Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2015. U leest nu de tekst die gold op -.

Artikel 2.6.4 Regeling subsidies AWBZ

Uitgebreide informatie
1.
Het zorgkantoor weigert verlening van een netto persoonsgebonden budget indien:
a. de verzekerde geen volledig ingevuld budgetplan heeft overgelegd volgens het door het Zorginstituut vastgestelde model;
b. de verzekerde weigert het budgetplan desgevraagd met het zorgkantoor te bespreken of, na voor zulk een gesprek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;
c. de verzekerde het door het zorgkantoor vastgestelde aanvraagformulier niet volledig en juist heeft ingevuld;
d. de verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen, anders dan terzake van kortdurend verblijf, in een instelling als bedoeld in de AWBZ of de Zorgverzekeringswet zal verblijven;
e. de verzekerde op grond van een wettelijk voorschrift, anders dan de AWBZ , recht heeft op de zorg waarop hij blijkens het indicatiebesluit is aangewezen of op een gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten daarvan;
f. het zorgkantoor, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige verzekerde aangevraagd budget in zodanige mate niet voor de inkoop van zorg ten behoeve van die verzekerde zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van die verzekerde tot gevolg zal hebben;
g. binnen de maximale subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2, derde lid, rekening houdend met een reservering ten behoeve van de uitvoering van het derde lid, geen ruimte voor verlening van een persoonsgebonden budget aanwezig is;
h. de verzekerde, of, indien de verzekerde jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is; verklaard;
i. ten aanzien van de verzekerde of, indien de verzekerde jonger is dan 18 jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
j. de verzekerde blijkens de basisregistratie personen niet beschikt over een woonadres;
k. de verzekerde het zorgkantoor geen toestemming geeft om zijn persoonsgegevens door te geven aan het CAK, genoemd in artikel 48, eerste lid, van de AWBZ, ten behoeve van de vaststelling van de op het bruto persoonsgebonden budget in mindering te brengen eigen bijdrage en, voor het geval een trekkingsrecht wordt aangevraagd, de Sociale verzekeringsbank ten behoeve van het doen van de betalingen uit en de verantwoording over het persoonsgebonden budget;
l. de verzekerde zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen;
m. de verzekerde zich, gelet op de door hem verstrekte gegevens of bescheiden, kennelijk onvoldoende heeft georiënteerd op het door het zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod;
n. de verzekerde, gelet op de door hem verstrekte gegevens of bescheiden, voornemens is om het persoonsgebonden budget uitsluitend te besteden aan de inkoop van zorg bij door het zorgkantoor gecontracteerde zorgverleners;
o. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor niet in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, gemachtigde of zaakwaarnemer de aan een persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren;
p. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor niet in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, gemachtigde of zaakwaarnemer de door hem verkozen zorgverlener of zorgverlenende instantie op zodanige wijze aan te sturen en hun werkzaamheden op elkaar af te stemmen, dat sprake is of zal zijn van verantwoorde zorg;
q. naar het oordeel van het zorgkantoor onvoldoende aannemelijk is dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit.
2.
Het eerste lid, onderdelen a, b, c, g, m en n is niet van toepassing op een bestaande budgethouder.
3.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, kan het zorgkantoor een persoonsgebonden budget verlenen voor begeleiding groep indien de verzekerde verblijft in een instelling waar de dagbesteding geen onderdeel vormt van het door het zorgkantoor gecontracteerde verblijf.
4.
Bij de uitvoering van het eerste lid, onderdeel g, gaat het zorgkantoor uit van de ontvangstdatum van het in artikel 2.6.3b, eerste lid, bedoelde aanvraagformulier of indien het aanvraagformulier is ontvangen voor de datum van het indicatiebesluit, de datum van het indicatiebesluit.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene subsidiebepalingen
- Hoofdstuk II. Specifieke subsidies
+ Hoofdstuk III. Slot- en overgangsbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht