Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2013. U leest nu de tekst die gold op -.

Politiewet 1993

Uitgebreide informatie
1.
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie stellen ten minste eenmaal in de vier jaar de hoofdlijnen vast met betrekking tot het te voeren beleid ten aanzien van de taakuitvoering van de politie en het te voeren beheer van de politie voor de eerstkomende vier jaar.
2.
Zodra de hoofdlijnen, bedoeld in het eerste lid, zijn vastgesteld, doen Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie hiervan mededeling door overlegging ervan aan de Staten-Generaal en door toezending ervan aan de regionale colleges, de korpsbeheerders, het College van procureurs-generaal, de hoofdofficieren van justitie en de korpschefs.
1.
Op basis en binnen het kader van de hoofdlijnen, bedoeld in artikel 43a, eerste lid, stellen Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie, met inachtneming van de omstandigheden van de betrokken regio, ten minste eenmaal in de vier jaar voor iedere regio landelijke doelstellingen vast ter verwezenlijking van voornoemde hoofdlijnen.
2.
Alvorens de doelstellingen worden vastgesteld, stellen Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daarvan een ontwerp op. Voor zover het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie, wint Onze Minister van Justitie vooraf het advies in van het College van procureurs-generaal. De betrokken korpsbeheerder wordt in de gelegenheid gesteld omtrent dit ontwerp aan Onze Ministers advies uit te brengen, in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie en na overleg met het regionale college.
3.
In het beleidsplan, bedoeld in artikel 31, wordt aangegeven op welke wijze wordt beoogd de doelstellingen te verwezenlijken.
4.
De resultaten die in het voorafgaande jaar zijn behaald met de verwezenlijking van de doelstellingen, maken deel uit van het jaarverslag, bedoeld in artikel 31.
5.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie bij ministeriële regeling regels over de uitvoering van het tweede, derde en vierde lid.
Artikel 43c
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie voeren periodiek overleg met de korpsbeheerders en de hoofdofficieren van justitie over de verwezenlijking van de hoofdlijnen, bedoeld in artikel 43a, eerste lid, en de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b.
Artikel 43d
Onverminderd de zeggenschap van het bevoegd gezag legt de korpsbeheerder over de verwezenlijking van de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b, door het regionale politiekorps verantwoording af aan Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie.
1.
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie doen periodiek onderzoek naar de verwezenlijking van de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b.
2.
De korpsbeheerder verstrekt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties alle informatie over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de verwezenlijking van de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie kunnen hierover nadere regels worden gegeven.
Artikel 43f
Indien aannemelijk is dat de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b, niet of in onvoldoende mate zijn of worden verwezenlijkt, kunnen Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie na overleg met de korpsbeheerder een bijzonder onderzoek doen instellen bij een regionaal politiekorps door een door Onze Ministers aan te wijzen deskundige. De deskundige rapporteert aan Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie.
Artikel 43g
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan ten aanzien van de uitvoering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b, de nodige aanwijzingen geven aan de korpsbeheerder, indien naar het oordeel van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie de doelstellingen niet of in onvoldoende mate zijn of worden verwezenlijkt. Indien de doelstellingen betrekking hebben op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie, worden de aanwijzingen gegeven in overeenstemming met Onze Minister van Justitie. De aanwijzingen worden schriftelijk gegeven en na overleg met de korpsbeheerder. De korpsbeheerder brengt, voorzover nodig, de stukken, bedoeld in artikel 31, eerste lid, in overeenstemming met de aanwijzingen.
1.
Met het oog op de kosten van de politie worden jaarlijks door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de regio’s bijdragen beschikbaar gesteld.
2.
Indien blijkt dat voor een regio de middelen aanmerkelijk tekort zullen schieten om in de noodzakelijke behoeften te voorzien, kan door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de regio een aanvullende bijdrage beschikbaar worden gesteld.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Financiën worden regels gegeven over de wijze waarop het eerste en tweede lid worden uitgevoerd.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden regels gegeven over het beheer van de regionale politiekorpsen.
2.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt de maximale formatie van de leiding van de regionale politiekorpsen vast.
3.
De betrokken korpsbeheerders verstrekken aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties alle informatie over het beheer van de regionale politiekorpsen, die hij nodig heeft. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden ter zake nadere regels gegeven.
4.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties houdt toezicht op het financiële beheer van de regionale politiekorpsen. De artikelen 203, 205 tot en met 211 van de Gemeentewet zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden over deze toepassing nadere, zo nodig afwijkende regels gegeven.
5.
In aanvulling op artikel 203 van de Gemeentewet, kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, bepalen dat de begroting of het beleidsplan voor het regionale politiekorps alsmede de daarop betrekking hebbende wijzigingen goedkeuring behoeven, indien niet aannemelijk is dat voldoende waarborgen bestaan dat de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b, door het regionale politiekorps zullen worden verwezenlijkt.
6.
In aanvulling op artikel 206 van de Gemeentewet kan goedkeuring aan de begroting of het beleidsplan door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, worden onthouden, indien onvoldoende waarborgen bestaan dat de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b, door het regionale politiekorps zullen worden verwezenlijkt.
7.
Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden regels gegeven betreffende het vermogen van de regio’s. Indien een regio niet voldoet aan deze regels kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten tot vermindering van de bijdragen die aan de desbetreffende regio op grond van artikel 44, eerste lid, beschikbaar worden gesteld.
8.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden regels gegeven over de zorg voor en de bewaring van de archiefbescheiden van de regio. Artikel 32, tweede lid, van de Archiefwet 1995 en de artikelen 124, 124a en 124c tot en met 124i van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de archiefbewaarplaats van de gemeente waar de regio haar zetel heeft, mede is bestemd voor de bewaring van de archiefbescheiden van de regio.
1.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels geven over de samenwerking tussen regionale politiekorpsen of tussen regionale politiekorpsen en het Korps landelijke politiediensten.
2.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan in overeenstemming met Onze Minister van Defensie regels geven over de samenwerking van de regionale politiekorpsen of het Korps landelijke politiediensten met de Koninklijke marechaussee.
3.
Indien de regels, bedoeld in het eerste en tweede lid, voorschriften bevatten die ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie moeten worden gesteld, worden zij gegeven door Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie gezamenlijk, onderscheidenlijk door Onze voornoemde Ministers en Onze Minister van Defensie gezamenlijk.
4.
Alvorens de regels, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden gegeven, kunnen de korpsbeheerders worden gehoord.
1.
Regio's, dan wel regio's tezamen met het Rijk ten behoeve van het Korps landelijke politiediensten, kunnen een voorziening tot samenwerking treffen ter bevordering van een doelmatig beheer van de politie. Een voorziening tot samenwerking wordt voor de regio die het aangaat getroffen door de korpsbeheerder na instemming van het regionale college en voor het Rijk door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2.
Aan een voorziening tot samenwerking kunnen tevens deelnemen het Rijk, vertegenwoordigd door Onze Minister die het aangaat ten behoeve van de onder hem ressorterende diensten, of andere rechtspersonen voor zover die diensten of rechtspersonen een publiekrechtelijke taak uitoefenen op het terrein van politie, justitie of veiligheid en hun deelname van belang is voor de samenwerking tussen de politie en die diensten of rechtspersonen.
3.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regio's tot deelname aan een voorziening tot samenwerking verplichten indien een zwaarwegend belang van het beheer van de politie dit vereist.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden regels gegeven over:
a. de totstandkoming, inrichting en bekendmaking van en de informatieverstrekking over een voorziening tot samenwerking en
b. de toepassing van het derde lid.
5.
Onder het treffen van een voorziening tot samenwerking wordt tevens verstaan het wijzigen of opheffen van dan wel het toetreden tot of uittreden uit die voorziening.
1.
Bij een voorziening tot samenwerking als bedoeld in artikel 47 kan, onverminderd de zeggenschap van het bevoegd gezag, een publiekrechtelijke rechtspersoon worden ingesteld indien dit vanwege de aard van de samenwerking aangewezen moet worden geacht.
2.
Een voorziening tot samenwerking waarbij een publiekrechtelijke rechtspersoon wordt ingesteld, alsmede de wijziging of opheffing van dan wel de toetreding tot of uittreding uit die voorziening, behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van het beheer van of de taakuitvoering door de politie.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde rechtspersonen regels gegeven over:
a. de taken, bevoegdheden, inrichting, informatiebeveiliging, financiële middelen en de bewaring en het beheer van archiefbescheiden van de rechtspersoon;
b. de taken, bevoegdheden, werkwijze, benoeming en samenstelling van en de verantwoording en informatieverstrekking door de organen van de rechtspersoon, en
c. het verlenen van medewerking door de deelnemers aan de voorziening tot samenwerking aan de uitvoering van besluiten van het bestuur van de rechtspersoon en het ten laste van die deelnemers uitvoeren of doen uitvoeren van besluiten.
4.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan aan het bestuur van een krachtens het eerste lid ingestelde rechtspersoon aanwijzingen geven, indien het belang van het beheer van de politie dan wel de samenwerking van de politie met andere organisaties met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of veiligheid dit vereist. De aanwijzingen worden schriftelijk gegeven en na overleg met het bestuur.
5.
Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan worden bepaald dat bij dat besluit aan te wijzen ambtenaren van politie, die op de dag voorafgaand aan de datum waarop krachtens het eerste lid een rechtspersoon is ingesteld in dienst zijn van een regio of het Rijk, op de datum van instelling van rechtswege overgaan naar die rechtspersoon.
6.
De regels gesteld bij of krachtens de artikelen 45, vierde lid, 50 en 53c zijn van overeenkomstige toepassing op een krachtens het eerste lid ingestelde rechtspersoon, onderscheidenlijk het personeel dan wel het bestuur daarvan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen over deze toepassing nadere regels worden gegeven.
1.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels geven over de informatie- en communicatievoorzieningen van en het gebruik daarvan door de politie, alsmede over de informatiebeveiliging door de politie. Voor zover deze regels van belang zijn voor de uitvoering van de politietaken bedoeld in artikel 6 kunnen zij, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, mede worden gegeven ten aanzien van de Koninklijke marechaussee.
2.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan de politiekorpsen frequenties toewijzen voor de overdracht van gegevens door middel van daartoe aangewezen informatie- en communicatievoorzieningen.
1.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan bij ministeriële regeling eisen stellen aan bekwaamheid van de ambtenaren van politie.
2.
Indien de aard van de werkzaamheden van de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie specifieke vaardigheid of kennis vereist, kunnen Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie bij ministeriële regeling eisen vaststellen waaraan de met die werkzaamheden belaste ambtenaren van politie moeten voldoen.
1.
Het regionale politiekorps registreert gegevens voor door Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te bepalen doeleinden en door hen te bepalen categorieën dan wel in door hen aan te wijzen wettelijk geregelde registers en verstrekt deze gegevens aan door hen aan te wijzen personen en instanties, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wet politiegegevens .
2.
Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen bepalen dat in door hen aan te wijzen registers geen andere dan de in het eerste lid bedoelde gegevens worden geregistreerd en dat door hen aan te wijzen categorieën van gegevens in geen andere dan door hen aan te wijzen registers worden geregistreerd.
3.
Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen regels geven over de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden geregistreerd, verwijderd dan wel verstrekt en op welke wijze bestandsvergelijking met die gegevens plaatsvindt.
4.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan ter uitvoering van het derde lid nadere regels geven over de schrijfwijze, classificatie of codering van gegevens en de samenstelling van de gegevens in de vorm van berichten.
1.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geeft bij ministeriële regeling regels over de bewapening, de uitrusting en de kleding van de politie.
2.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie eisen vast waaraan de bewapening van de politie in verband met de taakuitvoering moet voldoen.
Artikel 49a
De opleidingen voor ambtenaren van politie worden verzorgd door het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden voor de politie regels gegeven over de onderwerpen, genoemd in artikel 125, eerste lid, en artikel 125quinquies, eerste lid van de Ambtenarenwet.
2.
Voor de toepassing van de Wet veiligheidsonderzoeken bij de politie wordt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangemerkt als Onze Minister, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet veiligheidsonderzoeken.
3.
De ambtenaar van politie die te goeder trouw de bij hem levende vermoedens van misstanden meldt volgens de op grond van het eerste lid vast te stellen regels voor het omgaan met bij een ambtenaar levende vermoedens van misstanden binnen de organisatie waar hij werkzaam is, zal als gevolg van het melden van die vermoedens geen nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie ondervinden tijdens en na het volgen van die procedure.
4.
Het tot aanstelling bevoegd gezag van ambtenaren van politie,
a. voert een integriteitsbeleid dat is gericht op het bevorderen van goed ambtelijk handelen en dat in ieder geval aandacht besteedt aan het bevorderen van integriteitsbewustzijn en aan het voorkomen van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en discriminatie;
b. zorgt ervoor dat het integriteitsbeleid een vast onderdeel uitmaakt van het personeelsbeleid in ieder geval door integriteit in functioneringsgesprekken en werkoverleg aan de orde te stellen en door het aanbieden van scholing en vorming op het gebied van integriteit;
c. draagt zorg voor de totstandkoming van een gedragscode voor goed ambtelijk handelen;
d. stelt in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast op welke wijze jaarlijks verantwoording wordt afgelegd over het gevoerde integriteitsbeleid en over de naleving van de gedragscode.
Artikel 51
Bij algemene maatregel van bestuur worden op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels gegeven over de rangen van de politie.
Artikel 52
Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt bepaald welke andere ambtenaren van politie dan die bedoeld in de artikelen 25, eerste en derde lid, en 42 worden benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit.
1.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan aan een korpsbeheerder de nodige aanwijzingen ten aanzien van het beheer geven, indien het belang van het beheer van de politie dit eist. De aanwijzingen worden schriftelijk gegeven en na overleg met de korpsbeheerder.
2.
Onverminderd het eerste lid, en de artikelen 46, 47 en 47a, kunnen in bijzondere gevallen waarin onverwijld een voorziening moet worden getroffen betreffende de samenwerking tussen regionale politiekorpsen of de samenwerking tussen regionale politiekorpsen en het Korps landelijke politiediensten ten aanzien van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie, aanwijzingen worden gegeven door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
1.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft met het oog op een goede taakuitvoering door de politie en een doelmatig en effectief beheer van de politiekorpsen de bevoegdheid tot:
a. het toetsen van de wijze waarop de beheerders van de politiekorpsen voorzien in de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van de politie;
b. het toetsen van specifieke onderdelen van de taakuitvoering dan wel het beheer van de politie;
c. het verrichten van onderzoek, indien daar in bijzondere gevallen reden toe is, naar ingrijpende gebeurtenissen waarbij de politie betrokken is, tenzij de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in artikel 2 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, naar het desbetreffende voorval een onderzoek instelt;
d. het verrichten van onderzoek, indien in andere bijzondere gevallen dan die, bedoeld onder c, dit nodig wordt geoordeeld, tenzij de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in artikel 2 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, naar het desbetreffende voorval een onderzoek instelt;
e. het toezicht op de kwaliteit van de politieopleidingen en de examinering.
2.
De werkzaamheden die in het kader van het eerste lid, onder a en b, worden uitgevoerd, worden jaarlijks door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie vastgesteld.
3.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties oefent de bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, onder c, en die, genoemd in het eerste lid, onder d, uit na overleg onderscheidenlijk in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
4.
De bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, onder c, en die, genoemd in het eerste lid, onder d, komen eveneens toe aan onze Minister van Justitie, indien de ingrijpende gebeurtenissen onderscheidenlijk de andere bijzondere gevallen betrekking hebben op de taakuitvoering door de politie in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel de taken ten dienste van de justitie. Hij oefent de bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, onder c, en die, genoemd in het eerste lid, onder d, uit na overleg onderscheidenlijk in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
5.
De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bedoeld in artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s, is belast met de werkzaamheden die in het kader van het eerste en het vierde lid worden uitgevoerd.
6.
De beheerders van de politiekorpsen verlenen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties respectievelijk Onze Minister van Justitie de door deze verlangde ondersteuning bij de uitvoering van de werkzaamheden in het kader van het eerste lid.
Artikel 53c
De beheerders van de politiekorpsen verstrekken aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties alle informatie over de wijze waarop zij zorg dragen voor de kwaliteit van hun taakuitvoering, de resultaten en het beheer van de politiekorpsen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voorzover het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie betreft in overeenstemming met Onze Minister van Justitie kunnen regels worden gegeven over het in de vorige volzin bepaalde, alsmede over de wijze waarop de beheerders van politiekorpsen zorg dragen voor de kwaliteit van hun taakuitvoering, de resultaten en het beheer van de politiekorpsen.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk II. Taak en samenstelling van de politie
+ Hoofdstuk III. Bevoegdheden van de politie
+ Hoofdstuk IV. Gezag en toezicht over de politie
+ Hoofdstuk V. De regionale politiekorpsen
+ Hoofdstuk VI. Het Korps landelijke politiediensten
+ Hoofdstuk VII. Bijzondere ambtenaren van politie
- Hoofdstuk VIII. Beleids- en beheersbevoegdheden, inspectiefunctie en kwaliteitszorg op rijksniveau
+ Hoofdstuk IX. Bijstand aan de politie
+ Hoofdstuk IXa. Bijstand aan de koninklijke marechaussee
+ Hoofdstuk X. De behandeling van klachten
+ Hoofdstuk XI. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht