1.
Reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden zijn:
a. nationaal paspoort;
b. diplomatiek paspoort;
c. dienstpaspoort;
d. reisdocument voor vluchtelingen;
e. reisdocument voor vreemdelingen;
f. nooddocument;
g. andere reisdocumenten, door Onze Minister vast te stellen.
2.
Identiteitskaart van het Europese deel van Nederland is de Nederlandse identiteitskaart. Hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van reisdocumenten is van overeenkomstige toepassing op de Nederlandse identiteitskaart, tenzij anders is bepaald.
3.
Onze Minister stelt met inachtneming van het bij of krachtens deze wet bepaalde de geldigheidsduur en het model van de in het eerste en tweede lid bedoelde documenten vast, draagt zorg voor de vervaardiging van die documenten en stelt van de in het eerste lid bedoelde reisdocumenten tevens de territoriale geldigheid vast.
Inhoudsopgave
- Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Aanspraken op reisdocumenten
+ Hoofdstuk III. Gronden tot weigering of vervallenverklaring
+ Hoofdstuk IV. Aanvraag
+ Hoofdstuk V. Verstrekking, wijziging en uitreiking
+ Hoofdstuk VI. Weigering of vervallenverklaring
+ Hoofdstuk VII. Verval van rechtswege
+ Hoofdstuk VIII. Inhouding en inlevering
+ Hoofdstuk IX. Toezicht
+ Hoofdstuk X. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk XI. Administratieve rechtsbescherming in Aruba, Curaçao en Sint Maarten
+ Hoofdstuk XII. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht