afvoer van die gassen, van die dampen of dat stof;
c. gedurende het laden en lossen mag geen herstellingsarbeid verricht worden, die hinderlijk stof veroorzaakt;
d. voor de werklieden, die arbeiden aan stoffen, welke voor de gezondheid schadelijke bestanddeelen bevatten, moeten dranken worden beschikbaar gesteld, die de schadelijke werking dier stoffen tegengaan;
e. gedurende het laden en lossen van groote hoeveelheden vrieskamerlading moet door den werkgever aan de arbeiders gepaste schoeisel en werkkleeding worden verstrekt; een en ander indien dit ter beoordeeling van den met het toezicht belasten ambtenaar noodig voorkomt.
Artikel 19
Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid wordt verricht, moet aan de havenarbeiders goed drinkwater of andere geschikte alcoholvrije drank op doelmatige wijze en in voldoende hoeveelheid kosteloos worden verstrekt.
1.
Werklokalen, terreinen en dekken van zeeschepen, waar stuwadoorsarbeid wordt verricht, moeten zindelijk en zooveel mogelijk vrij van stof en afval worden gehouden.
2.
Schaft- en wachtlokalen aanwezig op terreinen waar stuwadoorsarbeid wordt verricht of waaraan zeeschepen gemeerd liggen, aan boord waarvan die arbeid plaats heeft, moeten zindelijk en stofvrij worden gehouden.
3.
Privaten en urinoirs moeten zindelijk worden gehouden.
1.
Indien havenarbeiders bij het verrichten van stuwadoorsarbeid aan groote warmte, stof of vuil zijn blootgesteld, moet ingeval de arbeid plaats vindt op een terrein, behoorende tot of in gebruik zijnde bij eene stuwadoorsonderneming, of op een schip, dat aan zulk een terrein gemeerd ligt, op dit terrein een doelmatig ingerichte en gelegen binnenshuis opgestelde bad- en waschgelegenheid aanwezig zijn, die op doelmatige tijden in verband met de schafttijden en het eind van dien arbeid voor de arbeiders toegankelijk moeten wezen.
2.
Indien de aanvoer ter plaatse van bruikbaar water in voldoende hoeveelheid bijzondere bezwaren oplevert, kan de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Stuwadoorswet BES, van deze bepaling voorwaardelijke of onvoorwaardelijke ontheffing verleenen.
1.
Aan boord van een zeeschip, waaraan stuwadoorsarbeid wordt verricht, of wel op het terrein, waaraan het zeeschip gemeerd ligt, moet ten minste één privaat en een voldoend aantal urinoirs voor de havenarbeiders beschikbaar zijn.
2.
De in het eerste lid bedoelde privaten en urinoirs moeten zoodanig geplaatst zijn en onderhouden worden, dat zij door alle havenarbeiders, voor wie zij bestemd zijn, zoolang stuwadoorsarbeid wordt verricht, behoorlijk gebruikt kunnen worden.
Artikel 23
Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid verricht wordt, moet aan de volgende voorschriften worden voldaan:
a. voor de havenarbeiders moeten voor gebruik als kleedkamer doelmatig-gelegen, door een opschrift aangewezen ruimten aanwezig zijn. Deze ruimten moeten doelmatig zijn ingericht voor berging van kleederen, welke de werklieden vóór hun arbeid dragen; zij mogen geen deel uitmaken van werklokalen, noch van schaftlokalen;
b. indien stuwadoorsarbeid wordt verricht op een terrein, behoorende tot of in gebruik zijnde bij eene stuwadoorsonderneming, of op een zeeschip, dat aan zulk een terrein gemeerd ligt, en indien op of nabij dat terrein bij het laden en lossen van zeeschepen ten minste vijf en twintig arbeiders plegen te werken, moet aldaar een voldoend ruim, en behoorlijk verlicht schaftlokaal aanwezig zijn;
c. het bepaalde onder b is niet van toepassing, indien de regeling van de werktijden, de duur van de schafttijden of andere omstandigheden van plaatselijken aard het mogelijk maken, dat de arbeiders de schafttijden doorbrengen in hunne woning of in eene andere doelmatige localiteit, waar geen sterke drank verstrekt wordt en welke voor hen kosteloos en zonder verplichting tot het maken van vertering toegankelijk is.
Artikel 24
[vervallen]
1.
De havenarbeiders hebben de verplichting om de voorschriften van dit besluit, voorzoover zulks van hen afhangt, na te leven en de voor hen bestemde beveiligingsmiddelen en andere voorzieningen, welke aan de eischen voldoen bij dit besluit gesteld, aan te wenden.
2.
De voormannen hebben toe te zien op de juiste naleving van deze voorschriften en het behoorlijk gebruik van bovenbedoelde beveiligingsmiddelen en andere voorzieningen.
1.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan van het bij of krachtens dit besluit bepaalde vrijstelling verlenen.
2.
Een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar kan met betrekking tot een individuele onderneming ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde bepalingen.
3.
Bij ministeriele regeling kunnen regels worden gesteld inzake het verlenen van een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid.
4.
Een vrijstelling of ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
5.
Een vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing kan worden ingetrokken wanneer:
a. één of meer der redenen waarom zij is verleend is of zijn vervallen;
b. één of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt of worden nageleefd;
c. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden voordoen dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vrijstelling of ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend.
6.
De werking van een beschikking inzake een ontheffing wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, op het bezwaar of beroep is beslist.
Artikel 26
Dit besluit wordt aangehaald als: Stuwadoorsbesluit BES.
Artikel 27
[vervallen]
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Voorschriften, als bedoeld bij artikel 2, 1ste lid, sub a, b, c, e, f, g en h Stuwadoorswet 1946 BES
+ Hoofdstuk II. Overgangsbepaling
+ Hoofdstuk III. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht