Let op. Deze wet is vervallen op 30 december 2005. U leest nu de tekst die gold op 29 december 2005.

Invoeringswet W.H.B.O.

Uitgebreide informatie
Wet van 16 mei 1986, houdende vaststelling van het overgangsrecht voor de Wet op het hoger beroepsonderwijs, van het tijdstip van inwerkingtreding van die wet alsmede wijziging van die wet en van enige andere wetten
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het hoger beroepsonderwijs ( Stb. 1985, 80) en het overgangsrecht bij wet dienen te worden geregeld;
dat voorts wijzigingen in de Wet op het hoger beroepsonderwijs in het bijzonder met betrekking tot de advies- en overlegstructuur, de wijze van bekostiging alsmede het gebruik van gebouwen, terreinen en roerende zaken wenselijk zijn gebleken;
dat in verband met de inwerkingtreding van de Wet op het hoger beroepsonderwijs wijzigingen in de Wet op het voortgezet onderwijs en enige andere wetten dienen te worden aangebracht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
De op 31 juli 1986 uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen en cursussen, genoemd in het tweede lid, kunnen tot de in dat lid vermelde datum verbonden blijven aan de instelling voor hoger beroepsonderwijs waartoe de betrokken school, scholengemeenschap, groep cursussen, instituut of academie ingevolge artikel E.1 is omgezet. Indien in het tweede lid is bepaald tot welk tijdstip een opleiding of cursus uiterlijk in stand kan worden gehouden, kan Onze minister een eerdere datum vaststellen voor beëindiging van de bekostiging uit ’s Rijks kas.
2.
De in het eerste lid bedoelde opleidingen, cursussen en tijdstippen zijn:
a. cursussen voor leerkrachten Montessori-onderwijs tot uiterlijk 1 augustus 1987,
b. de opleidingen voor de akte van bekwaamheid tot het geven van nijverheidsonderwijs Nht (handvaardigheid/tekenen) tot uiterlijk 1 augustus 1987 voor wat betreft het eerste leerjaar,
c. de Eenjarige Dagopleiding Kleuterleidster A tot 1 augustus 1989,
d. de applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer tot 1 augustus 1989,
e. de Hogere kadercursus dierveredeling tot 1 augustus 1989,
f. de opleidingen voor de akte van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in nuttige handwerken (akte k) tot uiterlijk 1 augustus 1989,
g. de opleidingen voor de akte van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in het tekenen (akte i) tot uiterlijk 1 augustus 1989,
h. de opleidingen voor de akte van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in lichamelijke oefening (akte j) tot uiterlijk 1 augustus 1989,
i. de opleidingen voor de akte van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in handenarbeid (akte r) tot uiterlijk 1 augustus 1989,
j. de opleidingen voor de akte van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in vrouwelijke handwerken (akte u) tot uiterlijk 1 augustus 1989,
k. de opleiding voor de akte van bekwaamheid A tot het geven van middelbaar onderwijs in het tekenen tot uiterlijk 1 augustus 1990,
l. de opleidingen voor het staatsdiploma handvaardigheid (handenarbeid) A tot uiterlijk 1 augustus 1990,
m. het voorbereidend jaar voor afgestudeerden van het middelbaar landbouwonderwijs tot uiterlijk 1 augustus 1990,
n. de opleidingen voor de akten van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in onderscheidenlijk het boekhouden tot uiterlijk 31 december 1991, de handelswetenschappen tot uiterlijk 31 december 1993 en de staathuishoudkunde en de statistiek tot uiterlijk 31 december 1993,
o. de applicatiecursus Fries tot uiterlijk 1 augustus 1990,
p. de opleidingen voor de akte q tot uiterlijk 1 augustus 1990,
q. de opleidingen voor het bewijs pedagogisch-didactische voorbereiding tot uiterlijk 1 augustus 1990,
r. cursussen voor de opleiding tot remedial teacher tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum,
s. de tweejarige cursus buitengewoon onderwijs tot uiterlijk een bij koninklijk besluit te bepalen datum voor wat betreft het eerste leerjaar,
t. de vierjarige cursus gehoorgestoorden A en B tot uiterlijk een bij koninklijk besluit te bepalen datum voor wat betreft het eerste leerjaar,
u. de eenjarige tweedegraads deeltijdopleidingen leraar voortgezet onderwijs algemene vakken tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum,
v. de applicatiecursus voor buitenlanders tot volledig bevoegd onderwijzer tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum,
w. de applicatiecursussen voor leerkrachten eigen taal en cultuur tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum,
x. de rangenopleidingen voor de rijksexamens, ressorterend onder het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, voor vaarbevoegdheden voor de grote handelsvaart tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum,
y. de zesjarige deeltijdopleidingen leraar bouwkunde en werktuigbouwkunde tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum.
3.
Ten aanzien van de vooropleidingseisen, de cursusduur, de stages, de examens en de vakanties van de in het tweede lid genoemde opleidingen en cursussen blijven de op 31 juli 1986 geldende voorschriften van toepassing. Onze minister kan toestaan dat wordt afgeweken van de op 31 juli 1986 geldende voorschriften, voor zover dit naar zijn oordeel voor een goede gang van zaken noodzakelijk is.
4.
De bekostiging van de in het tweede lid genoemde opleidingen en cursussen geschiedt volgens door Onze minister te stellen regels.
5.
Op de in het tweede lid genoemde opleidingen en cursussen zijn de bepalingen van de titels III tot en met VI van hoofdstuk II van de W.H.B.O. met uitzondering van de artikelen 38, 40, 41 en 43, alsmede de op die titels van toepassing zijnde bepalingen in deze wet, van overeenkomstige toepassing.
6.
De bij een instelling ingeschreven studenten voor een opleiding of cursus, genoemd in het tweede lid, tellen niet mee bij de vaststelling van het aantal bij de instelling ingeschreven studenten, bedoeld in artikel 166 van de W.H.B.O., met uitzondering van de studenten ingeschreven voor de cursussen bedoeld in de onderdelen s en t van dat lid.
7.
De cursussen bedoeld in de onderdelen s en t van het tweede lid, worden voor de toepassing van artikel 14, tweede lid, van de W.H.B.O. beschouwd als opleidingen van de tweede fase.
8.
Onze minister kan toestaan dat het bevoegd gezag na beëindiging van de bekostiging van het hoogste leerjaar ingevolge het eerste en tweede lid, ten aanzien van de cursussen bedoeld in de onderdelen s en t van het tweede lid alsnog voor een studiejaar een hoogste leerjaar vormt volgens de op 31 juli 1986 geldende voorschriften. De tweede volzin van het derde lid is van toepassing.
1.
Het medezeggenschapsreglement, vastgesteld aan een scholengemeenschap als bedoeld in artikel E.65, eerste lid, geldt met ingang van 1 augustus 1986 als krachtens de W.H.B.O. onderscheidenlijk de Wet medezeggenschap onderwijs vastgesteld aan de instelling die krachtens artikel E.1 uit deze scholengemeenschap voortkomt, onderscheidenlijk aan de scholen en cursussen voor ander voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel E.65, eerste lid, met uitzondering van de bepalingen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad gezamenlijk constateren dat zij, gezien de veranderingen in de feitelijke situatie, niet kunnen werken in de situatie vanaf 1 augustus 1986. Het bevoegd gezag legt tijdig voor laatstgenoemde datum een voorstel aan de medezeggenschapsraad voor tot aanpassing van het reglement aan de situatie vanaf 1 augustus 1986, voor zover dit uit de veranderingen in de feitelijke situatie noodzakelijkerwijs voortvloeit.
2.
Aan de instelling alsmede aan de scholen en cursussen, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 1 november 1986 een medezeggenschapsraad gekozen. Het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad, gekozen aan de in het eerste lid bedoelde scholengemeenschap, treffen voor de periode tot aan de verkiezing van de in de eerste volzin bedoelde raad een voorziening voor de uitoefening van de in de wet en het reglement neergelegde medezeggenschapsbevoegdheden.
3.
Artikel E.44 is van overeenkomstige toepassing.
Besluit medezeggenschap onderwijs van Invoeringswet W.H.B.O.">
Artikel E.48. Tijdelijke handhaving Besluit medezeggenschap onderwijs
Tot het tijdstip waarop toepassing wordt gegeven aan artikel 70, tweede lid, van de W.H.B.O., is van overeenkomstige toepassing het op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 ( Stb. 1992, 663) bepaalde bij of krachtens artikel 17, tweede lid, van de Wet medezeggenschap onderwijs ( Stb. 1981, 778).
1.
Met ingang van 1 augustus 1986 kunnen tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum de op 31 juli 1986 uit ’s Rijks kas bekostigde scholengemeenschappen waarvan naast ander voortgezet onderwijs scholen en cursussen voor hoger beroepsonderwijs, opleidingen voor onderwijzend personeel en kunstonderwijs daaronder begrepen, deel uitmaken, in stand blijven als onderwijsgemeenschap HBO-instelling/voortgezet onderwijs, indien het bevoegd gezag zulks wenselijk oordeelt. De centrale directie dan wel het college van bestuur van de instelling voor hoger beroepsonderwijs staat tevens aan het hoofd van de scholen en cursussen voor voortgezet onderwijs die deel uitmaken van de onderwijsgemeenschap.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen met ingang van 1 augustus 1986 de op 31 juli uit ’s Rijks kas bekostigde scholengemeenschappen waarvan scholen en cursussen hoger sociaal-pedagogisch onderwijs en middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs deel uitmaken waarvan het onderwijs in nauwe onderlinge samenhang is geprogrammeerd, als onderwijsgemeenschap HBO-instelling/voortgezet onderwijs in stand blijven.
3.
Onze minister kan toestaan dat ten aanzien van bepaalde studierichtingen die deel uitmaken van een onderwijsgemeenschap, wordt afgeweken van de voorschriften van het HBO-statuut met betrekking tot de vooropleidingseisen, indien deze studierichtingen worden geprogrammeerd in nauwe samenhang met de overeenkomstige opleiding behorend tot het middelbaar beroepsonderwijs.
4.
De artikelen 26 en 77, derde lid, van de W.V.O. zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van scholen en cursussen voor voortgezet onderwijs die deel uitmaken van een onderwijsgemeenschap.
5.
Een openbare onderwijsgemeenschap HBO-instelling/voortgezet onderwijs kan uitgaan van een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen , waarin deelnemen een of meer gemeenten dan wel een of meer gemeenten en het Rijk al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid. Als bevoegd gezag van een openbare onderwijsgemeenschap als bedoeld in de eerste volzin, wordt het krachtens de desbetreffende regeling bevoegde orgaan aangemerkt.
6.
Indien het bevoegd gezag besluit
a. met ingang van 1 augustus 1986 geen onderwijsgemeenschap HBO-instelling/voortgezet onderwijs in stand te houden, dan wel
b. op enig later tijdstip de onderwijsgemeenschap te beëindigen, wordt de bekostiging uit ’s Rijks kas van de scholen en cursussen voor voortgezet onderwijs uitsluitend voortgezet, indien is voldaan aan door Onze minister te stellen voorwaarden met betrekking tot de omvang van deze scholen en cursussen alsmede de spreiding ervan in het licht van een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen. Hoofdstuk I van titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs is in dat geval niet van toepassing.
7.
Indien niet aan de krachtens het vorige lid gestelde voorwaarden wordt voldaan, bepaalt Onze minister de datum van de beëindiging van de bekostiging.
8.
Onze minister geeft voorschriften met betrekking tot de gevolgen voor het personeel en voor de terreinen, gebouwen en de inventaris van de totstandkoming en beëindiging van onderwijsgemeenschappen HBO-instelling/voortgezet onderwijs.
9.
Indien onderwijsgemeenschappen dienen te worden beëindigd omdat bij koninklijk besluit de datum, bedoeld in het eerste lid, is bepaald, zijn het zesde en zevende lid van overeenkomstige toepassing.
10.
Tegen een besluit als bedoeld in het zesde en het zevende lid kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 16 mei 1986
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
De Minister van Landbouw en Visserij,
Uitgegeven de negenentwintigste mei 1986
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Titel A
+ Titel B
+ Titel C
+ Titel D
+ Titel E. Voorschriften in verband met de invoering van de W.H.B.O.
+ Titel F
+ Titel G
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht