1.
Bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor nationale paspoorten, reisdocumenten voor vluchtelingen en reisdocumenten voor vreemdelingen, zijn:
a. in het Europese deel van Nederland: de burgemeester, voor zover het personen betreft die als ingezetene in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, alsmede de burgemeester van een bij algemene maatregel van rijksbestuur aangewezen gemeente, voor zover het aanvragers betreft die niet als ingezetene in de basisregistratie personen zijn ingeschreven;
b. in Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de Gouverneur en, voor zover het personen betreft die in de bevolkingsadministratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn opgenomen, de door de Gouverneur na overleg met Onze Minister daartoe aangewezen autoriteiten;
c. in een openbaar lichaam: de gezaghebber, voor zover het personen betreft die in de bevolkingsadministratie van het openbaar lichaam zijn opgenomen, en in bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen gevallen;
d. in het buitenland: Onze Minister van Buitenlandse Zaken, voor zover het personen betreft die zich buiten het Koninkrijk bevinden;
e. in bijzondere door Onze Minister te bepalen gevallen: Onze Minister en de door hem onderscheidenlijk de door de Gouverneur na overleg met Onze Minister daartoe aangewezen autoriteiten.
2.
Bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor diplomatieke paspoorten en voor dienstpaspoorten is Onze Minister van Buitenlandse Zaken.
3.
Bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor reisdocumenten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f en g, zijn Onze Minister en de door hem daartoe aangewezen autoriteiten, de Gouverneur en de door hem na overleg met Onze Minister daartoe aangewezen autoriteiten en in het buitenland Onze Minister van Buitenlandse Zaken voor zover het personen betreft die zich buiten het Koninkrijk bevinden.
4.
Bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor Nederlandse identiteitskaarten zijn de in het eerste lid onder a, d en e bedoelde autoriteiten.
1.
Een reisdocument wordt slechts verstrekt, nadat een aanvraag is ingediend bij de krachtens artikel 26 bevoegde autoriteit. Deze draagt zorg dat een aanvraag volgens door Onze Minister te stellen regelen op schrift wordt gesteld.
2.
Een aanvraag ingediend bij een krachtens artikel 26 bevoegde autoriteit in een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint Maarten wordt slechts in behandeling genomen als is voldaan aan het bepaalde in dit hoofdstuk. De aanvrager wordt van het niet in behandeling nemen van de aanvraag terstond verwittigd.
1.
De in artikel 26 bedoelde autoriteit verschaft zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager, en indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel.
2.
De aanvrager kan worden verzocht in verband met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de nodige bewijsstukken over te leggen.
3.
De aanvrager dient persoonlijk voor de bovenbedoelde autoriteit te verschijnen, tenzij zulks om zwaarwegende redenen niet van hem kan worden gevergd en de betreffende autoriteit van oordeel is dat op andere wijze voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit, de nationaliteit en de verblijfstitel van de aanvrager.
1.
De aanvrager dient bij zijn aanvraag alle Nederlandse of buitenlandse reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld ter inzage over te leggen, ongeacht of hun geldigheidsduur is verstreken.
2.
De aanvrager die in een buitenlands reisdocument staat vermeld, doet hiervan bij zijn aanvraag mededeling.
1.
De aanvrager die houder wenst te blijven van een geldig Nederlands reisdocument naast het aangevraagde reisdocument, kan daartoe een verzoek doen aan de autoriteit die bevoegd is de aanvraag in ontvangst te nemen. Deze autoriteit beslist op het verzoek volgens nader door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken te stellen regelen.
2.
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid behoeft niet te worden gedaan, indien hetzij het aangevraagde document hetzij het geldig Nederlands document waarvan de aanvrager houder wenst te blijven, een Nederlandse identiteitskaart is.
3.
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gedaan, indien zowel het aangevraagde document als het geldig Nederlands document waarvan de aanvrager houder wenst te blijven, een Nederlandse identiteitskaart is.
1.
De aanvrager wiens eerder uitgereikt reisdocument is vermist, legt bij het indienen van zijn aanvraag een schriftelijke verklaring af omtrent de vermissing.
2.
Indien de aanvraag in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten wordt ingediend, legt de aanvrager tevens een gewaarmerkte kopie over van het proces-verbaal dat terzake van de vermissing op ambtseed is opgemaakt door een opsporingsambtenaar van de politie in Nederland, Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten.
3.
Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot de af te leggen verklaring omtrent de vermissing. Hij stelt deze regels in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, voor zover zij betrekking hebben op de verklaring omtrent de vermissing die bij een aanvraag in het buitenland moet worden afgelegd.
4.
De aanvrager wiens eerder uitgereikt reisdocument is ingenomen door een daartoe bevoegde autoriteit, legt bij het indienen van zijn aanvraag een door de desbetreffende autoriteit afgegeven schriftelijke verklaring over omtrent de inname.
1.
De aanvrager dient alle Nederlandse reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld in te leveren, tenzij artikel 30 of 31 van toepassing is.
2.
De inlevering als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden bij de uitreiking.
Artikel 33
De rechten die verschuldigd zijn of worden geheven in verband met handelingen ten behoeve van de aanvraag van een reisdocument, worden bij de indiening van de aanvraag voldaan.
1.
Bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige wordt een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Indien de minderjarige onder voorlopige voogdij is geplaatst van een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg in het Europese deel van Nederland onderscheidenlijk voorlopig is toevertrouwd aan een Voogdijraad in een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint Maarten, wordt evenwel een verklaring van toestemming van de desbetreffende stichting dan wel van de desbetreffende Voogdijraad overgelegd.
2.
Indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening een van de personen die het gezag uitoefenen, weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid, af te geven, kan deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen de beide personen beproeft.
3.
Indien een persoon die het gezag uitoefent, de desbetreffende stichting of de desbetreffende Voogdijraad een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid weigert, kan deze op verzoek van de minderjarige van zestien jaren of ouder worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter.
4.
Indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening het als gevolg van oorlog, oproer, natuurrampen of daaraan verwante dan wel daarmee samenhangende omstandigheden feitelijk onmogelijk is een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid, te verkrijgen van de andere persoon die het gezag uitoefent, kan deze in afwijking van het eerste lid worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter.
5.
De rechter geeft in de in het tweede, derde en vierde lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Daarbij kan als voorwaarde worden gesteld dat de geldigheidsduur of de territoriale geldigheid van het aangevraagde reisdocument wordt beperkt.
6.
Een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid, behoeft niet te worden overgelegd bij de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart door of ten behoeve van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.
Artikel 35
Aan de minderjarige die in werkelijke militaire dienst is, wordt een reisdocument verstrekt indien en voor zolang de daartoe aangewezen militaire autoriteit verklaart, dat zulks in het belang van de dienst is. Dit reisdocument geldt uiterlijk tot het tijdstip waarop de dienst wordt verlaten.
1.
Bij een aanvraag ten behoeve van een minderjarige die onder toezicht is gesteld en jonger is dan zestien jaar, kan, indien één of beide personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, weigeren een verklaring van toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid, af te geven, in plaats van die verklaring een verklaring van toestemming van de bevoegde rechter worden overgelegd.
2.
De rechter kan een verklaring van toestemming afgeven op verzoek van een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in het Europese deel van Nederland of een gezinsvoogdij-instelling in een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint Maarten. De rechter geeft een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Daarbij kan als voorwaarde worden gesteld dat de geldigheidsduur of de territoriale geldigheid van het aangevraagde reisdocument wordt beperkt.
1.
Bij een aanvraag door of ten behoeve van een onder curatele gestelde, wordt een verklaring van toestemming van de curator overgelegd.
2.
Een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid behoeft niet te worden overgelegd bij de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart.
3.
Indien de curator weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid, af te geven, kan deze op verzoek van de onder curatele gestelde worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter. Deze neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de onder curatele gestelde wenselijk voorkomt. Daarbij kan als voorwaarde worden gesteld dat de geldigheidsduur of de territoriale geldigheid van het aangevraagde reisdocument wordt beperkt.
1.
Op de procedure ingevolge de artikelen 34, 36 en 37 is in het Europese deel van Nederland de derde titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met uitzondering van artikel 278, derde lid, van toepassing.
2.
De bevoegde rechter, genoemd in artikel 34, tweede, derde en vierde lid, en in artikel 36, is in het Europese deel van Nederland de kinderrechter, in een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao en Sint Maarten de rechter in eerste aanleg.
3.
[Vervallen.]
4.
De bevoegde rechter, genoemd in artikel 37, derde lid, is in het Europese deel van Nederland de kantonrechter, in een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao en Sint Maarten de rechter in eerste aanleg.
5.
De rechter beslist met de meeste spoed.
6.
Bij een aanvraag ten behoeve van een handelingsonbekwame wordt deze als aanvrager beschouwd.
7.
De minderjarige, bedoeld in artikel 34, derde lid, en de onder curatele gestelde zijn bekwaam in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen.
Artikel 39
Aan de handelingsonbekwame die zich buiten het Koninkrijk bevindt en bij wiens aanvraag geen verklaring van toestemming kan worden overgelegd als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 37, eerste lid, kan vooruitlopend op een rechterlijke uitspraak of beschikking ter zake van een vervangende verklaring van toestemming, in bijzondere gevallen een reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f,worden verstrekt.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Aanspraken op reisdocumenten
+ Hoofdstuk III. Gronden tot weigering of vervallenverklaring
- Hoofdstuk IV. Aanvraag
+ Hoofdstuk V. Verstrekking, wijziging en uitreiking
+ Hoofdstuk VI. Weigering of vervallenverklaring
+ Hoofdstuk VII. Verval van rechtswege
+ Hoofdstuk VIII. Inhouding en inlevering
+ Hoofdstuk IX. Toezicht
+ Hoofdstuk X. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk XI. Administratieve rechtsbescherming in Aruba, Curaçao en Sint Maarten
+ Hoofdstuk XII. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht