Besluit van 27 september 2010, houdende regels ter uitvoering van de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijksbesluit rechtspositie leden openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 13 juli 2010, nr. 5656891/10/6;
Gelet op de artikelen 18, eerste en tweede lid, 26 van de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 augustus 2010, nr. W03.10.0357/II/K);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 september 2010, nr. 5666928/10/6;
De bepalingen van het Statuut van het Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In deze algemene maatregel van rijksbestuur en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
volledige arbeidsduur: het aantal uren dat bij volledige vervulling van de functie per week gewerkt wordt;
rijkswet: Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba ;
salaris: het bedrag waarop de leden van het openbaar ministerie in verband met het vervullen van het ambt van procureur-generaal, advocaat-generaal, hoofdofficier van justitie, officier van justitie of substituut-officier van justitie, met inachtneming van het bij of krachtens artikel 10 van deze algemene maatregel van rijksbestuur, aanspraak hebben.
2.
In deze algemene maatregel van rijksbestuur en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:
echtgenoot: de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap alsmede de partner in een buiten Nederland geregistreerd partnerschap dat op grond van de artikelen 2 en 3 van de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap wordt erkend.
Artikel 2
Indien op grond van deze algemene maatregel van rijksbestuur regels worden gesteld bij ministeriële rijksregeling, dan komen deze regels in overeenstemming met de regeringen van de landen tot stand.
1.
Na goedkeuring van Onze Ministers stelt de procureur-generaal een werkreglement alsmede een gedragscode voor de leden van het openbaar ministerie vast.
2.
De gedragscode bevat in ieder geval regels over:
a. financiële belangen;
b. het aannemen van giften en geschenken;
c. het doen van beloftes en toezeggingen;
d. de omgang met vertrouwelijke informatie;
e. functiegerelateerde uitgaven en declaraties;
f. gebruik van publieke voorzieningen.
1.
Om benoemd te kunnen worden als lid van het openbaar ministerie, dient het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de rijkswet, met goed gevolg te worden afgelegd aan een universiteit dan wel Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dan wel de Landsverordening Universiteit van Aruba of de Landsverordening Universiteit Nederlandse Antillen dan wel de Landsverordening die de Landsverordening Universiteit Nederlandse Antillen vervangt en waarbij geen wijzigingen zijn aangebracht in de bepalingen die zien op de opleiding op het gebied van het recht.
2.
Voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, onder a, van de rijkswet, wordt met de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht gelijkgesteld de graad Bachelor, verleend op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van de opleiding HBO-rechten aan een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek , indien blijkens hierop betrekking hebbende bewijsstukken tevens met goed gevolg zijn afgelegd de tentamens van de tot een schakelprogramma behorende onderwijseenheden.
3.
Het schakelprogramma, bedoeld in het tweede lid, omvat onderwijseenheden op het gebied van het recht, die worden aangeboden door een universiteit of Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek , met een totale studielast van ten minste 60 studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 5
De procureur-generaal, de advocaat-generaal, het hoofd van het kantoor van de procureur-generaal in Sint Maarten en de hoofdofficier van justitie, worden benoemd op basis van deskundigheid die voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die aan hen zijn opgedragen, nodig is.
1.
Het benoemingsbesluit voor een lid van het openbaar ministerie vermeldt in elk geval:
a. zijn naam, voorletter(s), geboortedatum;
b. de functie waarin hij wordt benoemd;
c. de dag van ingang van de benoeming.
2.
Het dienstverband van een lid van het openbaar ministerie wordt nader geregeld in een aanstellingsbesluit. Naast de in het eerste lid, onder a tot en met c, genoemde onderwerpen, vermeldt het aanstellingsbesluit voor een lid van het openbaar ministerie in elk geval de standplaats.
3.
Het aanstellingsbesluit voor een lid van het openbaar ministerie, niet zijnde een plaatsvervangend officier van justitie, vermeldt bovendien:
a. de arbeidsduur;
b. de hoogte van het salaris;
c. de datum van indiensttreding.
4.
Op verzoek van een lid van het openbaar ministerie, niet zijnde een plaatsvervangend officier van justitie, kan bij besluit van de Gouverneur van Curaçao of Sint Maarten of bij besluit van Onze Minister van Justitie van Nederland besloten worden tot wijziging van de arbeidsduur, als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.
5.
Het besluit als bedoeld in het vierde lid wordt op schrift gesteld en met redenen omkleed.
Artikel 7
De volledige arbeidsduur voor de leden van het openbaar ministerie, niet zijnde een plaatsvervangend officier van justitie, bedraagt gemiddeld 40 uur per week.
1.
Een plaatsvervangend officier van justitie wordt niet aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie.
2.
Een plaatsvervangend officier van justitie kan voor het verrichten van werkzaamheden worden opgeroepen door de procureur-generaal, de advocaat-generaal, het hoofd van het kantoor van de procureur-generaal in Sint Maarten en de hoofdofficier van justitie.
3.
In de bij deze algemene maatregel van rijksbestuur behorende bijlage is de hoogte van de vergoeding vermeld die een plaatsvervangend officier van justitie ontvangt.
4.
Onze Ministers passen de vergoeding van een plaatsvervangend officier van justitie jaarlijks aan op basis van het gemiddelde van de ontwikkeling van de salarissen van de ambtenaren van de landen in het voorafgaande kalenderjaar.
1.
Op eigen verzoek kan een plaatsvervangend officier van justitie tijdelijk worden aangewezen voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie.
2.
De aanwijzing geschiedt voor een bepaalde tijd en kan worden verlengd. De tijdsduur van de aanwijzing en van de verlenging bedragen elk drie jaar.
3.
De aanwijzing van een plaatsvervangend officier van justitie, als bedoeld in het eerste lid, geschiedt, na de procureur-generaal te hebben gehoord, bij besluit van de Gouverneur van Curaçao of Sint Maarten of bij besluit van Onze Minister van Justitie van Nederland en vermeldt tenminste:
a. zijn naam, voorletter(s), geboortedatum;
b. zijn functie;
c. de dag van ingang van de aanwijzing;
d. zijn standplaats;
e. de hoogte van het salaris;
f. de arbeidsduur.
4.
Op verzoek van een plaatsvervangend officier van justitie kan bij besluit van de Gouverneur van Curaçao of Sint Maarten of bij besluit van Onze Minister van Justitie van Nederland, besloten worden tot wijziging van de arbeidsduur.
5.
De beslissing tot verlenging dan wel tussentijdse wijziging van de aanwijzing geschiedt bij besluit van de Gouverneur van Curaçao of Sint Maarten of bij besluit van Onze Minister van Justitie van Nederland.
6.
Gedurende de periode van aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 7, 10 tot en met 12, 15 tot en met 20, 22 en 24, van overeenkomstige toepassing.
1.
Het genot van het salaris van de leden van het openbaar ministerie die zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie vangt aan op de dag van indiensttreding. Het salaris wordt per maand genoten.
2.
In de bij deze algemene maatregel van rijksbestuur behorende bijlage is het salaris vermeld dat de leden van het openbaar ministerie, die zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige functie, maandelijks genieten.
3.
De leden van het openbaar ministerie die zijn aangesteld voor het vervullen van een gedeeltelijke functie, ontvangen een salaris naar evenredigheid van het salaris dat zij zouden hebben ontvangen indien zij in dezelfde rang zouden zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige functie.
4.
Onze Ministers passen het salaris van de leden van het openbaar ministerie die zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie jaarlijks aan op basis van het gemiddelde van de ontwikkeling van de salarissen van de ambtenaren van de landen in het voorafgaande kalenderjaar.
1.
Een toelage wordt genoten indien en zolang aan de voorwaarden die aan de toelage zijn gesteld, voldaan wordt.
2.
Het genot van een toelage vangt aan op de dag dat aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de toelage voldaan is.
3.
Een toelage wordt per maand genoten. De leden van het openbaar ministerie die zijn benoemd voor het vervullen van een gedeeltelijke functie, ontvangen een toelage die een evenredig deel bedraagt van de toelage die zij zouden hebben ontvangen indien zij in dezelfde rang zouden zijn benoemd voor het vervullen van een volledige functie.
4.
Een toelage wordt tegelijkertijd met het salaris uitbetaald.
1.
Afhankelijk van de standplaats kunnen de leden van het openbaar ministerie die zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie, in aanmerking komen voor een toelage die het verschil in koopkracht tussen de landen compenseert.
2.
Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen of bij of krachtens wet wordt de in het eerste lid bedoelde toelage en de voorwaarden waaronder deze verkregen kan worden, vastgesteld.
3.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de van toepassing zijnde regeling bedoeld in het tweede lid.
1.
Een lid van het openbaar ministerie heeft in geval van dienstreizen recht op vergoeding van reis- en verblijfskosten.
2.
Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen of bij of krachtens wet worden regels gesteld over de vergoeding van reis- en verblijfskosten.
3.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de van toepassing zijnde regeling bedoeld in het tweede lid.
1.
Een verhuiskostenvergoeding wordt toegekend aan:
a. een lid van het openbaar ministerie, met uitzondering van de procureur-generaal, dat werkzaamheden verricht voor het openbaar ministerie van een ander land en ten behoeve van de dienst gedwongen wordt te verhuizen;
b. een lid van het openbaar ministerie dat in het land van standplaats ten behoeve van de dienst gedwongen wordt van woning te wisselen.
2.
Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen of bij of krachtens wet worden regels gesteld over een verhuiskostenvergoeding als bedoeld in het eerste lid.
3.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de van toepassing zijnde regeling bedoeld in het tweede lid.
1.
Boven en behalve het vastgestelde salaris geniet een lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie, voor de ongehuwde kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, of zijn ongehuwde stiefkinderen beneden de leeftijd van achttien jaar, laatstgenoemden voor zover zij geheel ten laste van het betreffende lid van het openbaar ministerie komen, een kindertoelage.
2.
Het eerste lid is van toepassing op kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar, die deel uitmaken van het gezin van een lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie, die hij geheel als eigen kinderen onderhoudt en opvoedt en die niet door de eigen ouders kunnen worden onderhouden en opgevoed.
3.
Het eerste lid is van toepassing op ongehuwde niet-erkende kinderen van een lid van het openbaar ministerie, indien hij voor die kinderen onderhoudsplichtig is gesteld of hij de onderhoudsplicht blijkens een authentieke akte heeft erkend.
4.
Indien reeds uit andere hoofde een kindertoelage genoten wordt, wordt de kindertoelage niet uitgekeerd.
5.
Voor de toepassing van dit artikel worden kinderen van achttien tot vijfentwintig jaar, wier tijd behoudens in geval van ziekte of vakantie geheel of grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs, gelijkgesteld met kinderen beneden de leeftijd van achttien jaren.
6.
Voor de toepassing van dit artikel kunnen kinderen van achttien tot vijfentwintig jaar, die ten gevolge van ziekte of gebreken blijvend buiten staat zijn om met arbeid, die voor hun krachten is berekend, een derde te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen van gelijke leeftijd in staat zijn met arbeid te verdienen, gelijk gesteld worden met kinderen beneden de leeftijd van achttien jaren.
7.
Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen of bij of krachtens wet wordt de hoogte van de kindertoelage, vastgesteld.
8.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de van toepassing zijnde regeling bedoeld in het vijfde lid.
1.
Een lid van het openbaar ministerie, dat is aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie, heeft per kalenderjaar aanspraak op vakantie met behoud van salaris en toelagen en een vakantie-uitkering.
2.
Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen of bij of krachtens wet worden regels gesteld over de aanspraak op vakantie- en een vakantie-uitkering.
3.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de van toepassing zijnde regeling bedoeld in het tweede lid.
1.
Een lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie, heeft verlof op de dagen dat de overheidsdienst in het land van standplaats gesloten is wegens een zaterdag, zondag of erkende feestdag.
2.
Aan een lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie, kan al dan niet met behoud van het salaris en toelagen, verlof verleend worden.
3.
Het verlof kan worden verleend op grond van ziekte, zwangerschap en bevalling of wegens andere bijzondere omstandigheden.
4.
Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen of bij of krachtens wet worden regels gesteld over verlof en het al dan niet doorbetalen van salaris en toelagen.
5.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de van toepassing zijnde regeling bedoeld in het vierde lid.
1.
Een lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie is, in geval van ziekte en wanneer Onze Minister dat in verband met de gezondheidstoestand nodig acht, verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek van een of meer geneeskundigen.
2.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de toepassing van het eerste lid.
3.
Aan een lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie kan een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering worden verleend overeenkomstig de regeling die bij landsbesluit houdende algemene maatregelen of bij of krachtens wet is vastgesteld.
4.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de van toepassing zijnde regeling bedoeld in het derde lid.
1.
Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen of bij of krachtens wet worden regels gesteld over de pensioenen van de leden van het openbaar ministerie die zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie.
2.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de van toepassing zijnde regeling bedoeld in het eerste lid.
1.
Het salaris en de toelagen worden niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van overlijden.
2.
De door het lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie, opgebouwde nog niet genoten aanspraken in tijd en geld worden na zijn overlijden uitbetaald.
3.
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie, wordt aan de langstlevende echtgenoot dan wel de partner waarmee het lid van het openbaar ministerie tot aan zijn overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, een som uitgekeerd, gelijk aan drie maal het bedrag aan het maandelijkse salaris en de toelagen op het tijdstip van overlijden.
4.
Indien een lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie, op het tijdstip van overlijden niet in actieve dienst is, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan drie maal hetgeen hij als salaris en toelagen per maand zou hebben genoten, indien hij op de eerste van de maand van het overlijden in actieve dienst was geweest.
5.
Indien het overleden lid van het openbaar ministerie dat was aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie, geen betrekking als bedoeld in het eerste lid nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de kinderen tot wie dit lid van het openbaar ministerie in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, broeders, zusters of overige kinderen, ten behoeve van deze betrekkingen.
6.
Laat het overleden lid van het openbaar ministerie dat was aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie, ook geen betrekkingen als in het vijfde lid bedoeld na, dan kan het in het eerste lid bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van kosten van de laatste ziekte en van de begrafenis, indien de nalatenschap van dit lid, voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
1.
Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen of bij of krachtens wet worden regels gesteld over de uitkering bij overlijden als gevolg van een dienstongeval van een lid van het openbaar ministerie.
2.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de van toepassing zijnde regeling bedoeld in het eerste lid.
1.
Op het door Onze Minister verschuldigde salaris kan, hetgeen een lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een gehele of gedeeltelijke functie, aan Onze Minister verschuldigd is, worden ingehouden.
2.
Onze Minister kan op het verschuldigde salaris ten behoeve van een lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een gehele of gedeeltelijke functie, kortingen toepassen voor vorderingen, mits deze door het betreffende lid, naar aanleiding van een verzoek om korting toe te passen, schriftelijk worden erkend.
3.
Overdracht of in pandgeving, waardoor een lid van het openbaar ministerie dat is aangesteld voor het vervullen van een gehele of gedeeltelijke functie, enig recht op salaris aan een derde toekent, is slechts geldig, indien zij geschiedt met goedkeuring van Onze Minister, die het salaris heeft toegekend.
4.
Het besluit tot inhouding, korting of overdracht of in pandgeving, wordt genomen door:
a. Onze Ministers, indien het besluit ziet op de procureur-generaal;
b. de procureur-generaal, indien het besluit ziet op de advocaat-generaal;
c. de Gouverneur, indien het besluit ziet op de overige leden van het openbaar ministerie van Curaçao en Sint Maarten en Onze Minister, indien het besluit ziet op de overige leden van het openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
5.
Salaris is voor inhouden, beslag of korting dan wel overdracht of in pandgeving vatbaar voor één derde gedeelte.
6.
Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen of bij of krachtens wet worden regels gesteld over het inhouden, het beslag en de korting op het salaris, dan wel overdracht of in pandgeving van het salaris van een lid van het openbaar ministerie.
7.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de van toepassing zijnde regeling bedoeld in het zesde lid.
1.
Aan een lid van het openbaar ministerie kan naar billijkheid een schadeloosstelling, een vergoeding van kosten of overigens een geldelijke tegemoetkoming worden verleend.
2.
Het besluit tot schadeloosstelling, vergoeding van kosten of geldelijke tegemoetkoming, wordt genomen door:
a. Onze Ministers, indien het besluit ziet op de procureur-generaal;
b. de procureur-generaal, indien het besluit ziet op de advocaat-generaal;
c. de Gouverneur, indien het besluit ziet op de overige leden van het openbaar ministerie van Curaçao en Sint Maarten en Onze Minister, indien het besluit ziet op de overige leden van het openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
1.
Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen of bij of krachtens wet worden regels gesteld over ambtsjubilea van de leden van het openbaar ministerie die zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie.
2.
Voor de procureur-generaal dan wel de advocaat-generaal is de standplaats bepalend voor de van toepassing zijnde regeling bedoeld in het eerste lid.
1.
Het landsbesluit houdende algemene maatregelen of de bij of krachtens de wet te stellen regels, als bedoeld in de artikelen 12, tweede lid, 13, tweede lid, 14, tweede lid, 15, zevende lid, 16, tweede lid, 17, vierde lid, 18, derde lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, 22, zesde lid, 24, eerste lid, worden zoveel mogelijk in overeenstemming met de daartoe strekkende regelingen die gelden voor ambtenaren van de landen vastgesteld.
2.
Bij ministeriële rijksregeling kunnen regels worden gesteld over de rechtspositie van de leden van het openbaar ministerie.
1.
Ten minste éénmaal per kalenderjaar wordt een functioneringsgesprek gevoerd met een lid van het openbaar ministerie.
2.
Het functioneringsgesprek met
a. de procureur-generaal wordt gevoerd door Onze Ministers;
b. de advocaat-generaal en het hoofd van het kantoor in Sint Maarten wordt gevoerd door de procureur-generaal;
c. de hoofdofficier van justitie wordt gevoerd door de procureur-generaal na Onze Minister te hebben gehoord;
d. de officier van justitie, de substituut-officier van justitie dan wel de plaatsvervangend officier van justitie wordt gevoerd door de hoofdofficier van justitie.
3.
Een functioneringsgesprek kan op verzoek van een lid van het openbaar ministerie plaatsvinden.
4.
Van het functioneringsgesprek wordt verslag gelegd en het lid van het openbaar ministerie wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze omtrent dit verslag kenbaar te maken. Nadat de zienswijze van het lid van het openbaar ministerie aan het verslag is toegevoegd wordt het verslag in het personeelsdossier van dit lid gevoegd en ontvangt hij een afschrift van het verslag.
5.
Indien een lid van een openbaar ministerie zich niet kan verenigen met de inhoud van het verslag van het functioneringsgesprek, kan hij een beoordelingsgesprek aanvragen.
1.
Een schriftelijke beoordeling wordt opgemaakt indien:
a. een lid van het openbaar ministerie hierom verzoekt;
b. het functioneren van een lid van het openbaar ministerie hiertoe aanleiding geeft.
2.
Een beoordelingsgesprek dat wordt gevoerd op grond van artikel 26, vijfde lid, wordt door de procureur-generaal gevoerd.
3.
Een beoordelingsgesprek dat op grond van het eerste lid, onderdeel b, wordt gevoerd, vindt niet eerder plaats dan drie maanden nadat een functioneringsgesprek met het betrokken lid heeft plaatsgevonden.
4.
Ten aanzien van het opmaken van de beoordeling en het voeren van een beoordelingsgesprek zijn de leden 2 en 4 van artikel 26, van overeenkomstige toepassing.
1.
Ten aanzien van een lid van het openbaar ministerie, dat de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt, of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan door de procureur-generaal een disciplinaire maatregel genomen worden.
2.
Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een lid van het openbaar ministerie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
3.
Een strafvervolging wegens een feit dat mede plichtsverzuim inhoudt, sluit een disciplinaire maatregel wegens datzelfde feit niet uit.
4.
Indien de procureur-generaal, de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt, of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan door Onze Ministers een disciplinaire maatregel genomen worden.
1.
Bij overtreding van de artikelen 18, zesde lid, en 19b, van de rijkswet kan een schriftelijke waarschuwing worden gegeven. Een schriftelijke waarschuwing kan gevolgd worden door een disciplinaire maatregel.
2.
Buiten de disciplinaire maatregelen die op grond van de artikelen 20, eerste en tweede lid, 21, eerste lid, onder c tot en met e, en 22, eerste lid, van de rijkswet kunnen worden opgelegd, kunnen de volgende disciplinaire maatregelen worden toegepast:
a. een schriftelijke berisping;
b. buitengewone dienst op andere dagen dan de zaterdag, zondag en de voor de leden van het openbaar ministerie geldende algemene feestdagen zonder of tegen lagere beloning;
c. een geldboete;
d. gehele of gedeeltelijke inhouding van het salaris en of toelage;
e. terugzetting naar een lagere salaristrede;
f. uitsluiting van bevordering;
g. terugzetting in rang, al of niet voor bepaalde tijd en met of zonder vermindering van het salaris en of toelage.
1.
Indien het voornemen bestaat, een besluit als bedoeld in artikel 23 van de rijkswet te nemen, wordt het lid van het openbaar ministerie op wie het voornemen betrekking heeft schriftelijk in kennis gesteld.
2.
Er wordt een zienswijzecommissie ingesteld om een lid van het openbaar ministerie de gelegenheid te bieden zijn zienswijze omtrent het voorgenomen besluit, als bedoeld in het eerste lid, kenbaar te maken. Een zienswijzecommissie bestaat uit drie leden.
3.
De leden van een zienswijzecommissie, waaronder een voorzitter en een secretaris, worden benoemd door:
a. Onze Ministers, op schriftelijke aanbeveling van het Hof, indien het voornemen ziet op de procureur-generaal of advocaat-generaal;
b. Onze Minister, op schriftelijke aanbeveling van de procureur-generaal, gehoord het Hof, indien het voornemen ziet op de hoofdofficier van justitie;
c. Onze Minister, op schriftelijke aanbeveling van de procureur-generaal, indien het voornemen ziet op de overige leden van het openbaar ministerie.
4.
Aan de zienswijzecommissie kunnen alleen algemene aanwijzigen worden gegeven.
1.
De procureur-generaal verstrekt op verzoek van de voorzitter van de zienswijzecommissie stukken die betrekking hebben op de vervolging of veroordeling van een lid van het openbaar ministerie, indien het onderzoeksbelang zich daar niet tegen verzet.
2.
De voorzitter van de zienswijzecommissie nodigt het lid van het openbaar ministerie aan wie een voornemen op grond van artikel 30, eerste lid, bekend is gemaakt, uit om zijn zienswijze naar voren te brengen.
3.
Op verzoek van de voorzitter van de zienswijzecommissie dan wel op verzoek van het lid van het openbaar ministerie kunnen getuigen dan wel deskundigen gehoord worden.
4.
Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze wordt een verslag opgemaakt dat door het betrokken lid van het openbaar ministerie en de voorzitter wordt ondertekend. Weigert het betrokken lid het verslag te ondertekenen, dan wordt daarvan in het verslag, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan het betrokken lid wordt een afschrift van het verslag verstrekt.
5.
De voorzitter van de zienswijzecommissie brengt zo spoedig mogelijk schriftelijk advies uit aan degene door wie hij is benoemd. Bij het schriftelijke advies wordt het originele verslag als bedoeld in het vierde lid, evenals andere voor het te nemen besluit relevante stukken gevoegd.
1.
Leden van het openbaar ministerie zijn ter terechtzitting of bij vervulling van een ambtsverrichting, waarbij het dragen van een ambtskostuum gepast is, gekleed in een ambtskostuum.
2.
Het ambtskostuum bestaat uit een toga en een bef.
1.
De toga is een lange wijde mantel met een staande kraag ter hoogte van ongeveer 4 cm, welke kraag aan de voorzijde in het midden een opening heeft van 8 cm. De toga is geheel gemaakt van zwarte stof, neerhangende tot ongeveer 10 cm boven de grond, in het midden van de achterzijde onder de kraag, evenals zijwaarts aan de bovenkant van de wijde mouwen, geplooid ingenomen, met aan de onderkant der mouwen omslagen ter breedte van ongeveer 20 cm en aan de voorzijde in het midden van boven tot onder om de 5 cm voorzien van een niet glimmende kleine zwarte knoop.
2.
De toga wordt gesloten gedragen.
3.
Voor zover de toga is voorzien van banen, zijn deze ter breedte van ongeveer 18 cm evenwijdig aan elkaar met een tussenruimte van ongeveer 8 cm verticaal aan de voorzijde aangebracht en wel van de bovenkant van elke schouder af tot aan de onderkant der toga.
4.
De toga is van dof grein of van een hierop gelijkende stof met banen en mouwomslagen van zwarte zijde.
1.
De bef bestaat uit twee aan de bovenzijde aan elkaar bevestigde stukken geplooid wit batist of een hierop gelijkende stof, beide stukken tezamen in geplooide toestand aan de bovenzijde 8 cm breed.
2.
De bef heeft een lengte van 30 cm en mag aan de onderzijde niet breder zijn dan 15 cm.
1.
Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop een lid van het openbaar ministerie zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen een klacht in te dienen. Niet geklaagd kan worden over de ambtsverrichtingen van een lid van het openbaar ministerie.
2.
Over een gedraging van:
a. de procureur-generaal kan een klacht worden ingediend bij Onze Ministers;
b. de overige leden van het openbaar ministerie kan een klacht worden ingediend bij de procureur-generaal.
3.
Onze Ministers dragen dan wel de procureur-generaal draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over de gedragingen van een lid van het openbaar ministerie.
4.
Tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van een lid van het openbaar ministerie kan geen beroep worden ingesteld.
1.
Een klaagschrift wordt ondertekend en bevat tenminste:
a. de naam en het adres van de klager;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is gericht en zo mogelijk het tijdstip van de gedraging.
2.
Klaagschriften, die niet gedagtekend zijn, worden geacht gedagtekend te zijn op de dag van ontvangst.
3.
Indien het klaagschrift in een andere taal dan het Nederlands, Papiaments of Engels is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van de klacht noodzakelijk is, dient de klager zorg te dragen voor een vertaling.
4.
Indien de klager minderjarig is of onder curatele gesteld, moet de klacht worden ondertekend door de met het gezag beklede ouder of voogd of de curator.
5.
Ten aanzien van een klaagschrift dat niet aan de vereisten genoemd in het eerste, derde, en of vierde lid voldoet, kan besloten worden om het niet te behandelen, mits de klager in de gelegenheid is gesteld het klaagschrift binnen een door Onze Ministers of de procureur-generaal te stellen termijn aan te vullen.
1.
Er bestaat geen verplichting de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:
a. waarover door de klager reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van dit hoofdstuk is afgedaan;
b. die langer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;
c. die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een rechterlijke instantie kon of had kunnen worden onderworpen;
d. zolang terzake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van een lid van het openbaar ministerie van één van de landen of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van een lid van het openbaar ministerie van een van de landen of een vervolging gaande is.
2.
De verplichting de klacht te behandelen bestaat niet, indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.
3.
Van het niet in behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis gesteld.
1.
De ontvangst van het klaagschrift wordt schriftelijk bevestigd onder de mededeling van de datum van ontvangst van het klaagschrift.
2.
De beklaagde ontvangt een afschrift van het klaagschrift en de daarbij meegezonden stukken.
3.
Een klaagschrift tot behandeling waarvan kennelijk een andere instantie bevoegd is, wordt onverwijld naar die instantie doorgezonden onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de klager.
4.
Een klaagschrift dat niet voor het openbaar ministerie bestemd is en dat ook niet wordt doorgezonden, wordt zo spoedig mogelijk teruggezonden naar de klager.
5.
De binnengekomen klaagschriften worden geregistreerd en geadministreerd. Daarnaast wordt zorg gedragen voor een goede voortgangscontrole.
6.
Het aantal geregistreerde klachten wordt jaarlijks gepubliceerd met vermelding van de aard van de klacht.
1.
Klager en de beklaagde worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
2.
Van het horen van de klager kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is dan wel indien de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.
3.
Van het horen van beklaagde kan worden afgezien indien de klacht niet in behandeling wordt genomen, indien de klacht kennelijk ongegrond is of indien betrokkene heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.
4.
Van het horen wordt een verslag gemaakt.
1.
De klager en de beklaagde kunnen zich door een gemachtigde laten bijstaan of laten vertegenwoordigen.
2.
Van een gemachtigde kan een schriftelijke machtiging verlangd worden.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op advocaten.
1.
In elke fase van de klachtbehandeling kan worden nagegaan of de klager door middel van een informele afhandeling van zijn klacht tevreden gesteld kan worden.
2.
Zodra naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen, kan de klachtprocedure worden afgesloten. De klager ontvangt in dat geval een schriftelijke kennisgeving van de afsluiting van deze procedure. Aan de beklaagde wordt een kopie van deze kennisgeving verstrekt.
1.
De klacht wordt binnen zes weken of, – indien aan het bepaalde in artikel 44, eerste lid, toepassing wordt gegeven – binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift afgedaan.
2.
De behandeling van het klaagschrift kan voor ten hoogste vier weken verdaagd worden. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager en beklaagde.
3.
De beklaagde neemt niet deel aan de behandeling van de klacht.
Artikel 43
De klager en de beklaagde worden schriftelijk en gemotiveerd in kennis gesteld van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht en van de eventuele conclusies die daaraan verbonden zijn.
1.
Er kan een klachtadviescommissie ingesteld worden die belast wordt met de advisering over een klacht. Een klachtadviescommissie bestaat uit drie leden.
2.
De leden van een klachtcommissie, waaronder een voorzitter en een secretaris, alsmede hun plaatsvervangers, worden benoemd door:
a. Onze Ministers, op voordracht van het Hof, indien de klacht ziet op de procureur-generaal;
b. de procureur-generaal, na het Hof te hebben gehoord, indien de klacht ziet op de overige leden van het openbaar ministerie.
3.
Ten minste één lid van de klachtadviescommissie is geen lid van het openbaar ministerie.
4.
Degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, maakt geen deel uit van de klachtadviescommissie.
5.
Aan de klachtadviescommissie kunnen alleen algemene aanwijzingen worden gegeven.
1.
De klager en de beklaagde worden in kennis gesteld indien een klachtadviescommissie met de advisering over de klacht is belast.
2.
Het horen geschiedt door de klachtadviescommissie.
3.
De klachtadviescommissie kan het horen aan de voorzitter of een lid opdragen.
4.
De klachtadviescommissie beslist over de toepassing van artikel 39, tweede lid.
5.
De klachtadviescommissie zendt een rapport van bevindingen, vergezeld van het advies en eventuele aanbevelingen, aan Onze Ministers dan wel de procureur-generaal.
6.
Het rapport bevat het verslag van het horen.
Artikel 46
Indien de conclusie van Onze Ministers dan wel van de procureur-generaal afwijkt van het advies van de klachtadviescommissie, wordt in die conclusie de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies meegezonden met de kennisgeving, bedoeld in artikel 43.
1.
Degene die op grond van artikel 38, eerste lid, van de rijkswet benoemd wordt tot procureur-generaal van de landen, behoudt zijn rechtspositie zoals die gold voor de functie van procureur-generaal van de Nederlandse Antillen op de dag vóór inwerkingtreding van de rijkswet , tenzij anders overeengekomen.
2.
Voor wat betreft de ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaarden van degene die op grond van artikel 38, eerste lid, van de rijkswet wordt benoemd, wordt aangesloten bij de ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaarden van de ambtenaren van het land van standplaats.
1.
Degene die op grond van artikel 38, tweede lid, van de rijkswet benoemd wordt tot advocaat-generaal van de landen, behoudt zijn rechtspositie zoals die gold voor de functie van advocaat-generaal van de Nederlandse Antillen op de dag vóór inwerkingtreding van de rijkswet , tenzij anders overeengekomen.
2.
Voor wat betreft de ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaarden van degene die op grond van artikel 38, tweede lid, van de rijkswet wordt benoemd, wordt aangesloten bij de ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaarden van de ambtenaren van het land van standplaats.
1.
Officieren van justitie, substituut-officieren van justitie en plaatsvervangend officieren van justitie, die op grond van artikel 38, derde lid, van de rijkswet, benoemd worden, behouden de rechtspositie zoals die gold voor de functie van officier van justitie, substituut-officier van justitie of plaatsvervangend officier van justitie op de dag vóór inwerkingtreding van deze algemene maatregel van rijksbestuur, tenzij anders overeengekomen.
2.
Voor wat betreft de ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaarden van de officieren van justitie, substituut-officieren van justitie of plaatsvervangend officieren van justitie, bedoeld in het eerste lid, wordt aangesloten bij de ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaarden van de ambtenaren van het land van standplaats.
Artikel 50
Deze algemene maatregel van rijksbestuur treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van de rijkswet .
Artikel 51
Deze algemene maatregel van rijksbestuur wordt aangehaald als: Rijksbesluit rechtspositie leden openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad en in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 27 september 2010
De Minister van Justitie,
Uitgegeven de eerste oktober 2010
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. De rechtspositie van leden van het openbaar ministerie
+ Hoofdstuk 3. Klachten
+ Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht