Inleiding
1. De directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit (hierna: de d-g NMa) staat positief tegenover samenwerking tussen ondernemingen als zij daardoor in staat zijn efficiënter te werken, beter te presteren en beter te concurreren. Brancheorganisaties kunnen bij verschillende vormen van samenwerking, met name in het midden- en kleinbedrijf, een nuttige rol vervullen en activiteiten uitvoeren waartoe individuele ondernemingen zelfstandig niet in staat zijn. Naast belangenbehartiging, het geven van voorlichting en het fungeren als aanspreekpunt voor de branche gaat het daarbij ook om bijvoorbeeld het doen van onderzoek, het stimuleren van de kwaliteit van het aanbod van goederen en diensten en het organiseren van gezamenlijke inkoop van goederen en diensten.
2. Het bedrijfsleven als geheel is gebaat bij een effectieve en heldere toepassing van de Mededingingswet . Dit geldt in het bijzonder voor ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf die over het algemeen niet over marktmacht beschikken. Samenwerking tussen deze ondernemingen zal, vanwege dit gebrek aan marktmacht, in de meeste gevallen dan ook niet strijdig zijn met de mededingingsregels. Bovendien heeft juist het midden- en kleinbedrijf baat bij het aanpakken van kartels en misbruik van in- en verkoopmacht en het middels het eveneens in de Mededingingswet geregelde concentratietoezicht voorkomen van het ontstaan of versterken van machtsposities.
3. De d-g NMa acht het nuttig om extra duidelijkheid te creëren over de wijze waarop de aan hem toekomende taken en bevoegdheden zullen worden uitgeoefend. Immers, enerzijds zal die extra duidelijkheid leiden tot een vermindering van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven, anderzijds draagt het bij aan een effectieve en efficiënte handhaving van de Mededingingswet (hierna: Mw). Bij brief van 8 september 2000 heeft de Minister van Economische Zaken de Tweede Kamer daarover aangekondigd dat de NMa algemene lijnen voor de beoordeling van samenwerking tussen (kleine) bedrijven binnen en buiten brancheorganisaties zal publiceren. 1
4. Deze richtsnoeren voor de beoordeling van samenwerking tussen bedrijven binnen en buiten brancheorganisaties (hierna: de richtsnoeren) hebben tot doel vóóraf inzicht te verschaffen in de criteria die gehanteerd zullen worden bij handhaving van het in artikel 6 Mw neergelegde kartelverbod en de toepassing van de in artikel 17 Mw neergelegde mogelijkheid tot het geven van ontheffing van het kartelverbod. Deze richtsnoeren zijn op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgesteld met inachtneming van de bevoegdheden die de d-g NMa krachtens de Mw toekomt. De d-g NMa zal deze richtsnoeren toepassen als beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In een later stadium kunnen eventueel aanvullende richtsnoeren worden gepubliceerd.
5. De opbouw van de richtsnoeren is als volgt. Allereerst wordt het wettelijk kader geschetst waarbinnen de richtsnoeren moeten worden geplaatst. Vervolgens komt de verhouding tot het EG-mededingingsbeleid aan de orde. Daarna wordt ingegaan op de beoordeling van een aantal specifieke samenwerkingsvormen.
6. Voorafgaand aan de vaststelling van deze richtsnoeren is een eerdere versie ter commentaar voorgelegd aan de ondernemersorganisaties VNO-NCW en MKB Nederland, alsook aan de Consumentenbond.
Inhoudsopgave
Inleiding
Wettelijk kader
Verhouding tot het Europees mededingingsbeleid
Specifiek toepassingsgebied van deze richtsnoeren
A. Uitdrukkelijk niet toegelaten vormen van samenwerking
B. Erkenningsregelingen
C. Lidmaatschapscriteria van brancheverenigingen
D. Algemene voorwaarden
E. Informatie-uitwisseling
F. Opstellen van vergelijkingsmodellen en calculatieschema’s
G. Samenwerking op administratief gebied
H. Gemeenschappelijke inkoop via brancheorganisaties
I. Gemeenschappelijke reclame
Inwerkingtreding
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht