Let op. Deze wet is vervallen op 1 augustus 2003. U leest nu de tekst die gold op 31 juli 2003.

Huurwet

Uitgebreide informatie
1.
Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur
a. gemeenten of gedeelten van gemeenten aanwijzen waarin het bepaalde in Hoofdstuk II, de artikelen 11 en 12 en de Hoofdstukken IV-VI, met uitzondering van de artikelen 26 a , 27, eerste en tweede lid en 28 niet van toepassing is;
b. gemeenten of gedeelten van gemeenten aanwijzen waarin de onder a genoemde voorschriften niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van gebouwde onroerende zaken of gedeelten daarvan, waarvan de - op de dag, voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van bedoelde algemene maatregel van bestuur, ingevolge deze wet geldende - huurprijs een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag overschrijdt.
2.
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de dagtekening van het Staatsblad waarin Ons besluit is geplaatst.
1.
In de gemeenten of gedeelten van gemeenten ten aanzien waarvan artikel 28 a, eerste lid, toepassing heeft gevonden is de huurprijs van een gebouwde onroerende zaak dan wel van de in dat artikel bedoelde categorieën van gebouwde onroerende zaken:
a. indien het betreft een woning of een gedeelte daarvan: de huurprijs op de dag, voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van bedoelde algemene maatregel van bestuur, tenzij partijen nadien anders overeenkomen;
b. indien het betreft een gebouwde onroerende zaak, niet zijnde een woning, of een gedeelte daarvan: de huurprijs, die partijen zijn overeengekomen of zullen overeenkomen.
2.
Voor de toepassing van dit Hoofdstuk is het bepaalde in artikel 3, zesde lid van overeenkomstige toepassing.
1.
In de gemeenten of gedeelten van gemeenten ten aanzien waarvan het bepaalde in artikel 28 a, eerste lid, onder a, toepassing heeft gevonden is na het einde van de huur en verhuur dan wel van de bevoegdheid om krachtens huurbescherming in het genot te blijven van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan de verplichting van de gewezen huurder om tot ontruiming over te gaan, van rechtswege geschorst. Deze schorsing eindigt twee maanden na het tijdstip waartegen de ontruiming is aangezegd. De aanzegging geschiedt bij deurwaardersexploit of bij aangetekende brief, waarvoor een bericht van ontvangst wordt verlangd; zij kan eerst geschieden na de inwerkingtreding van de in artikel 28 a, eerste lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur.
2.
Het bepaalde in dit eerste lid geldt niet voor de gewezen huurder, die zelf de huurovereenkomst heeft opgezegd, uitdrukkelijk in de beëindiging daarvan heeft bewilligd of veroordeeld is tot ontruiming wegens niet-nakoming zijner verplichtingen. Het geldt met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip evenmin voor degene, die eerst na dit tijdstip huurder van een woning of een gedeelte daarvan is geworden.
3.
Het bepaalde in dit artikel en in de volgende artikelen van dit Hoofdstuk geldt mede in gemeenten of gedeelten van gemeenten ten aanzien waarvan het bepaalde in artikel 28 a, eerste lid, onder b, toepassing heeft gevonden, doch alleen met betrekking tot de aldaar bedoelde categorieën van gebouwde onroerende zaken.
1.
Zolang de in artikel 28 c, eerste lid, bedoelde termijn niet is verstreken kan de gewezen huurder zich schriftelijk tot de kantonrechter, van de rechtbank van het arrondissement waarin de onroerende zaak of het gedeelte daarvan is gelegen, wenden met het verzoek om die termijn te verlengen. Het verzoek bevat de gronden waarop het berust. De indiening van het verzoek schorst de verplichting om tot ontruiming over te gaan, totdat daaromtrent is beslist.
2.
De kantonrechter wijst, indien hem blijkt, dat het verzoek niet tijdig is ingediend, het verzoek terstond af.
3.
De kantonrechter willigt het verzoek slechts in, indien de belangen van de gewezen huurder door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de verhuurder bij voortzetting van het genot door de gewezen huurder.
4.
De kantonrechter kan het verzoek niettemin afwijzen, indien de verhuurder aannemelijk maakt, dat van hem, wegens onbehoorlijk gebruik van de zaak of het gedeelte daarvan, wegens ernstige overlast, de medebewoners dan wel hemzelf aangedaan, of wegens wanbetaling, niet gevergd kan worden, dat de gewezen huurder nog langer in het genot van de zaak of het gedeelte daarvan blijft.
1.
Bij inwilliging van het verzoek verlengt de kantonrechter de in artikel 28 c bedoelde termijn tot ten hoogste één jaar. Deze termijn kan op verzoek van de gewezen huurder nog tweemaal worden verlengd met telkens ten hoogste een jaar. Het verzoek tot verlenging moet uiterlijk vier weken voor het verstrijken van de termijn worden ingediend. De indiening van het verzoek schorst de verplichting om tot ontruiming over te gaan totdat daaromtrent is beslist.
2.
Indien partijen het niet eens zijn over de som, welke de gewezen huurder verplicht is te betalen als vergoeding voor het genot van de zaak of het gedeelte daarvan voor de termijn, waarmede de in artikel 28 c bedoelde termijn is verlengd, wordt deze bij zijn hiervóór bedoelde beschikking bepaald door de kantonrechter, na ingewonnen advies van de huurcommissie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de huurcommissies. Hij stelt deze som vast op een, gezien het huurpeil ter plaatse, redelijk te oordelen bedrag. Hetzelfde geldt bij verdere verlenging van de termijn overeenkomstig het voorgaande lid.
3.
Bij afwijzing van het verzoek anders dan op grond van artikel 28 d , tweede lid, bepaalt de kantonrechter de termijn, binnen welke de gewezen huurder de zaak of het gedeelte daarvan moet ontruimen.
1.
Het verzoek, bedoeld in de artikelen 28 d en 28 e, wordt in drievoud op ongezegeld papier ter griffie van de rechtbank ingediend.
2.
De kantonrechter bepaalt de dag en het uur waarop het verzoek ter terechtzitting zal worden behandeld. De terechtzitting is niet openbaar.
3.
De griffier roept de gewezen huurder en de verhuurder op om ter terechtzitting te verschijnen, ten einde naar aanleiding van het verzoek te worden gehoord. De oproeping geschiedt bij aangetekende brief, waarvoor een bericht van ontvangst wordt verlangd, tenzij de kantonrechter op grond van bijzondere omstandigheden een andere wijze van oproeping beveelt. Zij moet ten minste vijf dagen voor de dag, waarop het verzoek ter terechtzitting wordt behandeld worden verzonden.
4.
De griffier zendt bij de oproeping van de verhuurder een door hem voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het verzoek mede.
1.
De kantonrechter beslist bij schriftelijke met redenen omklede en in het openbaar uit te spreken beschikking. Bij inwilliging van het verzoek zendt hij afschrift van zijn beschikking aan de huurcommissie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de huurcommissies, in zijn rechtsgebied, indien deze gehoord is omtrent de vergoeding, als bedoeld in artikel 28e.
2.
Tegen de beschikking staat hoger beroep noch beroep in cassatie open, met uitzondering van cassatie in het belang der wet.
1.
Zolang de termijnen, bedoeld in de artikelen 28 c, 28 d en 28 e, niet zijn verstreken, hebben de gewezen huurder en de verhuurder - behoudens het bepaalde in het tweede lid van artikel 28 e - dezelfde rechten en verplichtingen, als indien de huur en verhuur, dan wel de bevoegdheid om krachtens huurbescherming in het genot van de onroerende zaak of het gedeelte daarvan te blijven, niet zou zijn geëindigd.
2.
In afwijking van het voorgaande lid kan de kantonrechter, hangende zijn beslissing omtrent een verzoek, als bedoeld in artikel 28 d, op verzoek van de verhuurder de som bepalen, die de gewezen huurder verplicht is te betalen als voorlopige vergoeding voor het genot van de zaak of het gedeelte daarvan gedurende de procedure.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemeen
+ Hoofdstuk II. Huurprijs en overige betalingsverplichtingen
+ Hoofdstuk III. Huurcommissie
+ Hoofdstuk IV. Verzoeken aan de kantonrechter tot vaststelling van de betalingsverplichting
+ Hoofdstuk V. Huurbescherming
+ Hoofdstuk VI. Vorderingen betrekkelijk tot huur en verhuur of tot huurbescherming
- Hoofdstuk VI A
+ Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht