1.
Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.
2.
Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.
3.
Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.
4.
De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Grondrechten
- Hoofdstuk 2. Regering
+ Hoofdstuk 3. Staten-Generaal
+ Hoofdstuk 4. Raad van State, Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman en vaste colleges van advies
+ Hoofdstuk 5. Wetgeving en bestuur
+ Hoofdstuk 6. Rechtspraak
+ Hoofdstuk 7. Provincies, gemeenten, waterschappen en andere openbare lichamen
+ Hoofdstuk 8. Herziening van de Grondwet
+ Additionele artikelen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht