Wet van 13 december 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en het Burgerlijk Wetboek ter implementatie van de richtlijn solvabiliteit II en invoering van een daarop gebaseerd regime voor bepaalde kleinere verzekeraars (Implementatiewet richtlijn solvabiliteit II)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU 2009, L 335) in Nederlandse regelgeving dient te worden geïmplementeerd en in het verlengde hiervan eveneens aanpassing van het regime voor bepaalde kleinere verzekeraars in de rede ligt;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.]
Artikel II
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2.]
Artikel III
[Wijzigt de Zorgverzekeringswet.]
Artikel IV
[Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.]
Artikel V
[Wijzigt de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg.]
Artikel VI
[Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.]
Artikel VII
[Wijzigt de Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.]
Artikel VIII
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het financieel toezicht (uitvoering richtlijn nr. 2005/68/EG betreffende herverzekering).]
Artikel VIIIa
[Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht.]
Artikel IX
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel X
Op een entiteit voor risico-acceptatie die een vergunning heeft verkregen voor 31 december 2015 en die na die datum geen nieuwe activiteiten is begonnen, blijven artikel 2:54b of 2:54d en de bepalingen van het deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de Wet op het financieel toezicht van toepassing zoals die luidden op 31 december 2015.
1.
Op een verklaring die is verleend krachtens artikel 1:10, onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht zoals dat artikel luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van deze wet, blijft tot negentig dagen na inwerkingtreding van dat artikel de Wet op het financieel toezicht van toepassing zoals deze luidde voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C.
2.
De verklaring, bedoeld in het eerste lid, vervalt met ingang van de negentigste dag na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van deze wet, tenzij de verklaringhouder voorafgaande aan dat tijdstip bij de Nederlandsche Bank een vergunning heeft aangevraagd als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, of artikel 2:48, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
3.
Een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:10, onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, die voornemens is met ingang van de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, zijn werkzaamheden te gaan verrichten met gebruikmaking van een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 2:49b en 3:3 van de Wet op het financieel toezicht, stelt de Autoriteit Financiële Markten hiervan in kennis. Daarbij geeft hij aan, onder overlegging van een afschrift van de verklaring, of hij een vergunning als bedoeld in artikel 2:75, eerste lid, of artikel 2:80, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht wenst. De verklaring geldt als een vergunning, bedoeld in artikel 2:75, eerste lid, of artikel 2:80, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
4.
In afwijking van het eerste lid blijft op de in het tweede lid bedoelde verklaringhouder de Wet op het financieel toezicht van toepassing zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van deze wet tot de dag waarop de Nederlandsche Bank op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, heeft beslist.
5.
De aanvraag van een vergunning als bedoeld in het tweede lid geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens. Van artikel 2:49, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht blijven de onderdelen a, b, c, f, g, h, en k buiten toepassing.
6.
Op de aanvraag, bedoeld in het tweede en derde lid, is artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Wet bekostiging financieel toezicht niet van toepassing. Het door de Nederlandsche Bank te hanteren tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag door een verklaringhouder waaraan op grond van artikel 3 van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft een verklaring is verleend, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald.
1.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 2:27, eerste lid, of artikel 2:40, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht zoals die artikelen luidden voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel wordt:
a. indien deze vergunning is verleend aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar die niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de richtlijn solvabiliteit II, of waarop artikel 4, vierde lid, laatste alinea, van dat artikel van toepassing is, onverminderd het tweede en derde lid, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel van rechtswege omgezet in een vergunning als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, of artikel 2:40, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht; of
b. indien deze vergunning is verleend aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar die voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de richtlijn solvabiliteit II en waarop artikel 4, vierde lid, laatste alinea, van dat artikel niet van toepassing is, onverminderd het tweede en derde lid, op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel van rechtswege omgezet in een vergunning als bedoeld in artikel 2:48, eerste lid, of artikel 2:50, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
2.
Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar waarop het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is, en die ervoor kiest zijn werkzaamheden na het in werking treden van deze wet te gaan verrichten met een vergunning als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, of artikel 2:40, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, stelt de Nederlandsche Bank uiterlijk op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van dit artikel daarvan in kennis. Alsdan wordt zijn vergunning op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel van rechtswege omgezet in die vergunning.
3.
Op een schadeverzekeraar die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet een vergunning heeft op grond van artikel 2:27, eerste lid, of artikel 2:40, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht zoals dit artikel luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, en die het voornemen heeft zijn werkzaamheden te gaan verrichten met gebruikmaking van de artikelen 2:49b onderscheidenlijk 2:54.0a en 3:3 van de Wet op het financieel toezicht, is artikel XI, derde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Op een natura-uitvaartverzekeraar die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet een vergunning heeft op grond van artikel 2:48, eerste lid, of artikel 2:50, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, en die het voornemen heeft zijn werkzaamheden te gaan verrichten met gebruikmaking van de artikelen 2:49b onderscheidenlijk 2:54.0a en 3:3 van de Wet op het financieel toezicht is artikel XI, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
2.
Een natura-uitvaartverzekeraar waarop het eerste lid van toepassing is, en die ervoor kiest zijn werkzaamheden na het in werking treden van deze wet te gaan verrichten met een vergunning als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, of artikel 2:40, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, stelt de Nederlandsche Bank uiterlijk op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van dit artikel daarvan in kennis. Alsdan wordt zijn vergunning op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel van rechtswege omgezet in die vergunning.
Artikel XIV
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aanvullende regels van overgangsrechtelijke aard worden gesteld ter uitvoering van richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU 2009, L 335) dan wel van bindende EU-rechtshandelingen ter uitvoering of wijziging van die richtlijn. Deze regels kunnen met name zien op het instellen van overgangstermijnen voor de invoering of wijziging van verplichtingen voor verzekeraars die houders zijn van een vergunning op grond van artikel 2:27, eerste lid, of artikel 2:40, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel XV. (Inwerkingtreding)
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel XVI. (Citeertitel)
Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet richtlijn solvabiliteit II.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 13 december 2012
De Minister van Financiën,
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Uitgegeven de eenentwintigste december 2012
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Artikel VI
Artikel VII
Artikel VIII
Artikel VIIIa
Artikel IX
Artikel X
Artikel XI. (Overgangsrecht SII Basic)
Artikel XII
Artikel XIII
Artikel XIV
Artikel XV. (Inwerkingtreding)
Artikel XVI. (Citeertitel)
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht