1.
De in artikel 10, eerste lid, en artikel 11, eerste lid, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
2.
De in de artikelen 10, tweede tot en met zesde lid, 10a, eerste lid, 11, tweede tot en met vijfde lid, 11a en 11b strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
3.
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan:
a. een der in artikel 10a, eerste lid, strafbaar gestelde feiten voorzover die zijn gepleegd om het in artikel 10, vijfde lid, strafbaar gestelde feit voor te bereiden of te bevorderen, dan wel
b. poging tot of deelneming aan het in artikel 10, vijfde lid, strafbaar gestelde feit.
4.
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een der in artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, artikel 10a, eerste lid, artikel 11, tweede tot en met vierde lid, en artikel 11a strafbaar gestelde feiten, indien het feit is gepleegd aan boord van een buitenlands vaartuig dan wel een vaartuig zonder nationaliteit of een daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van het internationale recht, op open zee, en wordt opgetreden in het kader van de toepassing van het Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel.
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 3a
Artikel 3b
Artikel 3c
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 7a
Artikel 8
Artikel 8a
Artikel 8b
Artikel 8c
Artikel 8d
Artikel 8e
Artikel 8f
Artikel 8g
Artikel 8h
Artikel 8i
Artikel 8j
Artikel 8k
Artikel 9
Artikel 9a
Artikel 10
Artikel 10a
Artikel 11
Artikel 11a
Artikel 11b
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 13a
Artikel 13b
Artikel 14
Artikel 15
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht