Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2015. U leest nu de tekst die gold op -.

Regeling subsidies AWBZ

Uitgebreide informatie
1.
Het Zorginstituut verleent aan zorgkantoren op aanvraag een subsidie die bestemd is voor het met inachtneming van de artikelen 2.6.3 tot en met 2.6.14 verstrekken van netto persoonsgebonden budgetten alsmede voor het verstrekken van de vergoedingen persoonlijke zorg die tot en met 2012 zijn verleend met inachtneming van deze regeling.
2.
Het subsidieplafond voor de in het eerste lid bedoelde activiteiten bedraagt: voor het jaar 2014 € 2.731.000.000.
3.
Voor verleende persoonsgebonden budgetten als bedoeld in het eerste lid wordt voor het jaar 2014 een maximale subsidie in aanmerking genomen, die wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:
waarbij wordt verstaan onder:
A: het bedrag dat het zorgkantoor op 31 augustus van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar aan subsidies heeft verstrekt voor persoonsgebonden budgetten en vergoedingen persoonlijke zorg;
B: het bedrag dat het zorgkantoor op 31 augustus van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar heeft gereserveerd ten behoeve van de nog voor dat subsidiejaar te verlenen subsidies voor persoonsgebonden budgetten en vergoedingen persoonlijke zorg aan verzekerden aan wie op 31 augustus subsidie is verleend en waarvan de subsidieperiode vóór of op 31 december van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar eindigt.
C: de som van de tellers voor alle zorgkantoren tezamen.
4.
voor het jaar 2014 wordt € 176.000.000 verdeeld met inachtneming van door het Zorginstituut vast te stellen beleidsregels.
5.
Het zorgkantoor verleent slechts subsidie voor persoonsgebonden budgetten voor verzekerden woonachtig in zijn regio.
7.
Voor de toepassing van hoofdstuk I wordt de in het eerste lid bedoelde subsidie beschouwd als een projectsubsidie, met dien verstande dat de aanvraag van de subsidie in afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, niet vergezeld gaat van een projectplan.
1.
Het zorgkantoor verleent een verzekerde een persoonsgebonden budget indien de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij is aangewezen op verblijf of op een of meer van de vormen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onderdeel j.
2.
In afwijking van het eerste lid verleent het zorgkantoor een verzekerde geen persoonsgebonden budget indien de verzekerde:
a. beschikt over een indicatiebesluit met een geldigheidsduur korter dan een jaar, tenzij sprake is van een langdurige zorgbehoefte,
b. uitsluitend is aangewezen op begeleiding, kortdurend verblijf of een combinatie van begeleiding en kortdurend verblijf, of
c. is aangewezen op een zorgzwaartepakket 9B VV, 4 LVG, 5 LVG, 1 SGLVG, 1B GGZ, 2B GGZ, 3B GGZ, 4B GGZ, 5B GGZ, 6B GGZ of 7B GGZ.
3.
Het tweede lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien:
a. de verzekerde blijkens het indicatiebesluit is aangewezen op tien of meer uren per week begeleiding,
b. leden van een leefeenheid tezamen, voor zover zij niet in een instelling verblijven als bedoeld in de AWBZ of de Zorgverzekeringswet , aangewezen zijn op tien of meer uren per week begeleiding, of
c. de verzekerde lid is van een leefeenheid en een ander lid van die leefeenheid op grond van het eerste lid of artikel 2.6.3a een persoonsgebonden budget ontvangt.
4.
Het aantal geïndiceerde uren als bedoeld in het derde lid, onder a en b, wordt berekend door optelling van de gemiddelden van de geïndiceerde klassen voor de functie begeleiding, als genoemd in de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 , waarbij een dagdeel geldt als een uur.
5.
Het gemiddelde, bedoeld in het vierde lid, wordt bepaald door op een decimaal achter de komma naar boven af te ronden.
1.
In afwijking van artikel 2.6.3 verleent het zorgkantoor een verzekerde een persoonsgebonden budget indien de subsidieperiode waarvoor een persoonsgebonden budget wordt aangevraagd:
a. met een onderbreking van niet meer dan zeven kalenderdagen, aansluit op een eerdere subsidieperiode voor een persoonsgebonden budget of een vergoeding persoonlijke zorg, of
b. aansluit op een periode waarin de verzekerde verbleef in een instelling als bedoeld in de AWBZ of Zorgverzekeringswet en dit verblijf aansloot op een eerdere subsidieperiode voor een persoonsgebonden budget of een vergoeding persoonlijke zorg.
2.
In afwijking van het eerste lid verleent het zorgkantoor een verzekerde die blijkens het indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket 9B VV, 4 LVG, 5 LVG, 1 SGLVG, 1B GGZ, 2B GGZ, 3B GGZ, 4B GGZ, 5B GGZ, 6B GGZ of 7B GGZ, alleen een persoonsgebonden budget indien de verzekerde in een eerdere subsidieperiode als bedoeld in het eerste lid, was aangewezen op hetzelfde zorgzwaartepakket.
1.
Het zorgkantoor verleent een verzekerde alleen een netto persoonsgebonden budget indien de verzekerde gebruik heeft gemaakt van een door het zorgkantoor vastgesteld aanvraagformulier en de aanvraag is vergezeld van een budgetplan dat is ingericht volgens het door het Zorginstituut vastgestelde model.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een verzekerde als bedoeld in artikel 2.6.3a.
3.
Op verzoek van de verzekerde die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt of diens wettelijk vertegenwoordiger, wordt een persoonsgebonden budget verleend aan een organisatie die belast is met de ondertoezichtstelling op de verzekerde of die een reclasseringsmaatregel uitoefent krachtens een uitspraak van de rechter of het Openbaar Ministerie op grond van artikel 14d, artikel 15b, tweede lid, of Boek I, Titel VIII A Bijzondere bepalingen voor jeugdige personen van het Wetboek van Strafrecht.
1.
Indien de verzekerde woonachtig is in een regio van de zorgkantoren OWM Zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid U.A., Zorgkantoor DSW B.V. of Salland Zorgkantoor B.V. wordt met ingang van 1 januari 2014 een verzekerde uitsluitend een trekkingsrecht verleend.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een bestaande budgethouder.
1.
Het zorgkantoor weigert verlening van een netto persoonsgebonden budget indien:
a. de verzekerde geen volledig ingevuld budgetplan heeft overgelegd volgens het door het Zorginstituut vastgestelde model;
b. de verzekerde weigert het budgetplan desgevraagd met het zorgkantoor te bespreken of, na voor zulk een gesprek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;
c. de verzekerde het door het zorgkantoor vastgestelde aanvraagformulier niet volledig en juist heeft ingevuld;
d. de verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen, anders dan terzake van kortdurend verblijf, in een instelling als bedoeld in de AWBZ of de Zorgverzekeringswet zal verblijven;
e. de verzekerde op grond van een wettelijk voorschrift, anders dan de AWBZ , recht heeft op de zorg waarop hij blijkens het indicatiebesluit is aangewezen of op een gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten daarvan;
f. het zorgkantoor, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige verzekerde aangevraagd budget in zodanige mate niet voor de inkoop van zorg ten behoeve van die verzekerde zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van die verzekerde tot gevolg zal hebben;
g. binnen de maximale subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2, derde lid, rekening houdend met een reservering ten behoeve van de uitvoering van het derde lid, geen ruimte voor verlening van een persoonsgebonden budget aanwezig is;
h. de verzekerde, of, indien de verzekerde jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is; verklaard;
i. ten aanzien van de verzekerde of, indien de verzekerde jonger is dan 18 jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
j. de verzekerde blijkens de basisregistratie personen niet beschikt over een woonadres;
k. de verzekerde het zorgkantoor geen toestemming geeft om zijn persoonsgegevens door te geven aan het CAK, genoemd in artikel 48, eerste lid, van de AWBZ, ten behoeve van de vaststelling van de op het bruto persoonsgebonden budget in mindering te brengen eigen bijdrage en, voor het geval een trekkingsrecht wordt aangevraagd, de Sociale verzekeringsbank ten behoeve van het doen van de betalingen uit en de verantwoording over het persoonsgebonden budget;
l. de verzekerde zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen;
m. de verzekerde zich, gelet op de door hem verstrekte gegevens of bescheiden, kennelijk onvoldoende heeft georiënteerd op het door het zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod;
n. de verzekerde, gelet op de door hem verstrekte gegevens of bescheiden, voornemens is om het persoonsgebonden budget uitsluitend te besteden aan de inkoop van zorg bij door het zorgkantoor gecontracteerde zorgverleners;
o. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor niet in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, gemachtigde of zaakwaarnemer de aan een persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren;
p. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor niet in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, gemachtigde of zaakwaarnemer de door hem verkozen zorgverlener of zorgverlenende instantie op zodanige wijze aan te sturen en hun werkzaamheden op elkaar af te stemmen, dat sprake is of zal zijn van verantwoorde zorg;
q. naar het oordeel van het zorgkantoor onvoldoende aannemelijk is dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit.
2.
Het eerste lid, onderdelen a, b, c, g, m en n is niet van toepassing op een bestaande budgethouder.
3.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, kan het zorgkantoor een persoonsgebonden budget verlenen voor begeleiding groep indien de verzekerde verblijft in een instelling waar de dagbesteding geen onderdeel vormt van het door het zorgkantoor gecontracteerde verblijf.
4.
Bij de uitvoering van het eerste lid, onderdeel g, gaat het zorgkantoor uit van de ontvangstdatum van het in artikel 2.6.3b, eerste lid, bedoelde aanvraagformulier of indien het aanvraagformulier is ontvangen voor de datum van het indicatiebesluit, de datum van het indicatiebesluit.
1.
Het netto persoonsgebonden budget wordt verleend voor een subsidieperiode die:
a. niet eerder aanvangt dan de dag met ingang waarvan de verzekerde volgens zijn indicatiebesluit op de zorg is aangewezen waarvoor het budget wordt verleend, en
b. eindigt met ingang van de dag waarop het indicatiebesluit zijn geldigheidsduur verliest, doch uiterlijk op 31 december 2014.
2.
Het Besluit wachttijd bijzondere ziektekostenverzekering is van overeenkomstige toepassing op het persoonsgebonden budget.
1.
Indien de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij uitsluitend is aangewezen op een of meer van de vormen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onderdeel j, bedraagt het bruto persoonsgebonden budget in 2014 maximaal voor:
a. persoonlijke verzorging:
1e klasse 1: € 1.409
2e klasse 2: € 4.226
3e klasse 3: € 7.748
4e klasse 4: € 11.975
5e klasse 5: € 16.201
6e klasse 6: € 20.428
7e klasse 7: € 25.358
8e klasse 8: € 31.698
9e klasse 9: het bedrag genoemd bij klasse 8, vermeerderd met een bedrag gelijk aan het product van het aantal uren waarmee het geïndiceerde aantal uren de bovengrens van klasse 8 overschrijdt en een bedrag van € 1409;
b. verpleging:
1e klasse 0: € 1.272
2e klasse 1: € 3.817
3e klasse 2: € 7.634
4e klasse 3: € 13.995
5e klasse 4: € 21.629
6e klasse 5: € 29.263
7e klasse 6: € 36.896
8e klasse 7: € 45.802
9e klasse 8: het bedrag genoemd bij klasse 7, vermeerderd met een bedrag gelijk aan het product van het aantal uren waarmee het geïndiceerde aantal uren de bovengrens van klasse 7 overschrijdt en een bedrag van € 2.545;
c. begeleiding individueel:
1e klasse 1: € 1.869
2e klasse 2: € 5.608
3e klasse 3: € 10.282
4e klasse 4: € 15.891
5e klasse 5: € 21.499
6e klasse 6: € 27.107
7e klasse 7: € 33.651
8e klasse 8: € 42.063
9e klasse 9: het bedrag genoemd bij klasse 8, vermeerderd met een bedrag gelijk aan het product van het aantal uren waarmee het geïndiceerde aantal uren de bovengrens van klasse 8 overschrijdt en een bedrag van € 1.869;
d. begeleiding groep:
1e klasse 1: € 2.310
2e klasse 2: € 4.622
3e klasse 3: € 6.932
4e klasse 4: € 9.244
5e klasse 5: € 11.555
6e klasse 6: € 13.865
7e klasse 7: € 16.177
8e klasse 8: € 18.487
9e klasse 9: € 20.798
10e klasse 10: het bedrag genoemd bij klasse 9, vermeerderd met een bedrag gelijk aan het product van het aantal dagdelen waarmee het geïndiceerde aantal dagdelen de bovengrens van klasse 9 overschrijdt en een bedrag van € 2.310;
e. begeleiding groep, inclusief vervoer:
1e klasse 1: € 2.588
2e klasse 2: € 5.175
3e klasse 3: € 7.763
4e klasse 4: € 10.348
5e klasse 5: € 12.939
6e klasse 6: € 15.248
7e klasse 7: € 17.561
8e klasse 8: € 19.871
9e klasse 9: € 22.183
10e klasse 10: het bedrag genoemd bij klasse 9, vermeerderd met een bedrag gelijk aan het product van het aantal dagdelen waarmee het geïndiceerde aantal dagdelen de bovengrens van klasse 9 overschrijdt en een bedrag van € 2.310;
f. kortdurend verblijf:
€ 101 per etmaal.
2.
Indien de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij is aangewezen op verblijf bedraagt het bruto persoonsgebonden budget in 2014 maximaal voor:
a. persoonlijke verzorging:
1e klasse 1: € 1.486
2e klasse 2: € 4.458
3e klasse 3: € 8.160
4e klasse 4: € 12.618
5e klasse 5: € 17.050
6e klasse 6: € 21.508
7e klasse 7: € 26.696
b. verpleging:
1e klasse 0: € 1.272
2e klasse 1: € 3.817
3e klasse 2: € 7.634
4e klasse 3: € 13.995
5e klasse 4: € 21.629
6e klasse 5: € 29.263
c. begeleiding individueel:
1e klasse 1: € 1.972
2e klasse 2: € 5.915
3e klasse 3: € 10.827
4e klasse 4: € 16.742
5e klasse 5: € 22.621
6e klasse 6: € 28.537
7e klasse 7: € 35.420
8e klasse 8: € 44.275
d. begeleiding groep:
1e klasse 1: € 2.432
2e klasse 2: € 4.865
3e klasse 3: € 7.297
4e klasse 4: € 9.731
5e klasse 5: € 12.163
6e klasse 6: € 14.595
7e klasse 7: € 17.028
8e klasse 8: € 19.460
9e klasse 9: € 21.893
e. begeleiding groep, inclusief vervoer:
1e klasse 1: € 2.724
2e klasse 2: € 5.447
3e klasse 3: € 8.172
4e klasse 4: € 10.893
5e klasse 5: € 13.620
6e klasse 6: € 16.051
7e klasse 7: € 18.485
8e klasse 8: € 20.917
9e klasse 9: € 23.350.
3.
Indien het bruto persoonsgebonden budget voor meer vormen van zorg wordt verleend, bedraagt het bruto persoonsgebonden budget maximaal de som van de met behulp van het eerste dan wel het tweede lid bepaalde bedragen.
4.
Indien de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij is aangewezen op verblijf wordt het bruto persoonsgebonden budget berekend door het zorgzwaartepakket met toepassing van de bijlage 2 van deze regeling om te rekenen naar een of meer klassen, bedoeld in het tweede lid. Indien de verzekerde niet in een instelling verblijft, hoogt het zorgkantoor het bruto persoonsgebonden budget vervolgens op met € 3 332. Het zorgkantoor verhoogt het aldus opgehoogde persoonsgebonden budget vervolgens op met € 4 000 voor een verzekerde die woont in een kleinschalig wooninitiatief en ten minste een persoonsgebonden budget ontvangt voor persoonlijke verzorging en begeleiding individueel.
5.
Het zorgkantoor kan onder daarbij te stellen voorwaarden in het voordeel van de verzekerde afwijken van het derde lid indien het, met overeenkomstige toepassing van artikel 1a, tweede lid, van de Regeling zorgaanspraken AWBZ, oordeelt dat de verzekerde aanspraak heeft op meer zorg dan waarop hij op grond van het eerste lid van dat artikel aanspraak heeft. Het zorgkantoor meldt de toepassing van de eerste volzin onverwijld aan het Zorginstituut volgens een door het Zorginstituut vastgesteld model.
6.
Indien een subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1 januari van een kalenderjaar aanvangt of op een andere dag dan 31 december eindigt, wordt het maximum bruto persoonsgebonden budget vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal dagen van de subsidieperiode in het desbetreffende kalenderjaar en de noemer uit het aantal dagen in dat kalenderjaar.
7.
Indien toepassing van de voorgaande leden leidt tot een verlening van een bruto persoonsgebonden budget van meer dan € 300 per dag, beperkt het zorgkantoor de maximum verlening tot de kosten van verblijf, onder aftrek van de woonlasten, met een minimum van € 300 per dag.
8.
Indien het verleende bruto persoonsgebonden budget € 300 per dag of meer bedraagt dan meldt het zorgkantoor dit aan het Zorginstituut volgens een door het Zorginstituut vastgesteld model.
1.
Het zorgkantoor hoogt het bruto persoonsgebonden budget op tot een garantiebedrag ter hoogte van het bruto persoonsgebonden budget dat was verleend voor de subsidieperiode die eindigde op 31 december 2013, indien de verzekerde volgens het indicatiebesluit is aangewezen op verblijf, en
a. het persoonsgebonden budget bij de eerste verlening op basis van een indicatiebesluit waaruit bleek dat de verzekerde was aangewezen op een zorgzwaartepakket, op grond van een beleidsregel van het Zorginstituut of op grond van artikel 2.6.15, zoals dat artikel luidde voor 1 januari 2013, was opgehoogd tot een garantiebedrag of;
b. aan de verzekerde in 2012 een persoonsgebonden budget is verleend op basis van een indicatiebesluit waaruit bleek dat de verzekerde aangewezen was op verblijf en de verzekerde vanaf 30 december 2012 ononderbroken woonachtig was in een kleinschalig wooninitiatief.
2.
Een verzekerde die inwoont bij ouders, voogden of pleegouders, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg, wordt niet aangemerkt als bewoner van een kleinschalig wooninitiatief.
3.
Het zorgkantoor hoogt het bruto persoonsgebonden budget op tot een garantiebedrag ter hoogte van 90% van het bruto persoonsgebonden budget dat was verleend voor de subsidieperiode die eindigde op 31 december 2013, indien
a. dat persoonsgebonden budget was verleend op grond van een indicatiebesluit waaruit bleek dat de verzekerde aangewezen was op verblijf;
b. de verzekerde volgens het geldende indicatiebesluit is aangewezen op verblijf, en
c. het eerste lid niet op de verzekerde van toepassing is.
4.
Indien de aanvraag betrekking heeft op minder of andere vormen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdelen j en k, dan het persoonsgebonden budget dat in 2013 is verleend, wordt een garantiebedrag als bedoeld in het eerste of derde lid verminderd met het verschil tussen de budgetten waartoe die vormen van zorg leiden.
5.
Indien de aanvraag voor een persoonsgebonden budget is gebaseerd op een ander indicatiebesluit dan de verlening van het persoonsgebonden budget in 2013 en de verzekerde volgens het indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket dat leidt tot een lager bruto persoonsgebonden budget dan in 2013 is verleend, wordt een garantiebedrag als bedoeld in het eerste of derde lid verminderd met het verschil tussen de budgetten waartoe die zorgzwaartepakketten leiden.
6.
Het eerste lid, onder a, is alleen van toepassing indien aan de verzekerde, vanaf de eerste verlening van een persoonsgebonden budget op basis van een indicatiebesluit waaruit bleek dat hij was aangewezen op een zorgzwaartepakket, in ieder opvolgende subsidieperiode een persoonsgebonden budget is verleend, al dan niet na een onderbreking als bedoeld in het zevende lid, onder a of b.
7.
Het eerste lid, onder b, en derde lid zijn alleen van toepassing indien de subsidieperiode waarvoor een persoonsgebonden budget wordt aangevraagd:
a. met een onderbreking van niet meer dan zeven kalenderdagen, aansluit op een eerdere subsidieperiode, of
b. aansluit op een periode waarin de verzekerde verbleef in een instelling als bedoeld in de AWBZ of Zorgverzekeringswet en dit verblijf aansloot op een eerdere subsidieperiode.
1.
De verzekerde van achttien jaar of ouder aan wie een persoongebonden budget is verleend is een bijdrage verschuldigd van:
a. 33% van het bruto persoonsgebonden budget voor persoonlijke verzorging;
b. 20% van het bruto persoonsgebonden budget voor verpleging;
c. 27% van het bruto persoonsgebonden budget voor begeleiding.
2.
De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt in 2014 niet meer dan:
a. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt € 247,68, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 23.295 het bedrag van € 247,68 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 23.295;
b. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt € 247,68, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 16.456 het bedrag van € 247,68 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 16.456;
c. voor de gehuwde verzekerden indien een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt of beiden die leeftijd nog niet hebben bereikt € 354,57, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 29.174 het bedrag van € 354,57 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 29.174;
d. voor de gehuwde verzekerden die beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt € 354,57, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 22.957 het bedrag van € 354,57 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 22.957.
3.
Bij de uitvoering van het tweede lid gaat het zorgkantoor uit van het bijdrageplichtige inkomen, bedoeld in artikel 16e, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg, in het kalenderjaar voorafgaande aan het peiljaar indien aan de verzekerde op 31 december van het voorgaande kalenderjaar een persoonsgebonden budget is verleend en het bijdrageplichtige inkomen, bedoeld in artikel 16e, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg, in het peiljaar op 1 maart van het kalenderjaar niet bekend is bij het zorgkantoor.
4.
Het zorgkantoor vermindert de bijdrage die de verzekerde op grond van het tweede en derde lid maximaal verschuldigd is met een eigen bijdrage die verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning en het aandeel van de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming ingevolge die wet voor eigen rekening komt alsmede met een bijdrage die verschuldigd is op grond van artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg.
5.
Op de met toepassing van het eerste tot en met het vierde lid vastgestelde eigen bijdrage wordt een korting van 33% toegepast.
1.
Het netto persoonsgebonden budget bedraagt het verschil tussen het bruto persoonsgebonden budget en de eigen bijdrage.
2.
Indien de verzekerde onmiddellijk voorafgaande aan of aansluitend op de subsidieperiode een netto persoonsgebonden budget voor hetzelfde kalenderjaar werd of wordt verleend en dat budget niet volledig werd of wordt besteed, wordt het op grond van het eerste lid berekende netto persoonsgebonden budget verhoogd met een bedrag gelijk aan dit niet bestede deel.
1.
Bij de verlening van het netto persoonsgebonden budget worden de verzekerde de volgende verplichtingen opgelegd:
a. de verzekerde gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor het betalen of, indien een trekkingsrecht is verleend, het door de Sociale verzekeringsbank doen betalen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel j of k, of van bemiddelingskosten onder de in onderdeel k opgenomen voorwaarden;
b. de zorg die de verzekerde inkoopt, is kwalitatief verantwoord;
c. de verzekerde sluit een schriftelijke overeenkomst met de zorgverlener of zorgverlenende instantie waarin ten minste de volgende afspraken zijn opgenomen:
1°. indien een trekkingsrecht is verleend: de wijze waarop de zorgverlener voorziet in de behoefte aan zorg van de verzekerde;
2°. declaraties voor verleende zorg worden niet betaald indien zij niet binnen zes weken na de maand waarin de zorg is verleend bij de verzekerde zijn ingediend,
3°. een declaratie van een zorgverlener bevat een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren, het burgerservicenummer en de naam van de zorgverlener, en wordt door de zorgverlener ondertekend,
4°. een declaratie van een zorgverlenende instantie bevat het nummer waarmee die instantie staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het tarief, het aantal te betalen uren, dagdelen of etmalen, en de naam en het adres van de zorgverlenende instantie, en wordt namens de zorgverlenende instantie ondertekend;
d. de verzekerde stelt, op verzoek van het zorgkantoor, de in onderdeel c bedoelde overeenkomsten en declaraties alsmede zijn rekeningafschrift op papier of op een andere duurzame drager, tot vijf jaar na de datum van de subsidievaststelling ter beschikking van het zorgkantoor. De rekeningafschriften bevatten in ieder geval de perioden waarop zij betrekking hebben, de datum en het bedrag van de door de verzekerde verrichte betalingen, bedoeld in onderdeel a, alsmede de rekeningnummers waarop deze betalingen zijn bijgeschreven;
e. de verzekerde legt door middel van invulling en ondertekening van een daartoe door het zorgkantoor toegezonden formulier verantwoording af over de besteding van het verleende persoonsgebonden budget;
f. tenzij een trekkingsrecht is verleend, voegt de verzekerde bij de verantwoording over de laatste verantwoordingsperiode van een kalenderjaar per zorgverlener of zorgverlenende instantie een formulier waarop hij naam, adres en burgerservicenummer van de zorgverlener respectievelijk naam, adres en het nummer van de Kamer van Koophandel van de zorgverlenende instantie heeft aangetekend, alsmede het in dat kalenderjaar aan die zorgverlener of die zorgverlenende instantie betaalde bedrag;
g. de verzekerde brengt gedurende de subsidieperiode voor de vormen van zorg waarvoor het budget is verleend niet tevens een AWBZ-aanspraak op zorg tot gelding;
h. de verzekerde die blijkens het indicatiebesluit is aangewezen op verblijf, brengt gedurende de subsidieperiode zijn aanspraak op verblijf niet tot gelding;
i. de verzekerde draagt er zorg voor dat een zorgverlener op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht;
j. de verzekerde verricht uitsluitend girale betalingen aan de zorgverlener of, indien een trekkingsrecht is verleend, laat de betalingen aan de zorgverlener verrichten door de Sociale verzekeringsbank;
k. de verzekerde besteedt het persoonsgebonden budget uitsluitend aan bemiddelingkosten indien aan de verzekerde een persoonsgebonden budget is verleend voor een subsidieperiode die eindigde op 31 december 2011 en de organisatie waaraan de verzekerde bemiddelingskosten betaalt beschikt over een door het Keurmerkinstituut vastgesteld keurmerk voor bemiddelingsbureaus;
l. de verzekerde waar een trekkingsrecht aan is verleend:
1°. legt de overeenkomst, bedoeld in onderdeel c, ter goedkeuring voor aan het zorgkantoor;
2°. stelt de overeenkomsten en declaraties, bedoeld in onderdeel c, op papier of op een andere duurzame drager onverwijld ter beschikking van de Sociale verzekeringsbank;
3°. legt de verantwoording, bedoeld in onderdeel e, door tussenkomst van de Sociale verzekeringsbank af;
m. de verzekerde, niet zijnde een bestaande budgethouder, die blijkens het indicatiebesluit is aangewezen op respijtzorg besteedt het persoongebonden budget niet aan een huisgenoot, partner of ouder die feitelijk gebruikelijke zorg op zich dient te nemen, maar daartoe niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting;
n. de verzekerde besteedt het persoonsgebonden budget niet aan kortdurend verblijf buiten de Europese Unie, tenzij het een bestaande budgethouder betreft;
o. de verzekerde deelt het zorgkantoor op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag het budget slechts besteed worden aan kosten van vervoer voor het ontvangen van begeleiding groep indien een budget verleend is voor begeleiding groep inclusief vervoer of indien de verzekerde blijkens het indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket VV.
3.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en e, mag de verzekerde in een kalenderjaar maximaal 1,5% van het voor dat jaar beschikbare netto persoonsgebonden budget, maar ten minste € 250 en ten hoogste € 1 250, gebruiken voor andere betalingen dan betalingen bedoeld in onderdeel a, en geldt de verantwoordingsplicht, bedoeld in onderdeel e, niet voor dit deel van het budget.
4.
Indien een subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1 januari van een kalenderjaar aanvangt of op een andere dag dan 31 december eindigt, worden de bedragen, genoemd in het derde lid, voor dat kalenderjaar vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal dagen van de subsidieperiode in het desbetreffende kalenderjaar en de noemer uit het aantal dagen in dat kalenderjaar.
5.
Onderdeel f van het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekerde verplicht is tot loonheffing.
6.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel g, worden begeleiding individueel en begeleiding groep aangemerkt als onderscheiden vormen van zorg.
7.
Het Zorginstituut stelt standaardmodellen op voor de formulieren, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f.
8.
De verantwoording, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt aan het zorgkantoor afgelegd binnen zes weken na:
a. afloop van de subsidieperiode;
b. het einde van de eerste helft van een kalenderjaar, indien het tot een jaarbedrag herleide netto persoonsgebonden budget € 5.000 of meer bedraagt en geen trekkingsrecht is verleend.
9.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag de verzekerde die blijkens het indicatiebesluit is aangewezen op verblijf, het persoonsgebonden budget ook gebruiken voor betaling van huishoudelijke hulp.
1.
De verzekerde kan het netto persoonsgebonden budget voor ten hoogste dertien weken per kalenderjaar tijdens verblijf buiten het Europese deel van Nederland gebruiken voor betaling van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdelen j en k, indien die zorg is verkregen als voortzetting van reeds binnen het Europese deel van Nederland aangevangen zorg.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de verzekerde voor ten hoogste een jaar tijdens verblijf buiten het Europese deel van Nederland een netto persoonsgebonden budget gebruiken voor betaling van voortzetting van palliatief terminale zorg.
3.
Indien de verzekerde langer dan zes weken aaneengesloten buiten het Europese deel van Nederland verblijft en daar zorgverleners contracteert die niet vallen onder de Nederlandse fiscale en sociale zekerheidswetgeving, wordt het bruto persoonsgebonden budget berekend overeenkomstig de volgende formule:
waarbij wordt verstaan onder:
A: het aantal weken dat de verzekerde binnen het Europese deel van Nederland verblijft;
B: het getal 52;
C: het bruto persoonsgebonden budget waarvoor de verzekerde op grond van de vorige leden in aanmerking komt;
D: het aantal weken dat de verzekerde buiten het Europese deel van Nederland verblijft;
E: het voor het desbetreffende land door het Zorginstituut vastgestelde aanvaardbaarheidspercentage.
Artikel 2.6.9b
Indien een trekkingsrecht is verleend, verricht de Sociale verzekeringsbank ten behoeve van de verzekerde uitsluitend betalingen uit het persoonsgebonden budget:
a. overeenkomstig de door de verzekerde met de zorgverlener gesloten, geldige overeenkomst die is goedgekeurd door het zorgkantoor;
b. tot afdracht van eventuele loonheffing;
c. ter verkrijging door de verzekerde van gelden voor het verrichten van betalingen als bedoeld in artikel 2.6.9, derde lid;
d. die ook overigens in overeenstemming zijn met deze regeling en met de beschikking tot verlening van het trekkingsrecht.
1.
Het zorgkantoor bevoorschot de verzekerde het verleende netto persoonsgebonden budget:
a. per kwartaal, indien het tot een jaarbudget herleide bedrag € 15.000 of minder bedraagt;
b. per maand, indien het tot een jaarbudget herleide bedrag meer dan € 15.000 bedraagt.
2.
Indien een subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1 januari van een kalenderjaar aanvangt of op een andere dag dan 31 december eindigt, wordt voor de toepassing van het eerste lid het voor dat jaar beschikbare budget tot een jaarbedrag herleid door het desbetreffende budget te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het aantal dagen in het kalenderjaar en de noemer gelijk is aan het aantal dagen van de subsidieperiode in het kalenderjaar.
3.
Het zorgkantoor betaalt het voorschot uit op de bankrekening van de verzekerde.
4.
In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor het voorschot van de minderjarige verzekerde uit op de bankrekening van diens ouders of voogd, tenzij de ouder of voogd verzoekt om uitbetaling op de bankrekening van de minderjarige.
5.
In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor het voorschot van de verzekerde die onder curatele staat als bedoeld in artikel 1:378 en volgende van het Burgerlijk Wetboek of onder bewindvoering staat als bedoeld in artikel 1:431 en volgende van die wet uit op de door de curator of bewindvoerder ten name van de verzekerde geopende bankrekening.
6.
In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor, indien het zorgkantoor op grond van artikel 2.6.3b, derde lid, het persoonsgebonden budget heeft verleend aan een organisatie die is belast met de ondertoezichtstelling op de verzekerde, het voorschot uit op de bankrekening van die organisatie.
7.
In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor, indien het zorgkantoor op grond van artikel 2.6.3b, derde lid, het persoonsgebonden budget heeft verleend aan een organisatie die een reclasseringsmaatregel uitoefent krachtens een uitspraak van de rechter of het Openbaar Ministerie op grond van artikel 14d, artikel 15b, tweede lid, of Boek I, Titel VIII A Bijzondere bepalingen voor jeugdige personen van het Wetboek van Strafrecht, het voorschot uit op de bankrekening van die organisatie.
8.
In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor het voorschot op verzoek van de verzekerde die verblijft in een klooster, uit op de bankrekening van dat klooster, indien de verzekerde op grond van kerkrechtelijke voorschriften niet over een eigen bankrekening mag beschikken.
9.
Indien een trekkingsrecht is verleend, wordt het voorschot in afwijking van het derde lid betaald aan de Sociale verzekeringsbank.
Artikel 2.6.11
De verleningsbeschikking van het zorgkantoor aan de verzekerde bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de subsidieperiode;
b. het verleende bruto persoonsgebonden budget en de wijze waarop dit budget is berekend;
c. de hoogte van de eigen bijdrage en de wijze waarop deze bijdrage is berekend;
d. het netto persoonsgebonden budget en de wijze waarop dit budget is berekend;
e. de wijze waarop het netto persoonsgebonden budget wordt bevoorschot;
f. de verplichtingen van de verzekerde;
g. de hoogte van het verantwoordingsvrije bedrag, en de wijze waarop dat bedrag is berekend;
h. indien van toepassing: het bedrag, bedoeld in artikel 2.6.8, tweede lid;
i. de mededeling dat de in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel f, bedoelde formulieren door het zorgkantoor worden doorgezonden aan de belastingdienst.
1.
Het zorgkantoor wijzigt de verleningsbeschikking of trekt deze in:
a. met ingang van de dag gelegen na de dag waarop de verzekerde overlijdt;
b. met ingang van de dag waarop de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de AWBZ of de Zorgverzekeringswet ;
c. met ingang van de dag vanaf welke de verzekerde schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het budget;
d. met ingang van de dag waarop de verzekerde op grond van een wettelijk voorschrift, anders dan de AWBZ, recht heeft op de geïndiceerde zorg, of op een gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten daarvan;
e. met ingang van de dag waarop het zorgkantoor, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige verzekerde aangevraagd budget in zodanige mate niet voor de inkoop van zorg ten behoeve van die verzekerde zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van die verzekerde tot gevolg zal hebben;
f. met ingang van de dag waarop het indicatiebesluit ten nadele van de verzekerde wordt herzien als gevolg van bezwaar of beroep.
2.
De verleningsbeschikking kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a. met ingang van de dag waarop de verzekerde de bij of krachtens artikel 2.6.9 opgelegde overige verplichtingen niet nakomt;
b. met ingang van de dag waarop de verzekerde, of, indien de verzekerde jonger is dan achttien jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard;
c. met ingang van de dag waarop ten aanzien van de verzekerde of, indien de verzekerde jonger is dan achttien jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
d. met ingang van de dag waarop de verzekerde blijkens de basisregistratie personen niet beschikt over een woonadres.
1.
Bij de verantwoording over de eerste helft van het kalenderjaar als bedoeld in artikel 2.6.9, achtste lid, onderdeel b, besluit het zorgkantoor binnen zes weken na ontvangst van de desbetreffende verantwoording of het voorschot is gebruikt voor betalingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van laatstgenoemd artikel. Het zorgkantoor kan in dat besluit het voorbehoud maken dat het opvragen van de in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel d, bedoelde documenten tot een ander oordeel kan leiden.
2.
Na afloop van iedere subsidieperiode wordt de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.
3.
Een bij het zorgkantoor ingediend verantwoordingsformulier over de laatste verantwoordingsperiode zoals bedoeld in artikel 2.6.9, achtste lid, dient als aanvraag tot subsidievaststelling.
4.
Het zorgkantoor stelt het netto persoonsgebonden budget binnen zes weken na de aanvraag tot subsidievaststelling vast.
5.
Het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op de som van:
a. 1,5% van het voor het kalenderjaar beschikbare netto persoonsgebonden budget, maar ten minste op € 250 en ten hoogste op € 1250, en
b. het restant van het voor het kalenderjaar beschikbare netto persoonsgebonden budget:
1°. voor zover er betalingen mee zijn verricht met inachtneming van artikel 2.6.9,
2°. voor zover deze betalingen betrekking hebben op kosten die niet hoger zijn dan:
hetzij € 63 per uur of € 58 per dagdeel, hetzij een door de Nederlandse Zorgautoriteit op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg voor de desbetreffende zorg vastgesteld hoger tarief;
voor zover het bemiddelingskosten betreft, € 250 per jaar indien het verleende bruto persoonsgebonden budget op jaarbasis € 25.000 of minder bedraagt en € 500 per jaar indien het verleende bruto persoonsgebonden budget op jaarbasis meer dan € 25.000 bedraagt, en;
3°. voor zover het aantal door de zorgverlener voor de verzekerde gewerkte uren niet afwijkt van het Arbeidstijdenbesluit dan wel artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel i.
6.
In afwijking van het vijfde lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, is een tarief van ten hoogste € 20 per uur, € 20 per dagdeel of, indien het kortdurend verblijf betreft, € 30 per etmaal van toepassing, tenzij het een bestaande budgethouder betreft of de verzekerde kan aantonen dat de zorg is verleend door:
1°. een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdelen a, c, d of e, van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet , geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel j of k;
2°. een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet , geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel j of k, en die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel waaraan een geldige beschikking als bedoeld in artikel 3.156 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is afgegeven;
3°. een persoon die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel j of k.
7.
Het zesde lid, onderdeel b, subonderdeel 2 o en 3 o , is niet van toepassing indien de zorgverlener een bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad is van de verzekerde.
8.
Indien de verzekerde geen betalingen heeft gedaan als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel a, dan wordt de subsidie, in afwijking van het vijfde lid, vastgesteld op nihil.
9.
Indien een subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1 januari van een kalenderjaar aanvangt of op een andere dag dan 31 december eindigt, worden de bedragen, genoemd in het vijfde lid, voor dat kalenderjaar vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal dagen van de subsidieperiode in het desbetreffende kalenderjaar en de noemer uit het aantal dagen in dat kalenderjaar.
1.
Het zorgkantoor voert haar controle- en incassowerkzaamheden uit op basis van door het Zorginstituut op te stellen protocollen.
2.
Het Zorginstituut bepaalt welke gegevens de zorgkantoren bij de uitvoering van deze paragraaf registreren.
3.
Het zorgkantoor bewaart de in het tweede lid bedoelde gegevens gedurende ten minste vijf jaar.
1.
De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak voorbereidingen te treffen voor de goede uitvoering van de wettelijke voorschriften waarvan is voorzien dat deze op 1 januari 2015 van toepassing zijn op het met medewerking van de Sociale verzekeringsbank verstrekken van persoonsgebonden budgetten voor het verkrijgen van langdurige zorg.
2.
Voor de goede uitvoering van de wettelijke voorschriften waarvan is voorzien dat deze op 1 januari 2015 van toepassing zijn op het persoonsgebonden budget, kunnen het zorgkantoor en de Sociale verzekeringsbank een schriftelijke overeenkomst van de verzekerde met de zorgverlener of zorgverlenende instantie goedkeuren.
3.
Door het zorgkantoor kan de goedkeuring slechts worden gegeven, indien:
a. de overeenkomst ten minste de volgende elementen bevat:
1°. de wijze waarop de zorgverlener voorziet in de behoefte aan zorg van de verzekerde;
2°. het beding dat declaraties voor verleende zorg niet worden betaald indien zij niet binnen zes weken na de maand waarin de zorg is verleend bij de verzekerde zijn ingediend,
3°. de verplichting dat een declaratie van een zorgverlener een overzicht bevat van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren, het burgerservicenummer en de naam van de zorgverlener, en door de zorgverlener wordt ondertekend,
4°. de verplichting dat een declaratie van een zorgverlenende instantie het nummer bevat waarmee die instantie staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het tarief, het aantal te betalen uren, dagdelen of etmalen, en de naam en het adres van de zorgverlenende instantie, en dat het namens de zorgverlenende instantie wordt ondertekend, en
b. uit de omschrijving van de wijze waarop de zorgverlener voorziet in de behoefte aan zorg van de verzekerde, blijkt dat de overeenkomst strekt tot de inkoop van persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, huishoudelijke hulp en vervoer naar een plaats waar de verzekerde gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt, of tot inkoop van kortdurend verblijf bij een instelling.
4.
Door de Sociale verzekeringsbank kan de goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van een goede uitvoering van het persoonsgebonden budget door de Sociale verzekeringsbank.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene subsidiebepalingen
- Hoofdstuk II. Specifieke subsidies
+ Hoofdstuk III. Slot- en overgangsbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht