Wet van 7 april 2011 tot intrekking van de Wet stedelijke vernieuwing in verband met de decentralisatie van het investeringsbudget stedelijke vernieuwing (Intrekkingswet Wet stedelijke vernieuwing)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de decentralisatie van het investeringsbudget stedelijke vernieuwing wenselijk is de Wet stedelijke vernieuwing in te trekken en te voorzien in overgangsrecht met betrekking tot die intrekking;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. eerste investeringstijdvak: de jaren 2000 tot en met 2004;
b. tweede investeringstijdvak: de jaren 2005 tot en met 2009;
c. derde investeringstijdvak: de jaren 2010 tot en met 2014.
2.
Ten aanzien van investeringsbudget als bedoeld in artikel 5, eerste respectievelijk vierde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing, verleend voor het eerste of tweede investeringstijdvak, waarvan het bedrag op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 14 of 15 van die wet, blijft het bij of krachtens de Wet stedelijke vernieuwing bepaalde van toepassing.
3.
Het bedrag van het voor het derde investeringstijdvak verleende investeringsbudget als bedoeld in artikel 5, eerste respectievelijk vierde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing, wordt vastgesteld op het in 2010 inzake dat investeringsbudget verleende voorschot, bedoeld in artikel 12 van de Wet stedelijke vernieuwing.
4.
De krachtens artikel 6, vierde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing vastgestelde provinciale verordeningen blijven van kracht met betrekking tot het derde investeringstijdvak, en berusten vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op dit artikel.
5.
Krachtens artikel 20 van de Wet stedelijke vernieuwing vastgestelde ministeriële regelingen, zoals die laatstelijk luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven, behoudens intrekking voor dat tijdstip, van kracht tot de in die ministeriële regelingen bepaalde datum van intrekking, en berusten vanaf eerderbedoeld tijdstip op dit artikel.
Artikel V. (Inwerkingtreding)
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. De artikelen I, II, en III werken terug tot en met 1 januari 2011.
Artikel VI. (Citeertitel)
Deze wet wordt aangehaald als: Intrekkingswet Wet stedelijke vernieuwing.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 7 april 2011
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Uitgegeven de zevenentwintigste april 2011
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I. (Intrekking Wet stedelijke vernieuwing )
Artikel II. (Wijziging Algemene wet bestuursrecht )
Artikel IIa. (Wijziging van de Crisis-en herstelwet )
Artikel III. (Wijziging Woningwet )
Artikel IV. (Overgangsrecht)
Artikel V. (Inwerkingtreding)
Artikel VI. (Citeertitel)
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht