14.
De bevoegdheden van de ontvanger op grond van het zevende, negende, tiende en twaalfde lid vervallen één jaar na het tijdstip waarop de zaak niet meer als bodemzaak kwalificeert, tenzij de ontvanger binnen dat jaar van de pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, een met bescheiden gestaafde verklaring heeft gevorderd omtrent de executiewaarde van de zaak.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Invordering in eerste aanleg
+ Hoofdstuk III. Dwanginvordering
- Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen
+ Hoofdstuk V. Betalingskorting en invorderingsrente
+ Hoofdstuk VI. Aansprakelijkheid
+ Hoofdstuk VII. Verplichtingen ten behoeve van de invordering
+ Hoofdstuk VIIa. Bestuurlijke boeten
+ Hoofdstuk VIII. Strafrechtelijke bepalingen
+ Hoofdstuk IX. Aanvullende regelingen
+ Hoofdstuk X. Slot- en overgangsbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht