Let op. Deze wet is vervallen op 1 augustus 2003. U leest nu de tekst die gold op 31 juli 2003.

Huurwet

Uitgebreide informatie
1.
Na het einde van de huur en verhuur is de gewezen huurder van rechtswege bevoegd krachtens huurbescherming in het genot van de onroerende zaak te blijven. Zulks geldt niet voor de gewezen huurder, die zelf de huurovereenkomst heeft opgezegd, of uitdrukkelijk in de beëindiging daarvan heeft bewilligd.
2.
De verhuurder kan de ontruiming door de huurder of gewezen huurder slechts vorderen:
a. indien wegens onbehoorlijk gebruik van de zaak, wegens ernstige overlast, zijn medebewoners, dan wel de verhuurder aangedaan, of wegens wanbetaling, van de verhuurder niet kan worden gevergd, dat de huurder of gewezen huurder nog langer in het genot van de zaak blijft;
b. indien de gewezen huurder het genot kan verkrijgen van een soortgelijke hem passende onroerende zaak en in verband daarmede van de verhuurder niet kan worden gevergd, dat de gewezen huurder nog langer in het genot van de zaak blijft;
c. indien de gewezen huurder niet toestemt in een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst met betrekking tot dezelfde onroerende zaak;
d. indien de verhuurder de onroerende zaak zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, vervreemding van de zaak niet daaronder begrepen, dat van hem, de economische belangen en maatschappelijke behoeften van beide partijen en van wettige onderhuurders naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd, dat de gewezen huurder nog langer in het genot van de zaak blijft;
e. indien de verhuurder de onroerende zaak nodig heeft, ten einde aan een wettelijk voorschrift of een beschikking van overheidswege te kunnen voldoen.
Indien een aanbod, als bedoeld onder c , verband houdt met het voornemen van de verhuurder om aan de onroerende zaak verbeteringen aan te brengen, waardoor het woongerief of de gebruikswaarde wordt verhoogd, wordt het aanbod wat dit betreft als redelijk aangemerkt, tenzij de gewezen huurder aannemelijk maakt, dat van hem - alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen - medewerking aan de verbetering niet kan worden gevergd.
3.
Als gewezen huurder worden na het overlijden van de huurder, indien de huurovereenkomst door dit overlijden wordt beëindigd, of na het overlijden van hem, die krachtens huurbescherming in het genot van de onroerende zaak is gebleven, aangemerkt:
a. indien het betreft een woning:
diens echtgenoot, wanneer deze ten tijde van het overlijden in de woning zijn hoofdverblijf heeft, en de bloed- en aanverwanten van de overledene of van diens echtgenoot, in de rechte linie, en in de zijlinie in de tweede graad, en voorts zij over wie de overledene of diens echtgenoot te eniger tijd de voogdij heeft uitgeoefend, voor zover zij ten tijde van het overlijden in de woning hun hoofdverblijf hebben en tot aan het overlijden in de woning met de overledene een gemeenschappelijke huishouding hadden;
b. indien het betreft een gebouwde onroerende zaak, niet zijnde een woning:
de echtgenoot van de overledene, alsmede de bloed- en aanverwanten van de overledene of van diens echtgenoot, in de rechte linie, en in de zijlinie in de tweede graad, en voorts zij over wie de overledene of diens echtgenoot te eniger tijd de voogdij heeft uitgeoefend, voor zover en zolang zij als rechtsopvolger onder algemene titel van de overledene diens bedrijf of beroep voortzetten.
4.
Indien de huurovereenkomst na het overlijden van de huurder van een woning niet is geëindigd, worden, voor zover zij niet de hoedanigheid van huurder bezitten, als gewezen huurder aangemerkt de echtgenoot van de overledene, wanneer deze ten tijde van het overlijden in de woning zijn hoofdverblijf heeft, en de bloed- en aanverwanten van de overledene of van diens echtgenoot, in de rechte linie, en in de zijlinie in de tweede graad, en voorts zij over wie de overledene of diens echtgenoot te eniger tijd de voogdij heeft uitgeoefend, voor zover zij ten tijde van het overlijden in de woning hun hoofdverblijf hebben en tot aan het overlijden in de woning met de overledene een gemeenschappelijke huishouding hadden.
5.
Indien het bepaalde in het vierde lid toepassing vindt, is hij die als gewezen huurder wordt aangemerkt bij uitsluiting bevoegd tot het genot van de woning, voor zover degene die na het overlijden de hoedanigheid van huurder heeft verkregen ten tijde van het overlijden niet reeds het genot van die woning bezat. De huurder zal echter zolang hij niet bevoegd is tot het genot van de woning de huur en verhuur mogen beëindigen.
1.
Zolang de gewezen huurder in het geval bedoeld in het eerste lid van artikel 18 krachtens huurbescherming in het genot van de zaak blijft, hebben hij en de verhuurder dezelfde rechten en verplichtingen als indien de huur en verhuur niet zou zijn geëindigd zonder dat nochtans beroep kan worden gedaan op een in de huurovereenkomst opgenomen opzeggingstermijn.
2.
Op degenen die ingevolge het bepaalde in het derde en vierde lid van artikel 18 als gewezen huurder worden aangemerkt, is het voorgaande lid van overeenkomstige toepassing.
3.
Als verhuurder worden mede aangemerkt diens rechtsopvolgers ten aanzien van de onroerende zaak.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemeen
+ Hoofdstuk II. Huurprijs en overige betalingsverplichtingen
+ Hoofdstuk III. Huurcommissie
+ Hoofdstuk IV. Verzoeken aan de kantonrechter tot vaststelling van de betalingsverplichting
- Hoofdstuk V. Huurbescherming
+ Hoofdstuk VI. Vorderingen betrekkelijk tot huur en verhuur of tot huurbescherming
+ Hoofdstuk VI A
+ Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht