Wet van 26 september 1996 tot goedkeuring van de op 15 juni 1990 te Dublin tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de op 15 juni 1990 te Dublin tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
De op 15 juni 1990 te Dublin tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Tractatenblad 1991, 129, wordt goedgekeurd voor Nederland.
1.
Een ontwerp van een besluit dat beoogt het Koninkrijk te binden, wordt, voordat daaromtrent enige besluitvorming door het in artikel 18 van de Overeenkomst bedoelde Comité plaatsvindt, terstond nadat de tekst van dat ontwerp tot stand is gekomen, openbaar gemaakt en aan de Staten-Generaal voorgelegd.
2.
Een ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste lid kan in afwijking van het bepaalde in dat lid ter vertrouwelijke kennisneming aan de leden van de Staten-Generaal worden voorgelegd indien buitengewone omstandigheden van dwingende aard het bepaald noodzakelijk maken dat het ontwerp een geheim of vertrouwelijk karakter draagt.
3.
Instemming van de Staten-Generaal is vereist voordat de vertegenwoordiger van het Koninkrijk zijn medewerking kan verlenen aan het totstandkomen van een besluit als bedoeld in het eerste lid.
4.
Stilzwijgende instemming is verleend indien niet binnen vijftien dagen na overlegging van het ontwerp van het besluit aan de Staten-Generaal door of namens de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat de ontwerp-maatregel de uitdrukkelijke instemming behoeft.
5.
Het derde lid is niet van toepassing op de vaststelling van wijzigingen of herzieningen van de Overeenkomst.
Artikel 3
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad , waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 26 september 1996
De Minister van Justitie,
De Minister van Buitenlandse Zaken,
De Staatssecretaris van Justitie,
Uitgegeven de eenendertigste oktober 1996
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht