Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2008. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2008.

Overgangswet Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting

Uitgebreide informatie
Wet van 1 augustus 1964, houdende vaststelling van overgangsregelen met het oog op de inwerkingtreding van de nieuwe voorschriften nopens de ruimtelijke ordening en de volkshuisvesting
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het met het oog op de inwerkingtreding van de nieuwe voorschriften nopens de ruimtelijke ordening en de volkshuisvesting wenselijk is om regelen te stellen omtrent de overgang van de oude op de nieuwe wetgeving alsmede om wijziging te brengen in enkele bestaande wetten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Bepalingen in provinciale en gemeentelijke verordeningen betreffende onderwerpen, waarvoor bij de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Woningwet voorschriften zijn gegeven, blijven van kracht, voor zover zij niet met die voorschriften in strijd zijn.
Artikel 2
De Woningwet (wet van 22 juni 1901, Stb. 158) voortaan aan te halen als Woningwet 1901 wordt, behoudens het bepaalde in de volgende artikelen, ingetrokken.
1.
Voorschriften, als bedoeld in artikel 1 of artikel 2, eerste lid, der Woningwet 1901, alsmede overeenkomstig het bepaalde in artikel 149 van de Gemeentewet ( Stb. 1992, 96) vastgestelde voorschriften, welke voorzien in onderwerpen, als omschreven in hoofdstuk II der Woningwet, worden geacht voorschriften te zijn als bedoeld in afdeling 1 van genoemd hoofdstuk der Woningwet.
2.
Op voorschriften, als in de aanhef van het eerste lid bedoeld, welke bij de inwerkingtreding van deze wet zijn vastgesteld, doch nog niet zijn goedgekeurd of ten aanzien waarvan bij die inwerkingtreding de beslissing omtrent goedkeuring nog niet in beroep onaantastbaar is, blijft artikel 11 van de Woningwet 1901 van toepassing.
3.
De gemeenteraden brengen de in het eerste lid bedoelde voorschriften met de Woningwet in overeenstemming. Indien de raad hieraan binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet niet heeft voldaan passen Gedeputeerde Staten artikel 21 der Woningwet toe.
Artikel 4
Voorschriften, gegeven ter uitvoering van artikel 1 bis van de Woningwet 1901, blijven van kracht en worden geacht ter uitvoering van artikel 3, vijfde lid, van de Woningwet te zijn gegeven.
1.
Op verzoeken om een vergunning, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, der Woningwet 1901, ingekomen vóór de inwerkingtreding van deze wet, beslissen burgemeester en wethouders volgens het ten tijde van de indiening van het verzoek geldende recht. Op deze beslissing blijft artikel 7 der Woningwet 1901 van toepassing.
2.
Vergunningen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a , van de Woningwet 1901 worden geacht vergunningen, als bedoeld in artikel 47 van de Woningwet te zijn.
3.
Vergunningen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b , van de Woningwet 1901 worden geacht vergunningen, als bedoeld in artikel 55 van de Woningwet te zijn.
4.
Op een besluit, als bedoeld in artikel 6, zesde lid, der Woningwet 1901, ten aanzien waarvan bij de inwerkingtreding van deze wet de beroepstermijn nog niet is verstreken, blijft artikel 7 der Woningwet 1901 van toepassing.
Artikel 6
In de gevallen, dat vergunning is verleend ingevolge artikel 8 van de Woningwet 1901 is artikel 49, zevende lid, van de Woningwet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
Door Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 13, tweede lid, der Woningwet 1901 vastgestelde regelingen worden geacht krachtens artikel 87, vierde lid, der Woningwet te zijn vastgesteld.
1.
Aanschrijvingen, als bedoeld in paragraaf 3 der Woningwet 1901, alsmede daartoe strekkende adviezen van de inspecteur worden geacht onderscheidenlijk krachtens artikel 25 en artikel 29 der Woningwet te zijn uitgebracht.
2.
Ten aanzien van adviezen en aanschrijvingen, als in het eerste lid bedoeld, blijven artikel 20 en, voor zover de termijn om voorziening te vragen bij de inwerkingtreding van deze wet nog niet is verstreken, artikel 24 van de Woningwet 1901 van toepassing.
1.
Besluiten tot onbewoonbaarverklaring genomen ingevolge paragraaf 4 der Woningwet 1901, alsmede daartoe strekkende adviezen van de inspecteur worden geacht onderscheidenlijk krachtens artikel 33 en artikel 34 der Woningwet te zijn genomen of uitgebracht.
2.
Ten aanzien van onbewoonbaarverklaringen en adviezen, als in het eerste lid bedoeld, blijft voor zover de termijn om voorziening te vragen bij de inwerkingtreding van deze wet nog niet is verstreken, artikel 26 der Woningwet 1901 van toepassing.
1.
Bijzondere voorschriften ter bepaling van voor- of achtergevelrooilijnen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, bouwverboden, als bedoeld in artikel 35, plannen van uitbreiding, als bedoeld in paragraaf 7, met daarbij behorende bebouwingsvoorschriften en voorschriften, als bedoeld in artikel 43 der Woningwet 1901, worden geacht bestemmingsplannen in de zin van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te zijn. Zij behouden het rechtsgevolg, dat zij bij de inwerkingtreding van deze wet hadden.
2.
Op de in het vorige lid aangegeven, ingevolge de Woningwet 1901 tot stand gekomen, planologische maatregelen is artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gedurende 5 jaren na het in werking treden van deze wet niet van toepassing. Gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen, van toepassing op in dit lid bedoelde planologische maatregelen, blijven ten hoogste tot dit tijdstip van kracht.
3.
De gemeenteraden brengen de in het eerste lid bedoelde maatregelen binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet met de Wet op de Ruimtelijke Ordening in overeenstemming.
1.
Indien vóór de inwerkingtreding van deze wet volgens de voorschriften van de Woningwet 1901 een ontwerp voor een maatregel, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet ter inzage is gelegd, kan die maatregel ook na die inwerkingtreding nog volgens de voorschriften van de Woningwet 1901 worden vastgesteld.
2.
Op maatregelen, vastgesteld ingevolge het eerste lid, en op maatregelen, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet, welke bij de inwerkingtreding van deze wet zijn vastgesteld, doch nog niet zijn goedgekeurd, of ten aanzien waarvan bij die inwerkingtreding de beslissing omtrent goedkeuring nog niet in beroep onaantastbaar is, blijven de artikelen 11, onderscheidenlijk 35 en 37, 38, 40 en 43 a der Woningwet 1901 van toepassing.
Artikel 12
Een verplichting ingevolge de artikelen 36, vijfde lid, en 44, eerste lid, artikel 38, tweede lid of de artikelen 40 en 44, vierde lid, van de Woningwet 1901 wordt geacht een verplichting ingevolge artikel 37, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 30, onderscheidenlijk artikel 40 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te zijn.
Artikel 13
Een besluit, genomen ingevolge artikel 36, vierde lid, van de Woningwet 1901 wordt geacht ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening genomen te zijn.
1.
De voorwaarde van terugbetaling, genoemd in de artikelen 52 en 57 van de Woningwet 1901 en verbonden aan op grond van de artikelen 52 en 56, derde lid, van die wet verleende bijdragen, vervalt.
2.
Voorschriften, gegeven ter uitvoering van de paragrafen 8 en 9 van de Woningwet 1901 - voorzover zij niet krachtens artikel 52, derde lid, van die wet zijn uitgevaardigd - alsmede de op die voorschriften berustende uitvoeringsbepalingen blijven van kracht en worden geacht ter uitvoering van de Woningwet te zijn gegeven.
3.
[Wijzigt de wet van 14 juni 1934, Stb. 316.]
4.
De verplichting tot terugbetaling, verbonden aan bij of krachtens besluit van de gemeenteraad op andere wijze dan door middel van bijdragen, als bedoeld in het eerste lid, verleende geldelijke steun ter tegemoetkoming in ongedekte jaarlijkse tekorten, die voortspruiten uit de exploitatie van - vóór 1 januari 1946 tot stand gekomen - woningen door ingevolge artikel 78 van de Onteigeningswet toegelaten verenigingen, vennootschappen en stichtingen, vervalt.
1.
Op verzoeken om een vergunning, als bedoeld in artikel 73 der Woningwet 1901, ingekomen vóór de inwerkingtreding van deze wet, beslissen burgemeester en wethouders volgens het ten tijde van de indiening van het verzoek geldende recht. Op deze beslissing blijft artikel 73, vierde lid, der Woningwet 1901 van toepassing.
2.
Vergunningen, als bedoeld in artikel 73 der Woningwet 1901 worden geacht vergunningen, als bedoeld in artikel 47 der Woningwet te zijn. In deze vergunningen wordt voor de toepassing van artikel 49 der Woningwet geacht een termijn van vijf jaren te zijn gesteld.
3.
Met betrekking tot beslissingen omtrent vergunning, ten aanzien waarvan bij de inwerkingtreding van deze wet de termijn om voorziening te vragen nog niet is verstreken, blijft artikel 73, vierde lid, der Woningwet 1901 van toepassing.
1.
Onze Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid kan toestaan, dat woningen, waarvan de bewoning ingevolge artikel 2 van de Woningnoodwet 1918 ( Stb. 379, vervallen 6 maanden na de inwerkingtreding van het Koninklijk besluit van 12 september 1931, Stb. 396) na een bepaalde termijn moest ophouden, langer worden bewoond. De toestemming wordt telkens voor een bepaalde termijn verleend, die voor verlenging vatbaar is. Na de dag, waarop de bewoning ingevolge de beschikking van voornoemde Minister moet ophouden, moet het gemeentebestuur de woning onverwijld doen ontruimen en afbreken, tenzij voor zoveel het afbreken betreft, met goedkeuring van die Minister aan de woning een andere bestemming wordt gegeven.
2.
De bepalingen, die ingevolge de Woningnoodwet 1918 ( Stb. 379) golden ten aanzien van woningen als bedoeld in het eerste lid, blijven van kracht, behoudens wijziging, aanvulling of intrekking door Ons.
Artikel 29
De wet van 28 september 1950, Stb. K 415, houdende voorlopige regeling inzake het Nationale Plan en de streekplannen, hierna aangehaald als: voorlopige wet, wordt, behoudens hetgeen bij artikel 32 wordt bepaald, ingetrokken.
1.
Streekplannen, als bedoeld in de voorlopige wet, voor zover zij bij de inwerkingtreding van deze wet zijn goedgekeurd en die, omtrent welker goedkeuring bij die inwerkingtreding nog niet is beslist, worden geacht streekplannen, als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te zijn.
2.
Indien vóór de inwerkingtreding van deze wet volgens de voorschriften van de voorlopige wet een ontwerp voor een streekplan ter inzage is gelegd, kan dat plan ook na die inwerkingtreding nog volgens de voorschriften van de voorlopige wet worden vastgesteld.
3.
Op streekplannen, die ingevolge het tweede lid zijn vastgesteld, is het eerste lid van toepassing.
Artikel 31
Besluiten, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, der voorlopige wet, blijven nog 5 jaren na de inwerkingtreding van deze wet van kracht.
Artikel 32
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 33
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 34
Op ingevolge de Woningwet 1901 tot stand gekomen bouwverboden en bijzondere voorschriften ter bepaling van een voorgevelrooilijn blijft artikel 40 b der Onteigeningswet van toepassing.
Artikel 35
Op onteigeningen, ten aanzien waarvan de ter inzage legging, als bedoeld in artikel 80 van de Onteigeningswet, heeft plaats gehad vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven de bepalingen van Titel IV van de Onteigeningswet, zoals die vóór evenbedoeld tijdstip golden, van kracht.
Artikel 36
Verenigingen, vennootschappen en stichtingen, toegelaten ingevolge artikel 78 van de Onteigeningswet, worden geacht toegelaten te zijn ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Woningwet.
Artikel 37
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 38
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 39
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 40
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 41
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 42
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 43
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 44
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 45
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 46
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 47
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
1.
Deze wet kan worden aangehaald als Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting.
2.
Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. Wij kunnen een ander tijdstip vaststellen, waarop het eerste en het derde en vierde lid van artikel 14, alsmede de uitzondering, gemaakt op het tweede lid van dat artikel, in werking treden.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Porto Ercole, 1 augustus 1964
De Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid,
De Minister van Justitie a.i.,
De Minister van Binnenlandse Zaken a.i.,
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Uitgegeven de derde september 1964.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepaling
+ Hoofdstuk II. Overgangsbepalingen Woningwet
+ Hoofdstuk III. Voorschriften met betrekking tot de Wederopbouwwet
+ Hoofdstuk IV. Overgangs- en Wijzigingsbepalingen ten aanzien van de voorlopige regeling inzake het Nationale Plan en de streekplannen
+ Hoofdstuk V. Wijziging Onteigeningswet
+ Hoofdstuk VI. Wijziging van enige andere wetten
+ Hoofdstuk VII. Slotbepaling
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht