Wet van 30 juni 1967, houdende vaststelling, ingevolge artikel 127 van de Wet op het voortgezet onderwijs, van de Overgangswet W.V.O. en tevens wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 127 van de Wet op het voortgezet onderwijs het overgangsrecht en het tijdstip van het in werking treden van die wet bij de wet moeten worden geregeld en dat wijzigingen in de Wet op het voortgezet onderwijs wenselijk zijn gebleken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Deze wet verstaat onder:
"Onze minister": Onze minister van onderwijs en wetenschappen, voor het landbouwonderwijs Onze minister van landbouw en visserij en voor het onderwijs, dat ressorteert onder de minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk, Onze minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk;
"het bevoegd gezag": voor
a. een rijksschool: Onze minister;
b. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen;
c. een bijzondere school: het schoolbestuur.
Artikel 3
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 4
De Wet op het voortgezet onderwijs treedt in werking met ingang van 1 augustus 1968.
Artikel 5
Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen hoofdstuk I van titel II en hoofdstuk III van titel III van de hoger-onderwijswet en de ter uitvoering van die hoofdstukken gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.
Artikel 6
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder gymnasia, hogereburgerscholen, middelbare scholen voor meisjes en handelsdagscholen zowel zelfstandige scholen als afdelingen verstaan.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde gymnasia worden met ingang van 1 augustus 1968 gymnasia, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.
2.
Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1973. Voor het schooljaar 1973-1974 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog een zesde leerjaar volgens die voorschriften vormen.
Artikel 8
Tot 1 januari 1975 wordt aan de leerlingen van de gymnasia, bedoeld in artikel 7, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de gymnasia, die op 31 juli 1968 ingevolge de hoger-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
1.
De gemeentelijke gymnasia, die op 31 juli 1967 niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, kunnen ten laste van de gemeente in stand worden gehouden.
2.
Voor de toepassing van afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de in het eerste lid bedoelde gymnasia van 1 augustus 1968 af aangemerkt als uit de openbare kas bekostigde gymnasia. De artikelen 7, tweede lid, en 8 zijn van toepassing.
3.
Een in het eerste lid bedoeld gymnasium blijft bij de toepassing van artikel 96 i van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten aanmerking, zolang het niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
Artikel 10
De vergoeding ten behoeve van een gemeentelijk gymnasium, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, waarvan een of meer leerjaren tevens vormen een of meer leerjaren van een rijksatheneum, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, wordt berekend volgens door Onze minister vast te stellen regelen.
Artikel 11
Tot 1 januari 1975 wordt de gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen gymnasium volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
Artikel 12
Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de middelbaar-onderwijswet en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde hogereburgerscholen A en B worden met ingang van 1 augustus 1968 athenea of scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, ter keuze van de gemeenteraad, indien het een gemeentelijke school betreft, en van het bevoegd gezag, indien het een rijksschool of een bijzondere school betreft. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt een hogereburgerschool A, waarvan de eerste drie leerjaren niet samenvallen met een hogereburgerschool B noch met een gymnasium, een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs.
3.
Indien een hogereburgerschool B of een hogereburgerschool A en B, waarvan niet een of meer leerjaren samenvallen met een gymnasium, in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 werd bezocht door ten minste 400 leerlingen, gerekend naar de toestand op 16 september, kan de school worden omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een atheneum en een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs dan wel in een atheneum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder b , van de Wet op het voortgezet onderwijs.
4.
Indien een hogereburgerschool B of een hogereburgerschool A en B, waarvan een of meer leerjaren samenvallen met een gymnasium, tezamen met dit gymnasium in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 werd bezocht door ten minste 600 leerlingen, gerekend naar de toestand op 16 september, kan deze school tezamen met het gymnasium worden omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een lyceum en een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs dan wel in een lyceum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder b , van de Wet op het voortgezet onderwijs.
5.
Indien het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, doet het bevoegd gezag van het besluit tot omzetting van de hogereburgerschool, bedoeld in de vorige leden, voor 1 februari 1968 mededeling aan Onze minister.
6.
Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1972. Voor het schooljaar 1972-1973 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog een vijfde leerjaar volgens die voorschriften vormen. Indien de cursusduur van de hogereburgerschool met een jaar was verlengd, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1973 en kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, voor het schooljaar 1973-1974 alsnog een zesde leerjaar volgens die voorschriften vormen.
Artikel 14
Tot 1 januari 1974 wordt aan de leerlingen van de hogereburgerscholen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de hogereburgerscholen, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Indien de cursusduur van deze scholen met een jaar is verlengd, wordt die gelegenheid gegeven tot 1 januari 1975.
1.
De gemeentelijke hogereburgerscholen A en B, die op 31 juli 1967 niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, kunnen ten laste van de gemeente in stand worden gehouden als athenea of als scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs. Op de omzetting in athenea of scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs is artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, van toepassing.
2.
Voor de toepassing van afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de in het eerste lid bedoelde hogereburgerscholen van 1 augustus 1968 af aangemerkt als uit de openbare kas bekostigde scholen. De artikelen 13, zesde lid, en 14 zijn van toepassing.
3.
Een in het eerste lid bedoelde hogereburgerschool blijft bij de toepassing van artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten aanmerking, zolang zij niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
Artikel 16
Tot 1 januari 1975 wordt de gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen hogereburgerschool volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde middelbare scholen voor meisjes worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.
2.
Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1972. Voor het schooljaar 1972-1973 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog een vijfde leerjaar volgens die voorschriften vormen.
Artikel 18
Tot 1 januari 1974 wordt aan de leerlingen van de middelbare scholen voor meisjes, bedoeld in artikel 17, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de middelbare scholen voor meisjes, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
1.
De gemeentelijke middelbare scholen voor meisjes, die op 31 juli 1967 niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, kunnen ten laste van de gemeente in stand worden gehouden als scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs.
2.
Voor de toepassing van afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de in het eerste lid bedoelde middelbare scholen voor meisjes van 1 augustus 1968 af aangemerkt als uit de openbare kas bekostigde scholen. De artikelen 17, tweede lid, en 18 zijn van toepassing.
3.
Een in het eerste lid bedoelde middelbare school voor meisjes blijft bij de toepassing van artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten aanmerking, zolang zij niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde handelsdagscholen worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.
2.
Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1970, indien het een handelsdagschool met driejarige cursus betreft, en tot 1 augustus 1971, indien het een handelsdagschool met vierjarige cursus betreft. Het bevoegd gezag kan, indien het een handelsdagschool met driejarige cursus betreft, voor het schooljaar 1970-1971 en, indien het een handelsdagschool met vierjarige cursus betreft, voor het schooljaar 1971-1972 onder goedkeuring van Onze minister alsnog een hoogste leerjaar volgens die voorschriften vormen.
Artikel 21
Tot 1 januari 1972 wordt aan de leerlingen van de handelsdagscholen met driejarige cursus, bedoeld in artikel 20, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de handelsdagscholen met driejarige cursus, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Deze gelegenheid wordt tot 1 januari 1973 gegeven aan de leerlingen van de handelsdagscholen met vierjarige cursus, bedoeld in artikel 20, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de handelsdagscholen met vierjarige cursus, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd.
1.
De vergoeding van de kosten van de scholen, bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, 13, eerste lid, 17, eerste lid, en 20, eerste lid, geschiedt tot 1 januari 1969 op de grondslag van de op 31 juli 1968 geldende voorschriften, waarbij 31 december 1968 als het einde van het lopende vijfjarige tijdvak wordt aangemerkt.
2.
De vaststelling van de uitgaven voor gemeentelijke scholen, bedoeld in artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs, vindt voor het eerst plaats over het jaar 1969.
1.
De op 31 juli 1968 uit ’s Rijks kas bekostigde handelsavondscholen kunnen tot 1 augustus 1975 in stand worden gehouden.
2.
Op de in het eerste lid bedoelde handelsavondscholen blijven van toepassing de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Wij kunnen deze voorschriften wijzigen, voor zover zij bij algemene maatregel van bestuur zijn gegeven.
Artikel 24
Een gymnasium en een atheneum, die met inachtneming van de artikelen 7 en 13 ontstaan uit een gymnasium en een hogereburgerschool, waarvan de eerste of de eerste en de tweede leerjaren gemeenschappelijk zijn, worden met ingang van 1 augustus 1968 een lyceum, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 25
Bij de toepassing van de artikelen 13, 17 en 20 wordt aan de desbetreffende school niet meer dan één school of afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs verbonden.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde avondlycea worden met ingang van 1 augustus 1968 avondlycea, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
De uit ’s Rijks kas bekostigde avondhogereburgerscholen worden met ingang van 1 augustus 1968 ter keuze van de gemeenteraad of het schoolbestuur, al naar gelang het gemeentelijke of bijzondere scholen betreft, avondathenea of avondscholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag doet van zijn beslissing voor 1 februari 1968 mededeling aan Onze minister.
3.
Onze minister kan op verzoek van de gemeenteraad of van het schoolbestuur, al naar gelang het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, goedkeuren, dat een avondlyceum met ingang van 1 augustus 1968 wordt omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een avondlyceum en een avondschool voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of in een avondlyceum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs. Onze minister kan eveneens op verzoek goedkeuren, dat een avondhogereburgerschool met ingang van die datum wordt omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een avondatheneum en een avondschool voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of in een avondatheneum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde hogereburgerscholen met driejarige cursus worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.
2.
Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1970.
1.
De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de bijzondere scholen, bedoeld in de artikelen 7, 13, 17, 20 en 27, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs.
2.
De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van gemeentelijke scholen als bedoeld in de artikelen 7, 13, 17, 20 en 27, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2a.
De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten van de bijzondere scholen, bedoeld in de artikelen 7, 13, 17, 20 en 27, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
3.
Voor de toepassing van artikel 83 van de Wet op het voortgezet onderwijs ten behoeve van bijzondere scholen, als bedoeld in de artikelen 7, 13, 17, 20 en 27, stelt Onze minister de waarde vast van de op 31 december 1968 in de school aanwezige inrichting, alsmede de waarde van de onderdelen van deze inrichting. De aldus vastgestelde bedragen worden in mindering gebracht op de vergoeding, bedoeld in artikel 83, tweede lid eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
In afwijking van artikel 28 kan Onze minister na overleg met het bevoegd gezag en met Onze minister van financiën bepalen, dat de vergoeding ingevolge de artikelen V of VI van de wet van 7 juli 1955, Stb. 320, wordt vervangen door een uitkering ineens.
2.
Artikel 101 van de Wet op het voortgezet onderwijs blijft buiten toepassing, voor zover het betreft onroerende zaken, waarvoor de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, niet is vervangen door een uitkering ineens.
3.
Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 30
Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in dit hoofdstuk, blijft artikel 107 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.
Artikel 30a
Indien een niet uit ’s Rijks kas bekostigde avondhogereburgerschool in het schooljaar 1967-1968 geheel of gedeeltelijk uit de gemeentekas werd bekostigd en de school wordt omgezet in een avondschool voor voortgezet onderwijs, blijft de gemeente ook na 31 juli 1968 tot gehele of gedeeltelijke bekostiging bevoegd tot het tijdstip waarop de school ingevolge titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
1.
De op 31 juli 1968 uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen voor de examens ter verkrijging van een middelbare akte, als bedoeld in titel VI van de middelbaar-onderwijswet, kunnen in stand worden gehouden tot een door Ons te bepalen tijdstip.
2.
De bekostiging van de in het eerste lid bedoelde opleidingen geschiedt onder de voorwaarden en volgens de regelen, die Onze minister vaststelt.
1.
Met ingang van 1 augustus 1968 zijn de Lager-onderwijswet 1920 en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, tenzij bij deze wet anders is bepaald, niet meer van toepassing, voor zover zij betreffen het voortgezet gewoon en het uitgebreid lager onderwijs.
2.
Met ingang van 1 augustus 1973 vervalt de mogelijkheid, dat een uit de openbare kas bekostigde school voor basisonderwijs meer dan zes achtereenvolgende leerjaren omvat. Ten behoeve van het zevende en de hogere leerjaren van een school voor basisonderwijs, die voldoen aan de voorwaarden, genoemd in artikel 55 bis , vierde lid, van de Lager-onderwijswet 1920, blijven tot die datum de voorschriften van die wet betreffende het voortgezet gewoon lager onderwijs van kracht.
1.
De uit de openbare kas bekostigde scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor lager algemeen voortgezet onderwijs, scholen voor lager huishoud- en nijverheidsonderwijs of scholen voor lager economisch en administratief onderwijs, een en ander als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
De gemeenteraad of het schoolbestuur, al naar gelang het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, beslist, of zijn school een school wordt voor lager algemeen voortgezet onderwijs of een van de scholen voor beroepsonderwijs, genoemd in het eerste lid, en doet daarvan mededeling aan Onze minister voor 1 februari 1968.
3.
Een besluit tot omzetting van de school in een school voor lager economisch en administratief onderwijs leidt slechts tot bekostiging op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs , indien de school in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 werd bezocht door gemiddeld ten minste 150 leerlingen, gerekend naar de toestand op 16 januari, 16 mei en 16 september.
4.
Een besluit tot omzetting van de school in een school voor lager huishoud- en nijverheidsonderwijs leidt slechts tot bekostiging op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs , indien de school in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 in het tweede leerjaar werd bezocht door gemiddeld ten minste 40 meisjes, gerekend naar de toestand op 16 januari, 16 mei en 16 september.
Artikel 34
Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 33 bedoelde scholen in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot uiterlijk 1 augustus 1971.
1.
De uit de openbare kas bekostigde scholen voor uitgebreid lager onderwijs worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de uit de openbare kas bekostigde scholen voor uitgebreid lager onderwijs, waaraan in hoofdzaak handelsonderwijs wordt gegeven en waarvan de leerlingen voor 1 augustus 1967 niet deelnamen aan de landelijke mulo-examens. Deze scholen worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor lager economisch en administratief onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
3.
Bij verschil van mening tussen het bevoegd gezag en Onze minister, of het eerste dan wel het tweede lid van toepassing is, beslist Onze minister, de Onderwijsraad gehoord.
Artikel 36
Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 35 bedoelde scholen in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot uiterlijk 1 augustus 1971.
1.
De op 31 juli 1968 nog niet geopende scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs, tot de stichting waarvan of tot medewerking aan de stichting waarvan de gemeenteraad voor 1 augustus 1967 heeft besloten of geacht wordt te hebben besloten, worden scholen voor lager algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
De op 31 juli 1968 nog niet geopende scholen voor uitgebreid lager onderwijs, tot de stichting waarvan of tot medewerking aan de stichting waarvan de gemeenteraad voor 1 augustus 1968 heeft besloten of geacht wordt te hebben besloten, worden scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 38
Op besluiten van de gemeenteraad betreffende de stichting van openbare scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs en tot medewerking aan de stichting van overeenkomstige bijzondere scholen, genomen of geacht te zijn genomen voor 1 augustus 1967, blijft de Lager-onderwijswet 1920 van toepassing. Wanneer de uitvoering van een besluit voor 1 augustus 1973 nog niet is aangevangen, wordt dit besluit geacht niet te zijn genomen.
Artikel 39
De gemeenteraad besluit na 31 juli 1967 niet tot stichting van openbare scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs of tot medewerking aan de stichting van overeenkomstige bijzondere scholen en wordt na die datum niet ingevolge de artikelen 19 bis , zesde lid, of 76, eerste lid, van de Lager-onderwijswet 1920 geacht tot stichting of tot medewerking aan de stichting van scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs te hebben besloten.
1.
Besluiten van de gemeenteraad tot stichting van openbare scholen voor uitgebreid lager onderwijs en besluiten tot medewerking aan de stichting van overeenkomstige bijzondere scholen, genomen of geacht te zijn genomen na 31 juli 1967 en voor 1 augustus 1968, behoeven de goedkeuring van Onze minister.
2.
Onze minister weigert de goedkeuring, indien de stichting van de school niet in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.
3.
Indien Onze minister de goedkeuring weigert, is artikel 71 van de Wet op het voortgezet onderwijs van overeenkomstige toepassing.
4.
Op besluiten van de gemeenteraad, als bedoeld in dit artikel, blijft de Lager-onderwijswet 1920 van toepassing, met uitzondering van de artikelen 19 bis , zesde lid tweede en derde volzin, 23, 23 bis en 76, tweede en derde lid, en met dien verstande dat geen waarborgsom verschuldigd is. Wanneer de uitvoering van een besluit voor 1 augustus 1973 nog niet is aangevangen, wordt dit besluit geacht niet te zijn genomen.
1.
Voor de stichtingskosten, de huren en de inrichtingskosten van openbare en bijzondere scholen, als bedoeld in de artikelen 33, 35 en 37, wordt tot 1 januari 1969 geen vergoeding uit ’s Rijks kas verleend. De gemeenten blijven tot die datum in het genot van de uitkeringen krachtens de Financiële-Verhoudingswet 1960.
2.
Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde bijzondere scholen blijven de artikelen 72 tot en met 86 van de Lager-onderwijswet 1920 tot 1 januari 1969 van toepassing, voor zover deze betrekking hebben op uitbreiding, verbouwing, herstel, verandering van inrichting en op aanschaffing van schoolmeubelen of leer- en hulpmiddelen en met dien verstande dat geen waarborgsom verschuldigd is.
3.
Met betrekking tot besluiten van de gemeenteraad ingevolge de artikelen 75 en 76 van de Lager-onderwijswet 1920 betreffende de in het vorige lid bedoelde voorzieningen blijven de artikelen 76, tweede lid, en 17 van die wet ook na 31 december 1968 van toepassing.
4.
De in het vorige lid bedoelde besluiten, dan wel de daarop in beroep genomen beslissingen worden ook na 31 december 1968 volgens de Lager-onderwijswet 1920 uitgevoerd.
1.
Met betrekking tot gebouwen, terreinen en roerende zaken, die ten behoeve van bijzondere scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs in bruikleen zijn gegeven of onder andere voorwaarden ter beschikking zijn gesteld, komen de gemeente en het schoolbestuur voor 1 januari 1969 nader overeen, op welke wijze deze gebouwen, terreinen en roerende zaken ter beschikking van het schoolbestuur blijven.
2.
Indien geen eigendomsoverdracht plaatsvindt, is de goedkeuring van Onze minister vereist.
3.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist Onze minister.
1.
Voor 1 januari 1969 betaalt de gemeente aan de besturen van de bijzondere scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs de niet vervallen waarborgsommen of de niet vervallen gedeelten daarvan terug, een en ander met inbegrip van de geschatte waarde van de grond, bedoeld in artikel 74, tweede lid, van de Lager-onderwijswet 1920.
2.
Geschillen over de toepassing van dit artikel worden onderworpen aan de beslissing van gedeputeerde staten.
1.
Voor de exploitatiekosten van openbare en bijzondere scholen, als bedoeld in de artikelen 33, 35 en 37, wordt tot 1 januari 1969 geen vergoeding uit ’s Rijks kas verleend. De gemeenten blijven tot die datum in het genot van de uitkeringen krachtens de Financiële-Verhoudingswet 1960. De vaststelling van de uitgaven voor gemeentelijke scholen, bedoeld in artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs, vindt voor het eerst plaats over het jaar 1969.
2.
De vaststelling van de uitgaven van openbare scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs en de vaststelling en de uitkering van de gemeentelijke vergoedingen ten behoeve van de overeenkomstige bijzondere scholen, betrekking hebbende op de jaren, voorafgaande aan 1 januari 1969, vinden plaats volgens de Lager-onderwijswet 1920, met dien verstande dat de artikelen 55 ter , tweede lid, 101, vierde lid, en 103, derde en zesde lid, van die wet worden toegepast over de jaren 1963 tot en met 1968.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op de uitgaven en de vergoedingen, bedoeld in artikel 101 bis van de Lager-onderwijswet 1920.
1.
Voor de kosten van stichting en eerste inrichting ten behoeve van een gemeentelijke of, voor zover die kosten ingevolge artikel 72 van de Lager-onderwijswet 1920 ten laste van de gemeente zijn gekomen, ten behoeve van een bijzondere school voor voortgezet gewoon of uitgebreid lager onderwijs, ontvangt de gemeente met ingang van 1 januari 1969 een vergoeding ten laste van het Rijk.
2.
Ter berekening van de vergoeding stelt Onze minister het bedrag vast van de werkelijke kosten, bedoeld in het eerste lid, alsmede het jaar, waarin het gebouw is voltooid.
3.
De vergoeding omvat per jaar tot het tijdstip, waarop veertig jaren na het in het tweede lid bedoelde jaar zijn verlopen, de som, die jaarlijks nog nodig zou zijn voor rente en aflossing van een veertigjarige geldlening tot het vastgestelde bedrag, aangegaan in het jaar van voltooiing, waarbij de aflossing op jaarlijks gelijke bedragen is gesteld en de rente wordt berekend over het niet afgeloste deel van die lening tegen een rentevoet, als ingevolge artikel 79, vijfde lid, van de Lager-onderwijswet 1920 is bepaald voor het jaar van voltooiing.
4.
Voor de berekening van de vergoeding wordt uitbreiding van een schoolgebouw met een of meer nieuwe lokalen aangemerkt als stichting van een nieuw gebouw.
5.
Indien en voor zover de gebouwen en terreinen van een gemeentelijke school niet meer ten behoeve van het voortgezet onderwijs worden gebruikt, eindigt de vergoeding met ingang van de daaropvolgende maand.
6.
Het eerste tot en met vijfde lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
Voor de kosten van latere voorzieningen ten behoeve van een gemeentelijke of, voor zover die kosten ingevolge artikel 72 van de Lager-onderwijswet 1920 ten laste van de gemeente zijn gekomen, van een bijzondere school voor voortgezet gewoon of uitgebreid lager onderwijs ontvangt de gemeente met ingang van 1 januari 1969 een vergoeding ten laste van het Rijk. Als latere voorzieningen worden aangemerkt de voorzieningen, genoemd in artikel 72 van de Lager-onderwijswet 1920, met uitzondering van die, genoemd in artikel 45 van deze wet.
2.
Ter berekening van de vergoeding stelt Onze minister het bedrag vast van de werkelijke kosten, bedoeld in het eerste lid, alsmede het jaar, waarin die voorzieningen zijn tot stand gekomen.
3.
De vergoeding omvat per jaar tot het tijdstip, waarop twintig jaren na het in het tweede lid bedoelde jaar zijn verlopen, de som, die jaarlijks nog nodig zou zijn voor rente en aflossing van een twintigjarige geldlening tot het vastgestelde bedrag, aangegaan in het jaar van totstandkoming, waarbij de aflossing op jaarlijks gelijke bedragen is gesteld en de rente wordt berekend over het niet afgeloste deel van die lening tegen een rentevoet, als ingevolge artikel 79, vijfde lid, van de Lager-onderwijswet 1920 is bepaald voor het jaar van totstandkoming.
4.
Artikel 45, vijfde lid, is van toepassing.
5.
Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
De jaarlijkse vergoeding, bedoeld in artikel 84 van de Lager-onderwijswet 1920, ten behoeve van scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs wordt met ingang van 1 januari 1969 vervangen door een vergoeding ten laste van het Rijk.
2.
De vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 45 en 46 zoals die artikelen luidden op 31 december 1996, met dien verstande dat slechts in aanmerking worden genomen de kosten, welke ten grondslag hebben gelegen aan de berekening van de jaarlijkse vergoeding, bedoeld in artikel 84 van de Lager-onderwijswet 1920.
3.
Indien en voor zover de gebouwen en terreinen niet meer ten behoeve van het voortgezet onderwijs worden gebruikt, eindigt de vergoeding met ingang van de daaropvolgende maand.
4.
Een gebouw, waarin op 31 juli 1968 zowel een school voor gewoon lager onderwijs als een school voor voortgezet gewoon of uitgebreid lager onderwijs is gevestigd, wordt niet door het enkele feit van de omzetting van laatstbedoelde scholen in scholen voor voortgezet onderwijs een gebouw, als bedoeld in artikel 84 van de Lager-onderwijswet 1920.
1.
Onze minister kan na overleg met het bevoegd gezag en met Onze minister van financiën bepalen, dat vergoedingen, bedoeld in de artikelen 45, 46 en 47, worden vervangen door een uitkering ineens.
2.
Het eerste lid is slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
De jaarlijkse vergoeding voor gebouwen en terreinen van scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs, als bedoeld in artikel 205, eerste en vijfde lid, van de Lager-onderwijswet 1920, wordt met ingang van 1 januari 1969 vervangen door een uitkering ineens ten laste van het Rijk, gelijkstaande met 30% van het bedrag, waarover de vergoeding voor het jaar 1968 werd berekend.
2.
Zolang de uitkering ineens niet heeft plaatsgevonden, is het Rijk voor elke volle maand na 31 december 1968 aan het bevoegd gezag verschuldigd een twaalfde van de oorspronkelijk door de gemeente betaalde vergoeding.
Artikel 50
In alle gevallen, waarin de toepassing van de artikelen 41, 45, 46, 47 en 49 zoals die artikelen luidden op 31 december 1996 redelijkerwijs niet mogelijk is of tot ernstige onbillijkheden zou leiden, kan Onze minister in overeenstemming met Onze minister van financiën een afwijkende regeling treffen.
Artikel 50a
Voor de toepassing van de artikelen 82 en 83 van de Wet op het voortgezet onderwijs ten behoeve van scholen, als bedoeld in artikel 35, stelt Onze minister de waarde vast van de op 31 december 1968 in de school aanwezige inrichting, alsmede, voor zover het bijzondere scholen betreft, de waarde van de onderdelen van deze inrichting. De aldus vastgestelde bedragen worden in mindering gebracht op de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 82, tweede lid onder a, en 83, tweede lid eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 51
Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in de artikelen 33, 35 en 37, blijft artikel 107 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.
Artikel 52
Indien een avondschool voor uitgebreid lager onderwijs in het schooljaar 1967-1968 geheel of gedeeltelijk uit de gemeentekas wordt bekostigd en de school wordt omgezet in een school voor voortgezet onderwijs, blijft de gemeente ook na 31 juli 1968 tot gehele of gedeeltelijke bekostiging bevoegd tot het tijdstip, waarop de school ingevolge titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
Artikel 53
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 54
Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de Nijverheidsonderwijswet en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.
Artikel 55
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder scholen mede verstaan de daaraan verbonden of afzonderlijke cursussen.
1.
De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde huishoud- en landbouwhuishoudscholen - met uitzondering van de daaraan verbonden leraressenopleidingen -, de kappersopleidingen en de cursussen tot opleiding van apothekers-assistenten worden met ingang van 1 augustus 1968 onderscheidenlijk scholen en cursussen voor huishoud- en nijverheidsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde:
a. scholen voor de detailhandel;
b. ondernemersopleidingen;
c. hotelvakscholen;
d. slagersvakschool
worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middenstandsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
3.
De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde school tot opleiding van staffunctionarissen bij toeristische bedrijven, uitgaande van het Nederlands Wetenschappelijk Instituut voor het Toerisme, wordt met ingang van 1 augustus 1968 een school voor economisch en administratief onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
4.
De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde leraren- en leraressenopleidingen worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor de opleiding van onderwijzend personeel, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
5.
De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde:
a. scholen voor maatschappelijk werk;
b. voortgezette opleidingen van maatschappelijke werkers;
c. bibliotheek- en documentatieschool;
d. hogere scholen voor verplegenden;
e. school voor de journalistiek;
f. akademie voor expressie door woord en gebaar;
g. scholen voor de opleiding van leiders op het terrein van jeugdvorming en volksontwikkeling;
h. scholen voor de opleiding van gezinsverzorgsters
worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor sociaal-pedagogisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
6.
De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde:
a. scholen voor kunst en kunstnijverheid, met uitzondering van de daaraan verbonden leraren- en leraressenopleidingen;
b. opleidingen voor architect en stedebouwkundige;
c. filmacademie
worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor kunstonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
7.
De overige ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor technisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, tenzij in de voorgaande leden uitdrukkelijk anders is bepaald.
1.
De ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen voor lager, uitgebreid lager en middelbaar nijverheidsonderwijs, genoemd in artikel 56, eerste, tweede, derde, vijfde en zevende lid, worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor onderscheidenlijk lager, middelbaar en hoger beroepsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
In afwijking van het eerste lid worden:
a. de ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen voor de detailhandel, waaraan een opleiding voor middelbaar detailhandelsonderwijs is verbonden, met ingang van 1 augustus 1968 scholengemeenschappen, bestaande uit een school voor lager middenstandsonderwijs en een school voor middelbaar middenstandsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;
b. de ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen voor middelbaar detailhandelsonderwijs met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middelbaar middenstandsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;
c. de overige ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen voor de detailhandel met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor lager middenstandsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
Voor de toepassing van de artikelen 56 en 57 worden met de ingevolge de Nijverheidsonderwijswet uit de openbare kas bekostigde scholen gelijkgesteld de scholen, waarvan op grond van artikel 25 van de Nijverheidsonderwijswet de oprichting en instandhouding is goedgekeurd, doch waaraan het onderwijs nog niet is aangevangen.
2.
De in het eerste lid bedoelde scholen, waaraan op 1 september 1973 geen onderwijs wordt gegeven, kunnen daarna niet meer uit de openbare kas worden bekostigd, tenzij Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag anders besluit.
3.
Aan de in het tweede lid bedoelde beschikking kan Onze minister voorwaarden verbinden.
Artikel 59
Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 56 bedoelde scholen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.
Artikel 60
De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 56, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 56, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingsscholen voor kleuterleidsters worden met ingang van 1 augustus 1968 opleidingsscholen voor kleuterleidsters, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
De op 31 juli 1968 ingevolge artikel 95 van de Kleuteronderwijswet aangewezen, niet uit ’s Rijks kas bekostigde, bijzondere opleidingsscholen worden geacht met ingang van 1 augustus 1968 te zijn aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
3.
Indien de inrichting van het onderwijs in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot 1 augustus 1971. Voor de schooljaren 1971-1972 en 1972-1973 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog klassen vormen, waarin onderwijs wordt gegeven volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
1.
De gemeentelijke opleidingsscholen, die op 31 juli 1967 niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, kunnen ten laste van de gemeente in stand worden gehouden.
2.
Voor de toepassing van afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de in het eerste lid bedoelde opleidingsscholen van 1 augustus 1968 af aangemerkt als uit de openbare kas bekostigde scholen, indien zij zijn aangewezen ingevolge artikel 92 van de Kleuteronderwijswet. Artikel 61, derde lid, is van toepassing.
3.
Een in het eerste lid bedoelde opleidingsschool blijft bij de toepassing van artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten aanmerking, zolang zij niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
Artikel 62a
Tot 1 augustus 1971 kan de gemeente aan bijzondere opleidingsscholen voor kleuterleidsters die niet door het Rijk worden bekostigd, een vergoeding geven voor kosten van instandhouding, indien deze ook werd toegekend in het schooljaar 1967-1968.
Artikel 63
Tot het einde van het schooljaar 1969-1970 kan met toestemming van Onze minister aan een opleidingsschool een tweejarige afdeling B verbonden zijn, die is ingericht overeenkomstig de op 31 augustus 1964 geldende voorschriften.
Artikel 64
Tot en met het jaar 1970 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als hoofdleidster te verkrijgen volgens de op 31 augustus 1964 geldende voorschriften. Zij, die in 1970 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1971 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.
Artikel 65
Tot en met het jaar 1970 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als leidster te verkrijgen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Zij, die in 1970 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1971 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.
Artikel 66
Tot en met het jaar 1972 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als hoofdleidster te verkrijgen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Zij, die in 1972 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1973 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.
1.
De vergoeding van de kosten van de opleidingsscholen, bedoeld in artikel 61, eerste lid, geschiedt tot 1 januari 1969 op de grondslag van de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
2.
De vaststelling van de uitgaven voor gemeentelijke scholen, bedoeld in artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs, vindt voor het eerst plaats over het jaar 1969.
Artikel 68
De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 69
Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in dit hoofdstuk, blijft artikel 107, achtste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.
Artikel 70
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 71
Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de ter uitvoering van titel IV van de Kleuteronderwijswet gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.
1.
Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de Kweekschoolwet en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.
2.
De uit ’s Rijks kas bekostigde kweekscholen voor onderwijzers worden met ingang van de in het eerste lid genoemde datum opleidingsscholen voor onderwijzers met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, een en ander als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
3.
De op 31 juli 1968 ingevolge artikel 21 van de Kweekschoolwet aangewezen, niet uit ’s Rijks kas bekostigde, bijzondere kweekscholen worden geacht met ingang van 1 augustus 1968 te zijn aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
4.
Indien de inrichting van het onderwijs niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot 1 augustus 1972. Voor de schooljaren 1972-1973 en 1973-1974 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog klassen vormen, waarin onderwijs wordt gegeven volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
1.
Tot 1 januari 1972 wordt de gelegenheid gegeven tot het afleggen van het eerste gedeelte van het staatsexamen eerste leerkring volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
2.
Tot en met het jaar 1971 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als onderwijzer te verkrijgen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Zij, die in 1971 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1972 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.
Artikel 74
Tot en met het jaar 1973 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer te verkrijgen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Zij, die in 1973 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1974 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.
1.
De vergoeding van de kosten van de in artikel 72 bedoelde opleidingsscholen geschiedt tot 1 januari 1969 op de grondslag van de op 31 juli 1968 geldende voorschriften, waarbij 31 december 1968 als het einde van het lopende vijfjarige tijdvak wordt aangemerkt.
2.
De vaststelling van de uitgaven voor gemeentelijke scholen, bedoeld in artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs, vindt voor het eerst plaats over het jaar 1969.
Artikel 76
De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
In afwijking van artikel 76 kan Onze minister na overleg met het bevoegd gezag en met Onze minister van financiën bepalen, dat de vergoeding, bedoeld in artikel 53 van de Kweekschoolwet, en de vergoeding, bedoeld in artikel 26 van die wet, zoals dit luidde op 31 december 1955, worden vervangen door een uitkering ineens.
2.
Artikel 101 van de Wet op het voortgezet onderwijs blijft buiten toepassing, voor zover het betreft onroerende zaken, waarvoor de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, niet is vervangen door een uitkering ineens.
3.
Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 78
Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in dit hoofdstuk, blijven artikel 107, zevende lid, en artikel 110 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.
Artikel 79
Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de voorschriften, gegeven met betrekking tot de scholen, bedoeld in artikel 81, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.
Artikel 80
Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder scholen mede verstaan de daaraan verbonden of afzonderlijke cursussen.
Artikel 81
De rijks- en van rijkswege gesubsidieerde scholen voor lager, middelbaar en hoger landbouw-, tuinbouw-, bosbouw- en landbouwtechnologieonderwijs worden met ingang van 1 augustus 1968 onderscheidenlijk scholen voor lager, middelbaar en hoger landbouwonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 82
Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 81 bedoelde scholen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.
Artikel 83
De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 81, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 81, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 84
Met ingang van 1 augustus 1968 vervalt de Interimregeling subsidiëring middenstandsonderwijs 1966.
Artikel 85
Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder scholen mede verstaan cursussen.
Artikel 86
De scholen, gesubsidieerd ingevolge de Interimregeling subsidiëring middenstandsonderwijs 1966, worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middenstandsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 87
Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 86 bedoelde scholen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.
Artikel 88
Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de Rijksregeling subsidiëring sociaal-pedagogisch onderwijs 1964, het Besluit reglement C.I.O.S. en de subsidiebeschikking ten behoeve van de stichting R.-K. Centraal Instituut voor de Opleiding van Sportleiders, gevestigd te Sittard.
Artikel 89
De ingevolge de Rijksregeling subsidiëring sociaal-pedagogisch onderwijs 1964 gesubsidieerde cursussen hogere sociale arbeid worden met ingang van 1 augustus 1968 cursussen voor hoger sociaal-pedagogisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 90
De ingevolge de Rijksregeling subsidiëring sociaal-pedagogisch onderwijs 1964 gesubsidieerde Cursus voor Maatschappelijk Werk "Huize Bergen", scholen voor bezigheidstherapie en cursussen middelbare sociale arbeid worden met ingang van 1 augustus 1968 onderscheidenlijk scholen en cursussen voor middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 91
De door het Rijk in stand gehouden en gesubsidieerde centrale instituten voor de opleiding van sportleiders worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 92
Indien de inrichting van het onderwijs van de in de artikelen 89 tot en met 91 bedoelde scholen of cursussen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool of -cursus betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school of cursus betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.
Artikel 93
De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen en cursussen, bedoeld in de artikelen 89 tot en met 91, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen en cursussen, bedoeld in de artikelen 89 tot en met 91, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 94
Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de voorschriften, gegeven met betrekking tot de in artikel 95 bedoelde scholen.
1.
De rijks- en van rijkswege gesubsidieerde scholen voor vakonderwijs op het gebied van muziek, dans, kleinkunst en toneel worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor kunstonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
In afwijking van het eerste lid worden de Nederlandse Beiaardschool te Amersfoort, het Nederlands Instituut voor Katholieke Kerkmuziek te Utrecht, alsmede de van rijkswege gesubsidieerde opleidingen voor dansvakonderwijs, die niet tevens het algemeen voortgezet onderwijs verzorgen, en vakopleidingen aan muziekscholen met ingang van 1 augustus 1968 cursussen voor kunstonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 96
Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 95 bedoelde scholen of cursussen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool of -cursus betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school of cursus betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.
Artikel 97
De vergoeding van de stichtings- en inrichtingskosten van de in artikel 95 bedoelde scholen en cursussen geschiedt volgens door de gemeenteraad te stellen regelen voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De vergoeding van de stichtings- en inrichtingskosten van de in artikel 95 bedoelde scholen en cursussen geschiedt volgens door Onze minister te stellen regelen voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
De door het Rijk op grond van artikel V van de wet van 14 februari 1963, Stb. 74, tot het verlenen van grotere vrijheid van inrichting van het onderwijs, geheel of gedeeltelijk bekostigde scholen, die ten aanzien van de duur van de cursus, het leerplan en de bevoegdheden van de leraren overeenkomen met scholen, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, worden met ingang van 1 augustus 1968 zodanige scholen.
2.
Indien de inrichting van het onderwijs in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing voor een tijdvak, overeenkomende met de duur van de cursus verminderd met een jaar.
1.
Onze minister kan op verzoek van de gemeenteraad of van het schoolbestuur, al naar gelang het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, goedkeuren, dat in afwijking van de hoofdstukken 1 tot en met 7 van deze titel een gemeentelijke of een bijzondere school wordt omgezet in een andere school, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
Een verzoek, als bedoeld in het eerste lid, moet worden ingediend voor 1 februari 1968.
3.
Indien Onze minister de goedkeuring weigert, is artikel 71 van de Wet op het voortgezet onderwijs van overeenkomstige toepassing.
Artikel 99a
De op 31 juli 1968 geldende voorschriften ter uitvoering van de hoger-onderwijswet, de middelbaar-onderwijswet, de Lager-onderwijswet 1920, de Kleuteronderwijswet, de Kweekschoolwet en de besluiten ter uitvoering van de wet van 14 februari 1963, Stb. 74, kunnen gedurende de tijd waarin zij krachtens deze titel nog van kracht blijven, voor zover zij door Ons zijn vastgesteld, door Ons en, voor zover zij door Onze minister zijn vastgesteld, door hem worden gewijzigd.
Artikel 100
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 101
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 102
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 103
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 104
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 105
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 106
[Dit artikel is nooit in het Staatsblad gepubliceerd.]
Artikel 107
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 118
Op geschillen, die ingevolge de op 31 juli 1968 geldende voorschriften bij een commissie van beroep aanhangig zijn gemaakt, blijft de op die datum geldende regeling van toepassing.
1.
Voor hen die met ingang van 1 augustus 1968 worden ontslagen, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften betreffende wachtgeld en andere uitkeringen bij ontslag ter zake van dit ontslag van kracht.
2.
Indien door het ontbreken van voorschriften als bedoeld in het eerste lid, geen aanspraak bestaat op wachtgeld of andere uitkeringen bij ontslag, wordt ten laste van het Rijk een ontslaguitkering toegekend volgens de voorschriften, bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
Onze minister kan, de Onderwijsraad gehoord, voor de jaren 1968 en 1969 scholen, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, waaraan naar zijn oordeel behoefte bestaat, voor bekostiging in aanmerking brengen.
2.
Al naar gelang het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, geschiedt de bekostiging op verzoek van de gemeenteraad of het schoolbestuur.
3.
Deze verzoeken worden voor 1 november 1967 bij Onze minister ingediend. Zij zijn met redenen omkleed, vermelden de aard en de plaats van vestiging van de school en gaan vergezeld van een prognose omtrent de te verwachten omvang.
1.
Onze minister stelt voor 1 oktober 1969 het eerste plan van scholen vast, bedoeld in hoofdstuk I van titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het omvat de scholen, die in de jaren 1970, 1971 en 1972 voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking zullen worden gebracht.
2.
Een verzoek om opneming in het plan, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 1 februari 1968 bij Onze minister ingediend.
Artikel 121
De artikelen 26 en 29, derde lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs treden in werking met ingang van 1 augustus 1968, voor zover dit nog niet is geschied.
Artikel 122
Met ingang van 1 augustus 1968 vervalt de wet van 28 juli 1924, Stb. 376, betreffende onthouding van rijkssubsidie aan na 6 oktober 1921 geopende hogereburgerscholen en gymnasia, zoals deze wet is gewijzigd bij de wet van 2 april 1948, Stb. I 127.
1.
Met ingang van 1 augustus 1968 vervalt de Garantiewet leningen voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs, kweekscholen en opleidingsscholen voor kleuterleidsters.
2.
De ingevolge artikel 1 van de in het eerste lid genoemde wet verleende garanties blijven van kracht. Garanties kunnen volgens de voorschriften van die wet alsnog worden verleend voor de rente en aflossing van geldleningen, die worden aangegaan ter vervanging van leningen, waarvan de rente en aflossing op grond van die wet waren gewaarborgd.
1.
Met ingang van 1 augustus 1968 vervalt de Garantiewet leningen N.O.
2.
De ingevolge artikel 1 van de in het eerste lid genoemde wet verleende garanties blijven van kracht. Garanties kunnen volgens de voorschriften van die wet alsnog worden verleend voor de rente en aflossing van geldleningen, die worden aangegaan ter vervanging van leningen, waarvan de rente en aflossing op grond van die wet waren gewaarborgd.
Artikel 125
Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de wet van 11 juli 1963, Stb. 346, en de artikelen 122, tweede lid, en 135, eerste lid, van de hoger-onderwijswet.
Artikel 126
Bij twijfel, of aangelegenheden, die betrekking hebben op een tijdvak of tijdstip, gelegen voor 1 augustus 1968, moeten worden behandeld volgens de oude of volgens de nieuwe bepalingen, beslist Onze minister, volgens welke bepalingen de behandeling geschiedt.
1.
Deze wet kan worden aangehaald als "Overgangswet W.V.O.".
2.
Zij treedt in werking met ingang van 1 augustus 1967.
Artikel 128
De gewijzigde tekst van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt door Onze minister in een doorlopende reeks van artikelen genummerd en de verwijzingen in de Wet op het voortgezet onderwijs en in de titels IV tot en met VI van deze wet worden daarmee in overeenstemming gebracht. De gewijzigde tekst van de Wet op het voortgezet onderwijs en van de titels IV tot en met VI van deze wet wordt door de zorg van Onze minister van justitie opnieuw in het Staatsblad geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 30 juni 1967
De minister van onderwijs en wetenschappen,
De staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen,
De minister van landbouw en visserij,
De minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk,
Uitgegeven de vijfentwintigste juli 1967.
De minister van justitie a.i.,
Inhoudsopgave
+ Titel I. Algemene bepalingen
+ Titel II. Wijzigingen in de Wet op het voortgezet onderwijs
+ Titel III. Inwerkingtreding van de Wet op het voortgezet onderwijs
+ Titel IV. Inpassing van het bestaande onderwijs
+ Titel V. Wijzigingen in andere wetten
+ Titel VI. Overige inpassings- en overgangsregelingen
+ Titel VII. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht