Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2013. U leest nu de tekst die gold op -.

Politiewet 1993

Uitgebreide informatie
1.
Het Nederlandse grondgebied is verdeeld in 25 regio’s overeenkomstig de bij deze wet behorende bijlage . Deze bijlage kan, voor zover het de grenzen van de regio’s en de naamgeving van de daarin voorkomende gemeenten betreft, bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden gewijzigd. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen regels worden gegeven over de overgang van personeel, vermogensrechten, rechtsgedingen of andere rechten en verplichtingen, alsmede over de overgang van archieven indien een wijziging van de grenzen van de regio’s daartoe aanleiding geeft.
2.
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, treedt niet eerder in werking dan drie maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onverwijld mededeling gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal onder overlegging van de over het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur uitgebrachte adviezen.
3.
In elke regio is een regionaal politiekorps.
4.
De regio is rechtspersoon.
5.
De regio heeft haar zetel in de gemeente die in de bijlage , genoemd in het eerste lid, als zodanig voor elke regio is aangewezen.
1.
De regio wordt bestuurd door het regionale college overeenkomstig de artikelen 30 en 31.
2.
Het regionale college bestaat uit de burgemeesters van de gemeenten in de regio en de hoofdofficier van justitie. Aan de vergaderingen van het regionale college wordt tevens deelgenomen door de korpschef.
3.
Voorzitter van het regionale college is de korpsbeheerder. Hij vertegenwoordigt de regio in en buiten rechte.
4.
Op de burgemeesters, bedoeld in het tweede lid, is artikel 180 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
1.
In elke regio is een korpsbeheerder die bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gehoord het regionale college, wordt benoemd en herbenoemd uit de burgemeesters van de gemeenten in de regio voor een periode van zes jaar.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de bij de benoeming te volgen procedure.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden regels gegeven omtrent de rechtspositie van de korpsbeheerder.
4.
Het regionale college wijst in overeenstemming met de korpsbeheerder een burgemeester van een gemeente in de regio aan die de korpsbeheerder bij afwezigheid, belet of ontstentenis vervangt.
5.
De korpsbeheerder kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden geschorst en ontslagen, in ieder geval als de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b, niet of in onvoldoende mate zijn of worden verwezenlijkt.
6.
In geval van schorsing of ontslag van de korpsbeheerder kan in bijzondere omstandigheden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een waarnemend korpsbeheerder worden benoemd voor wie niet de vereisten gelden, bedoeld in het eerste lid.
7.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vraagt ter zake van de benoeming, de herbenoeming, de schorsing en het ontslag van de korpsbeheerder, alsmede omtrent de benoeming van een waarnemend korpsbeheerder, advies aan de commissaris van de Koning, die volgens bij de ambtsinstructie, bedoeld in artikel 182 van de Provinciewet, gegeven regels advies uitbrengt, en, door tussenkomst van Onze Minister van Justitie, aan het College van procureurs-generaal.
1.
Het beheer van het regionale politiekorps berust bij de korpsbeheerder, die daartoe wordt bijgestaan door de korpschef.
2.
De dagelijkse leiding van het regionale politiekorps berust bij de korpschef.
3.
De korpsbeheerder stelt in een instructie nadere regels vast met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de korpschef.
1.
De korpschef en het lid van de leiding dat in het bijzonder verantwoordelijk is voor de recherchefunctie, worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
2.
De korpsbeheerder stelt voor de benoeming tot korpschef en het lid van de leiding dat in het bijzonder verantwoordelijk is voor de recherchefunctie, een aanbeveling op, gehoord de hoofdofficier van justitie en het regionale college. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vraagt ter zake advies aan de commissaris van de Koning, die volgens bij de ambtsinstructie, bedoeld in artikel 182 van de Provinciewet, gegeven regels advies uitbrengt, en, door tussenkomst van Onze Minister van Justitie, aan het College van procureurs-generaal.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt bepaald welke andere ambtenaren die deel uitmaken van de leiding van het regionale politiekorps, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden benoemd, geschorst of ontslagen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26
Onverminderd de artikelen 25 en 52 worden de ambtenaren van het regionale politiekorps benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen door de korpsbeheerder.
1.
De korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie overleggen regelmatig tezamen met de korpschef.
2.
Het in het eerste lid bedoelde overleg vindt in elk geval plaats over:
a. het ontwerp van de organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening, het beleidsplan en het jaarverslag voor het regionale politiekorps;
b. de uitvoering van het beleidsplan en de verwezenlijking van de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b.
3.
De korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie, alsmede de korpschef, verschaffen elkaar de gewenste inlichtingen.
1.
De korpsbeheerder stelt in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie en met inachtneming van artikel 43b, derde en vierde lid, tenminste eenmaal in de vier jaar het ontwerp van het beleidsplan en jaarlijks het ontwerp van de organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag voor het regionale politiekorps op. Voorafgaand aan het opstellen van het ontwerp van het beleidsplan, bedoeld in de eerste volzin, worden de gemeenteraden in de regio gehoord over de lokale prioriteiten in hun gemeenten.
2.
De in het eerste lid bedoelde stukken worden onverwijld ter kennis gebracht van de gemeenteraden in de regio, de commissaris van de Koning en het College van procureurs-generaal en ter vaststelling toegezonden aan het regionale college.
Artikel 29
Indien de korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen over de in artikel 28, eerste en tweede lid, bedoelde stukken, legt de korpsbeheerder dit verschil van zienswijze schriftelijk voor aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die alsdan, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, beslist. De korpsbeheerder brengt de stukken in overeenstemming met de beslissing van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1.
Onverminderd artikel 43d, legt de korpsbeheerder over het door hem gevoerde beheer van het regionale politiekorps verantwoording af aan het regionale college.
2.
De korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie, alsmede, indien daartoe door de korpsbeheerder uitgenodigd, de korpschef, geven, zo nodig vertrouwelijk, mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van het regionale college gevraagde inlichtingen.
1.
Het regionale college stelt tenminste eenmaal in de vier jaar het beleidsplan en jaarlijks de organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening, en het jaarverslag voor het regionale politiekorps vast. Onverminderd de zeggenschap van het bevoegd gezag is de korpsbeheerder eindverantwoordelijk voor de uitvoering van het beleidsplan.
2.
Zodra het beleidsplan en het jaarverslag, bedoeld in het eerste lid, zijn vastgesteld, zendt de korpsbeheerder deze aan Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie alsmede aan de gemeenteraden in de regio, de commissaris van de Koning en het College van procureurs-generaal.
1.
De korpsbeheerder, dan wel de hoofdofficier van justitie kan tegen de vaststelling van de stukken, bedoeld in artikel 31, eerste lid,, administratief beroep instellen bij de commissaris van de Koning. Deze beslist in overeenstemming met het College van procureurs-generaal op het beroep. De korpsbeheerder brengt de stukken in overeenstemming met het besluit van de commissaris van de Koning.
2.
Indien de commissaris van de Koning en het College van procureurs-generaal niet tot overeenstemming komen over de beslissing op het beroep, treden Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Justitie in de plaats van de commissaris van de Koning, respectievelijk het College van procureurs-generaal. De korpsbeheerder brengt de stukken in overeenstemming met het besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3.
Bij de ambtsinstructie, bedoeld in artikel 182 van de Provinciewet, worden nadere regels gegeven over de taken van de commissaris van de Koning, bedoeld in het eerste en tweede lid.
4.
Artikel 7:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing voor zover het het beroepsorgaan verplicht een nieuw besluit te nemen.
5.
In spoedeisende gevallen kan de korpsbeheerder, in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie, zolang niet op het beroep is beslist, een voorlopige voorziening treffen, waarbij zo nodig wordt afgeweken van het besluit van het regionale college. Deze voorziening komt te vervallen zodra de stukken in overeenstemming zijn gebracht met het besluit van de commissaris van de Koning onderscheidenlijk Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Van de inhoud van de voorlopige voorziening wordt onverwijld aan het regionale college kennis gegeven.
1.
Het regionale college stelt regels vast over zijn werkwijze.
2.
De in het eerste lid bedoelde regels bepalen in elk geval de minimum-termijn waarop de vergaderingen van het regionale college worden uitgeschreven en het vereiste aantal leden dat aanwezig moet zijn om rechtsgeldig besluiten te nemen, alsmede de gevallen waarin de besluitvorming schriftelijk dan wel mondeling geschiedt.
3.
Bij het staken van de stemmen in het college geeft die van de korpsbeheerder de doorslag.
1.
De vergaderingen van het regionale college zijn openbaar. De voorzitter is bevoegd de deuren te sluiten, indien dit uit een oogpunt van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of op gronden, ontleend aan het algemeen belang, wenselijk wordt geacht.
2.
De besluiten van het college en de verslagen van de vergaderingen van het regionale college worden ter kennis gebracht van de gemeenteraden in de regio.
3.
Indien een gemeenteraad van oordeel is, dat een besluit van het regionale college op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in zijn gemeente, kan de gemeenteraad tegen dat besluit administratief beroep instellen bij de commissaris van de Koning. Het beroepschrift wordt ingediend door tussenkomst van de korpsbeheerder. Artikel 32, eerste lid, tweede en derde volzin, alsmede het tweede en derde lid van dat artikel zijn alsdan van toepassing. Het in het eerste en tweede lid van artikel 32 bedoelde besluit bepaalt het tijdstip waarop het besluit van het regionale college uiterlijk moet zijn aangepast.
1.
Het regionale politiekorps bestaat uit functionele en territoriale onderdelen. De territoriale onderdelen kunnen een of meer gemeenten in de regio omvatten; zij kunnen ook delen van gemeenten omvatten.
2.
De grenzen van de territoriale onderdelen worden bepaald door het regionale college op voorstel van de korpsbeheerder, in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie, de betrokken burgemeesters gehoord. Indien het territoriale onderdeel twee of meer gemeenten omvat, dan wel afwijkt van de gemeentegrenzen in de regio, dienen de betrokken burgemeesters hiermede in te stemmen. Voor zover de betrokken burgemeesters niet instemmen met het besluit van het regionale college, kunnen zij daartegen administratief beroep instellen bij de commissaris van de Koning. Het beroepschrift wordt ingediend door tussenkomst van de korpsbeheerder. Artikel 32, eerste lid, tweede en derde volzin, alsmede het tweede en derde lid van dat artikel zijn alsdan van toepassing.
3.
Het hoofd van een territoriaal onderdeel wordt aangewezen door de korpsbeheerder in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie en na verkregen instemming van de burgemeester of - bij een onderdeel dat meer gemeenten of delen van gemeenten omvat - de burgemeesters van de betrokken gemeenten.
1.
Plaatsing van ambtenaren van politie bij een territoriaal onderdeel geschiedt niet dan na overleg met de burgemeester. Indien de taakvervulling van een ambtenaar van politie dit naar het oordeel van de burgemeester of - bij een onderdeel dat meer gemeenten of delen van gemeenten omvat - van de burgemeesters van de betrokken gemeenten noodzakelijk maakt, draagt de korpsbeheerder voor vervanging zorg.
2.
Plaatsing bij een functioneel of territoriaal onderdeel van ambtenaren van politie die uitsluitend of in hoofdzaak belast zijn met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel het verrichten van taken ten dienste van de justitie, geschiedt niet dan na overleg met de hoofdofficier van justitie. Indien de taakvervulling van een zodanige ambtenaar van politie dit naar het oordeel van de hoofdofficier van justitie noodzakelijk maakt, draagt de korpsbeheerder voor vervanging zorg.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk II. Taak en samenstelling van de politie
+ Hoofdstuk III. Bevoegdheden van de politie
+ Hoofdstuk IV. Gezag en toezicht over de politie
- Hoofdstuk V. De regionale politiekorpsen
+ Hoofdstuk VI. Het Korps landelijke politiediensten
+ Hoofdstuk VII. Bijzondere ambtenaren van politie
+ Hoofdstuk VIII. Beleids- en beheersbevoegdheden, inspectiefunctie en kwaliteitszorg op rijksniveau
+ Hoofdstuk IX. Bijstand aan de politie
+ Hoofdstuk IXa. Bijstand aan de koninklijke marechaussee
+ Hoofdstuk X. De behandeling van klachten
+ Hoofdstuk XI. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht