Gevangenismaatregel 1999 BES
1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
gesticht: een huis van bewaring, gevangenis of een door Onze Minister aangewezen inrichting of instelling;
directeur: de lokatie-directeur van een gesticht en bij zijn afwezigheid, degene die hem vervangt;
gedetineerde: de persoon ingesloten in een gesticht.
2.
Dit besluit berust op de artikelen 12, 16, vierde lid, 18, tweede lid, 28, 32a, 37g, 42 en 44, zesde lid, van de Wet beginselen gevangeniswezen BES.
1.
De directeur is verantwoordelijk voor het beheer en de regelmatige gang van zaken in het gesticht.
2.
De directeur brengt jaarlijks voor 1 maart aan Onze Minister een jaarverslag over het voorgaande jaar uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd.
3.
De directeur verstrekt Onze Minister te allen tijde alle verlangde inlichtingen.
4.
De gestichtsmedewerkers komen de opdrachten van de directeur stipt na.
1.
De directeur draagt er zorg voor dat de gedetineerde, onder handhaving van het karakter van de gevangenisstraf of maatregel, tegemoet wordt getreden op een wijze die zijn menselijke waardigheid respecteert.
2.
Het verblijf van de gedetineerde in het gesticht wordt mede dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van zijn terugkeer in het maatschappelijk leven.
1.
De plaatsing in en overplaatsing naar een gesticht of een afdeling van een gesticht geschieden zoveel mogelijk met inachtneming van het regime dat het meest strookt met de persoonlijkheid van de gedetineerde, waarbij zowel op de duur van de straf of maatregel als op het gedrag en de mogelijkheden tot reclassering van de gedetineerde wordt gelet.
2.
De plaatsing in een gesticht geschiedt, tenzij bij of krachtens de Wet beginselen gevangeniswezen BES anders is bepaald, op last van het openbaar ministerie na overleg met de betrokken directeur.
3.
Overplaatsing naar een gesticht geschiedt, tenzij bij of krachtens de Wet beginselen gevangeniswezen BES anders is bepaald, op last van Onze Minister na overleg met het openbaar ministerie en de betrokken directeur.
4.
Plaatsing in en overplaatsing naar een afdeling van een gesticht geschiedt door de directeur.
5.
Ten behoeve van een zo verantwoord mogelijk oordeel hebben de betrokken directeur en een door hem aangewezen gestichtsmedewerker het recht het persoonsdossier van de gedetineerde in te zien.
6.
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere regels worden vastgesteld.
Artikel 4a
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de kwaliteit van de inrichting en de activiteiten van en voor de gedetineerde.
1.
Ten behoeve van de registratie van opgenomen gedetineerden wordt bij ministeriële regeling een model gedetineerdenregister vastgesteld
2.
Zo spoedig mogelijk na opneming wordt de gedetineerde in de door de directeur aangewezen ruimte aan kleding en lichaam onderzocht op de aanwezigheid van geld, waardepapieren en andere goederen waarvan het bezit voor gedetineerden verboden is, alsmede op de aanwezigheid van goederen die hem, naar het oordeel van de directeur, uit een oogpunt van veiligheid, orde of goede gang van zaken in het gesticht ontnomen dienen te worden.
3.
Het onderzoek aan kleding en lichaam wordt ingesteld door een gestichtsmedewerker van hetzelfde geslacht als de gedetineerde.
1.
Geld, waardepapieren en andere goederen, die de gedetineerde niet onder zijn berusting mag houden, worden door de directeur in bewaring genomen, met dien verstande dat aan bederf onderhevige waren worden vernietigd, tenzij deze met schriftelijke toestemming van de gedetineerde en voor zijn rekening aan een door hem opgegeven derde worden afgestaan.
2.
De gedetineerde kan door de directeur toegestaan worden om de bij hem aangetroffen goederen, anders dan geld of waardepapieren, die geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, orde of goede gang van zaken in het gesticht, onder zijn berusting te houden.
3.
Ten behoeve van het registreren van het in bewaring nemen en vernietigen bedoeld in het eerste lid, wordt bij ministeriële regeling een model bewaarnemingsregister vastgesteld.
1.
Voordat de directeur beslist dat de door de arts noodzakelijk geachte geneeskundige handeling onder dwang zal worden toegepast, pleegt de directeur overleg met die arts en met het hoofd van de afdeling waar de gedetineerde verblijft.
2.
In het in het eerste lid bedoelde overleg wordt nagegaan of het ernstige gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de gedetineerde of van anderen niet op een andere wijze kan worden afgewend. Bij de keuze voor een bepaalde geneeskundige handeling wordt steeds gekozen voor de voor de gedetineerde minst ingrijpende handeling.
1.
De gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in een daartoe geschikte ruimte, onder verantwoordelijkheid van de arts.
2.
Van de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling wordt onverwijld melding gedaan aan Onze Minister en de Commissie van Toezicht.
Artikel 9
Zo spoedig mogelijk na de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling wordt door of onder verantwoordelijkheid van de aan de inrichting verbonden arts een plan opgesteld gericht op een zodanige verbetering van de toestand van de gedetineerde dat de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling kan worden beëindigd. Dit plan wordt opgenomen in het medische dossier.
1.
Bij een gesticht zijn een of meer geestelijke raadslieden en maatschappelijke hulpverleners werkzaam.
2.
De gedetineerde heeft het recht de bij het gesticht werkzame geestelijke raadslieden en maatschappelijke hulpverleners tijdens de door de directeur vastgestelde spreek- of inloopuren te bezoeken, tenzij de veiligheid, orde of goede gang van zaken in het gesticht zich daartegen, naar het oordeel van de directeur, bepaaldelijk verzet.
3.
De gedetineerde heeft het recht individuele gesprekken te voeren met de geestelijke raadslieden of maatschappelijke hulpverleners die bij het gesticht werkzaam zijn, dan wel door de directeur is toegelaten.
Artikel 14
De directeur draagt er zorg voor dat de celruimtes, werkplaatsen, ruimtes voor persoonlijke en medische verzorging, keukens, alsmede de zich daarin bevindende voorzieningen en apparatuur voldoen aan de eisen die daaraan, gelet op de stand van de kennis in de gezondheidskunde en de stand van de techniek, redelijkerwijs gesteld mogen worden.
1.
De directeur, daarin bijgestaan door de aan het gesticht verbonden arts, draagt er zorg voor dat de gedetineerde de beschikking heeft over voldoende voorzieningen en middelen ten behoeve van zijn persoonlijke verzorging.
2.
De aan het gesticht verbonden arts is bevoegd aanwijzingen te geven aan degene die in het gesticht belast is met de aanschaf en het beheer van de voorzieningen en middelen bedoeld in het eerste lid. Hij heeft toegang tot alle ruimtes in het gesticht.
3.
Door de directeur kunnen bepaalde persoonlijke verzorgingshandelingen worden verplicht gesteld, beperkt of uitgebreid, indien redenen van medische of hygiënische aard daartoe volgens de aan het gesticht verbonden arts bepaaldelijk aanleiding geven.
1.
De directeur kan ter zake van het dragen van eigen kleding nadere voorschriften vaststellen, waaronder een verbod op het dragen daarvan.
2.
De gedetineerde is verplicht de voorgeschreven kleding te dragen.
3.
De te verstrekken kleding wordt door de directeur aan het advies van de aan het gesticht verbonden arts onderworpen in verband met de geschiktheid voor het klimaat in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de gezondheid van gedetineerden in het algemeen.
4.
Indien de gedetineerde buiten het gesticht verblijft wordt het hem toegestaan eigen kleding te dragen, tenzij de openbare veiligheid of de openbare orde zich daartegen, naar het oordeel van de directeur, bepaaldelijk verzet.
1.
De directeur, daarin bijgestaan door de aan het gesticht verbonden voedingsdeskundige, draagt er zorg voor dat de gedetineerden kwantitatief en kwalitatief voldoende voeding wordt verstrekt.
2.
De voedingsdeskundige is bevoegd aanwijzingen te geven aan degene die in het gesticht met de voorbereiding van de voeding is belast. Hij heeft toegang tot alle plaatsen waar voeding ten behoeve van de gedetineerden wordt bereid.
1.
Indien de gedetineerde uit hoofde van zijn levensovertuiging bijzondere voeding verzoekt aan de directeur, wordt met die wens, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, rekening gehouden.
2.
De aan het gesticht verbonden arts kan aan bepaalde gedetineerden om gezondheidsredenen dieetvoeding voorschrijven.
3.
De directeur draagt er zorg voor dat de dieetvoeding bedoeld in het tweede lid, beschikbaar is en overeenkomstig de aanwijzingen van de aan het gesticht verbonden arts wordt verstrekt.
1.
Het bezit van contant geld door de gedetineerde in de inrichting of een afdeling is verboden, tenzij in het huishoudelijk reglement anders is bepaald.
2.
Voor iedere gedetineerde wordt zo spoedig mogelijk door de directeur een rekening-courant geopend in het rekeningenregister van het gesticht, ingericht naar een bij ministeriële regeling vastgesteld model.
3.
Voor zover van toepassing bestaat de rekening uit de volgende posten:
a. Eigen geld;
b. Zakgeld;
c. Uitgaanskas.
4.
Als «Eigen geld» wordt geboekt het geld bedoeld in de artikelen 6 en 23.
5.
Als «Zakgeld» wordt geboekt het geld bedoeld in de artikelen 21 en 22
6.
Als «Uitgaanskas» wordt geboekt het geld bedoeld in de artikelen 21 en 22.
7.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de besteedbaarheid van de posten «Eigen geld» en «Zakgeld» en de wijze waarop deze posten en de post «Uitgaanskas» zullen worden uitgekeerd aan de gedetineerde bij zijn invrijheidstelling.
1.
De gedetineerde heeft recht op deelname aan de in het gesticht beschikbare arbeid.
2.
De directeur draagt er zorg voor dat bij de toedeling van arbeid rekening wordt gehouden met de geschiktheid ter zake van de gedetineerde.
3.
De directeur is belast met de vaststelling en uitbetaling van het arbeidsloon.
1.
De gedetineerde is verplicht de hem opgedragen arbeid naar behoren te verrichten.
2.
Het met arbeid verdiende bedrag wordt per kalendermaand door de directeur berekend en zo spoedig mogelijk na afloop daarvan op de rekening bedoeld in artikel 19, geboekt voor de ene helft als «Zakgeld» en voor de andere helft als «Uitgaanskas», met dien verstande dat bij onveroordeelde en tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde gedetineerden het bedrag volledig als «Zakgeld» wordt geboekt.
3.
Ten behoeve van de registratie van het gewerkte aantal arbeidsuren en het daarmee verdiende bedrag wordt bij ministeriële regeling een model arbeidsregister vastgesteld.
Artikel 22
[vervallen]
1.
Het is de gedetineerde met toestemming van de directeur en op de door deze vast te stellen wijze toegestaan kleding en andere goederen te ontvangen of te verzenden. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.
2.
De gedetineerde mag, naast de bedragen bedoeld in de artikelen 21 en 22, per kalendermaand van derden maximaal USD 280 ontvangen.
1.
De gedetineerde heeft het recht om op de bij of krachtens het voor het gesticht vastgestelde huishoudelijk reglement bepaalde tijdstippen, tenminste eenmaal per twee weken gedurende tenminste 1 uur bezoek te ontvangen van een ieder.
2.
Bij of krachtens het voor het gesticht vastgestelde huishoudelijk reglement kunnen gevallen worden aangewezen waarin de gedetineerde vaker of langer bezoek mag ontvangen en de voorwaarden waaronder zulks kan geschieden.
3.
Bij of krachtens het voor het gesticht vastgestelde huishoudelijk reglement worden regels gesteld omtrent de aanmelding en toelating van bezoekers, het aantal personen per bezoek, de wijze waarop de bezoekers zich dienen te gedragen in het gesticht en de aanwezigheid van gestichtsmedewerkers bij het bezoek.
1.
De gedetineerde heeft het recht om, voor rekening van het gesticht, brieven te schrijven aan en te ontvangen van een ieder.
2.
De inhoud van brieven aan of van veroordeelde gedetineerden, kan door de directeur worden onderworpen aan controle. De inhoud van brieven aan of van onveroordeelde gedetineerden is niet onderworpen aan een dergelijke controle tenzij bij of krachtens wet anders is bepaald.
3.
De door de directeur aangewezen gestichtsmedewerkers belast met de controle van de inhoud van brieven nemen, voor zover dat uit de aard der zaak volgt, strikte vertrouwelijkheid in acht.
4.
Het verzenden van brieven van of het ontvangen van brieven door de gedetineerde kan worden geweigerd door de directeur:
a. in het belang van de veiligheid, orde of goede gang van zaken in het gesticht;
b. ter voorkoming van vluchtgevaar;
c. ter voorkoming of opsporing van strafbare feiten;
d. ter voorkoming van openbare ordeverstoringen;.
5.
De niet verzonden of uitgereikte brieven worden geretourneerd aan de afzender. Is zulks niet mogelijk dan worden zij door de directeur vernietigd.
1.
Niet onderworpen aan controle is de briefwisseling van gedetineerden met leden van het Koninklijk huis, de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de leden daarvan, de Rijksvertegenwoordiger, Onze Minister, justitiële autoriteiten, de Nationale ombudsman, de Commissie van Toezicht, het openbaar ministerie en andere door Onze Minister of de directeur aan te wijzen personen of instanties.
2.
Niet aan controle onderworpen is de briefwisseling van de gedetineerde met zijn advocaat indien uit de adressering blijkt dat de brieven voor zijn advocaat of diens bureau bestemd zijn dan wel van zijn advocaat of diens bureau afkomstig zijn.
3.
Brieven bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen slechts met de schriftelijke toestemming van de gedetineerde geopend worden.
4.
Artikel 25 vierde lid, is niet van toepassing op brieven bedoeld in het eerste en tweede lid.
5.
Brieven bedoeld in het eerste en tweede lid, worden zo spoedig mogelijk verzonden, doch in ieder geval binnen één etmaal na ontvangst daarvan door de daartoe door de directeur aangewezen gestichtsmedewerker.
1.
Een veroordeelde bedoeld in de artikelen 14 en 22 van het Wetboek van Strafrecht BES kan door Onze Minister op verzoek van de directeur van het gesticht alwaar hij is opgenomen dan wel zou moeten worden, voor maximaal zes aaneengesloten maanden worden geplaatst in een door Onze Minister aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6 van de Wet beginselen gevangeniswezen BES.
2.
De periode bedoeld in het eerste lid, kan telkens met eenzelfde maximum duur worden verlengd door Onze Minister.
3.
Alvorens tot plaatsing of verlenging wordt besloten, dient daarover het advies te worden ingewonnen van een aan een instelling bedoeld in het eerste lid, verbonden psychiater.
4.
De psychiater bedoeld in het derde lid, bezoekt de veroordeelde na plaatsing ten minste eenmaal per veertien dagen.
5.
Zodra de reden voor plaatsing of verlenging niet meer aanwezig is, zulks op advies van de psychiater bedoeld in het derde lid, wordt de plaatsing of verlenging door Onze Minister ongedaan gemaakt en de veroordeelde geplaatst dan wel teruggeplaatst in de gevangenis of het huis van bewaring alwaar hij opgenomen was dan wel zou moeten worden.
1.
De Commissie van Toezicht bestaat uit een oneven aantal leden tot ten hoogste 13 leden.
2.
De Beklagcommissie bestaat uit een oneven aantal leden tot ten hoogste 5 waaronder in ieder geval de voorzitter of een door deze aangewezen plaatsvervangend voorzitter en de secretaris of een door deze aangewezen plaatsvervangend secretaris bedoeld in artikel 36, eerste lid.
3.
De benoeming van de leden van de Commissie van Toezicht geschiedt door Onze Minister voor een periode van drie jaren. Na afloop van die periode kan herbenoeming plaatsvinden.
4.
Aan de Commissie van Toezicht wordt door Onze Minister toegevoegd een ambtelijk secretariaat, ressorterend onder de secretaris.
5.
De secretaris, de plaatsvervangende secretarissen en het ambtelijk secretariaat van de Commissie van Toezicht hebben mede tot taak een gedetineerde desgewenst behulpzaam te zijn bij het opstellen van een klaagschrift.
1.
Onze Minister wijst uit de leden van de Commissie van Toezicht een voorzitter, plaatsvervangend voorzitters, een secretaris en plaatsvervangende secretarissen aan.
2.
De plaatsvervangende voorzitters en secretarissen worden op voordracht van de voorzitter respectievelijk de secretaris aangewezen.
3.
De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de secretaris bezitten de graad van Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad van Master op het gebied van het recht dan wel de titel meester of doctorandus verkregen door het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht door een universiteit als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
4.
De bezoldiging van de secretaris van de Commissie van Toezicht wordt door Onze Minister vastgesteld.
5.
De overige leden van de Commissie van Toezicht ontvangen voor de werkzaamheden verbonden aan hun lidmaatschap een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.
1.
De Commissie van Toezicht vergadert zo mogelijk eenmaal per maand.
2.
De directeur woont de vergaderingen van de Commissie van Toezicht bij en brengt een algemeen verslag uit over hetgeen sedert de vorige vergadering in het gesticht is geschied. De Commissie van Toezicht kan echter in bijzondere gevallen, ter beoordeling van de voorzitter, besluiten om buiten tegenwoordigheid van de directeur te vergaderen.
3.
Onze Minister is bevoegd de vergaderingen van de Commissie van Toezicht te laten bijwonen door daartoe door hem aangewezen ambtenaren.
1.
De leden en plaatsvervangende leden van de Commissie van Toezicht zijn bevoegd:
a. alle inlichtingen te vragen aan de directeur en de overige bij of ten behoeve van het gesticht werkzame personen.
b. inzage te verlangen van alle op het gesticht betrekking hebbende boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk voor ten hoogste 5 dagen mee te nemen;
c. alle plaatsen van het gesticht en alle andere plaatsen waar zich gedetineerden bevinden, te betreden. Zij kunnen zich laten vergezellen door daartoe door hen aangewezen personen.
2.
Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich jegens de leden en plaatsvervangende leden van de Commissie van Toezicht verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.
3.
De directeur brengt uit eigen beweging alle voor de uitoefening van de taken van de Commissie van Toezicht belangrijke feiten en omstandigheden onverwijld ter kennis van de voorzitter.
1.
De Commissie van Toezicht stelt per half jaar een lijst vast van de leden die gedurende de eerstvolgende zes maanden zullen optreden als maandcommissaris.
2.
De maandcommissaris houdt tenminste twee uren per week spreekuur voor de gedetineerden ten behoeve van het naar voren brengen van grieven.
3.
Een gesprek met een gedetineerde vindt plaats buiten tegenwoordigheid van gestichtsmedewerkers, tenzij hij daartegen geen bezwaar heeft of het belang van de handhaving van de orde of veiligheid in het gesticht zich daar, naar het oordeel van de directeur, bepaaldelijk tegen verzet.
4.
Door de maandcommissaris worden de directeur, de gedetineerde die grieven naar voren heeft gebracht en, indien de grieven gestichtsmedewerkers betreffen, deze personen, in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk – een en ander ter beoordeling van de maandcommissaris – hun standpunt bekend te maken en toe te lichten.
5.
De maandcommissaris brengt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken na afloop van de maand waarin hij maandcommissaris was, schriftelijk verslag uit aan de voorzitter van de Commissie van Toezicht betreffende de door gedetineerden naar voren gebrachte grieven, de wijze waarop naar aanleiding van die grieven onderzoek is ingesteld, alsmede zijn overige werkzaamheden en bevindingen.
6.
Het verslag bedoeld in het vijfde lid, wordt onverwijld ter beoordeling aan de Commissie van Toezicht voorgelegd, die zich binnen veertien dagen na ontvangst daarvan uitspreekt over de daarin opgenomen bevindingen en aanbevelingen.
7.
De voorzitter van de Commissie van Toezicht zendt de directeur onverwijld een afschrift van het oordeel bedoeld in het zesde lid, tezamen met een afschrift van het verslag bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 40
De Commissie van Toezicht wijst, met inachtneming van artikel 35, tweede lid, uit haar midden leden aan die, gezamenlijk of afzonderlijk, zullen optreden als Beklagcommissie.
1.
Een gedetineerde kan beklag doen over het medisch handelen van de inrichtingsarts. Met de inrichtingsarts wordt in dit besluit gelijkgesteld de verpleegkundige dan wel andere hulpverleners die door de inrichtingsarts bij de zorg aan gedetineerden zijn betrokken.
2.
Onder medisch handelen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
a. enig handelen in het kader van of nalaten in strijd met de zorg die de in het eerste lid bedoelde personen in die hoedanigheid behoren te betrachten ten opzichte van de gedetineerde, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand zij bijstand verlenen of hun bijstand is ingeroepen;
b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.
3.
Met het oog op het beoordelen van het beklag kan de beklagcommissie inlichtingen inwinnen bij een deskundige op het terrein van medisch handelen.
4.
De beklagcommissie stelt de deskundige in de gelegenheid te worden gehoord. Met uitzondering van het vierde lid is artikel 43 van overeenkomstige toepassing op het horen van de inrichtingsarts.
5.
In afwijking van artikel 38, tweede lid, is de beklagcommissie bevoegd ten behoeve van het behandelen van het klaagschrift het medisch dossier van de klager in te zien.
1.
Het mondeling horen bedoeld in de artikelen 43 en 44 van dit besluit, en het nemen van beslissingen bedoeld in de artikelen 43 en 44 van de Wet beginselen gevangeniswezen BES, geschieden door de voltallige Beklagcommissie.
2.
Buiten de in het eerste lid bedoelde gevallen kunnen de werkzaamheden ook worden verricht door één lid van de Beklagcommissie.
3.
In afwijking van het eerste lid kan één lid van de Beklagcommissie worden belast met de uitoefening van de aldaar bedoelde taken en bevoegdheden, indien het betreft een beklag van eenvoudige aard of een beklag, dat kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk gegrond of kennelijk ongegrond is, zulks ter beoordeling van de voorzitter.
1.
De Beklagcommissie doet onverwijld na ontvangst van een beklag bedoeld in artikel 40 van de Wet beginselen gevangeniswezen BES, een afschrift daarvan toekomen aan de directeur, met – voor zover nodig – het verzoek om een schriftelijk reactie.
2.
De Beklagcommissie doet onverwijld na ontvangst van een schriftelijke reactie bedoeld in het eerste lid, een afschrift daarvan toekomen aan de gedetineerde.
1.
Indien de gedetineerde of de directeur daarom vragen, worden zij door de Beklagcommissie mondeling gehoord omtrent het beklag. Het horen geschiedt uiterlijk binnen zeven werkdagen na ontvangst van het beklag.
2.
In afwijking van het eerste lid, kan de Beklagcommissie het horen van de gedetineerde en de directeur in de hoofdzaak achterwege laten indien het beklag kennelijk niet-ontvankelijk is.
3.
De gedetineerde en de directeur worden gehoord in elkaars aanwezigheid, tenzij de Beklagcommissie dat niet gewenst acht.
4.
De directeur kan zich laten vertegenwoordigen door een door hem aangewezen persoon, die van voldoende beslissingsbevoegdheden is voorzien, tenzij de Beklagcommissie hem persoonlijk wenst te horen.
5.
De gedetineerde kan zich voor eigen rekening laten bijstaan door een raadsman.
6.
Partijen kunnen, door tussenkomst van de Beklagcommissie, vragen stellen.
7.
Van het mondeling horen wordt door de secretaris verslag gemaakt.
1.
De Beklagcommissie kan, al dan niet op verzoek van de gedetineerde of de directeur, indien zij gewenst acht, andere gedetineerden en gestichtsmedewerkers mondeling of schriftelijk horen.
2.
Indien het horen schriftelijk geschiedt doet de Beklagcommissie onverwijld na ontvangst van de schriftelijke reactie de gedetineerde en de directeur een afschrift daarvan toekomen. Hen wordt minimaal een volle dag geboden om daarop schriftelijk te reageren.
3.
Indien het horen mondeling geschiedt, vindt dat plaats in aanwezigheid van de gedetineerde, diens raadsman en de directeur dan wel de door deze aangewezen persoon bedoeld in artikel 43, vierde lid, tenzij de Beklagcommissie dat niet gewenst acht.
4.
Artikel 43, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
De Beklagcommissie doet binnen de termijn zoals gesteld in artikel 44, eerste lid, van de Wet beginselen gevangeniswezen BES, mondeling dan wel schriftelijk, met redenen omkleed uitspraak op het beklag.
2.
De beraadslagingen omtrent een uitspraak bedoeld in het eerste lid, vinden aanwezigheid van derden plaats.
3.
Indien de Beklagcommissie mondeling uitspraak doet en de gedetineerde, de inrichtingsarts of de directeur daarom vraagt, wordt de uitspraak binnen twee weken op schrift gesteld en aan hen toegezonden.
4.
Indien de Beklagcommissie van oordeel is, dat een geldelijke tegemoetkoming bedoeld in artikel 44, zesde lid, van de Wet beginselen gevangeniswezen BES, geboden is, geschiedt dat altijd bij schriftelijke, met redenen omklede uitspraak.
5.
De Beklagcommissie kan een tegemoetkoming van maximaal USD 1397 toekennen aan de gedetineerde.
Artikel 46
De directeur stelt de Commissie van Toezicht en Beklagcommissie in het gesticht voldoende ruimte en andere voorzieningen ter beschikking voor een goede uitoefening van hun taken.
1.
De Commissie van Toezicht brengt eens in de zes maanden verslag uit aan Onze Minister over haar werkzaamheden. Een afschrift van het verslag wordt onverwijld aan de directeur gezonden.
2.
In het verslag wordt een apart onderdeel gewijd aan de werkzaamheden en bevindingen van de Beklagcommissie.
Artikel 48
Op klachten die zijn ingediend voor inwerkingtreding van dit besluit is het nieuwe recht van toepassing.
Artikel 49
Dit besluit wordt aangehaald als: Gevangenismaatregel 1999 BES.
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. De opneming in het gesticht
+ § 3. Gedwongen geneeskundige behandeling
+ § 4. Geestelijke en sociale zorg
+ § 5. Gezondheidskundige zorg en voorzieningen
+ § 6. Voeding
+ § 7. Geldelijke middelen van de gedetineerde
+ § 8. Arbeid
+ § 9. Ontvangst en bezit van goederen tijdens het verblijf in het gesticht
+ § 10. Bezoek en briefwisseling
§ 11.
§ 12.
+ § 13. Maatregel ex artikel 14 of 22 Wetboek van Strafrecht BES
+ § 14. Toezicht, kennisneming van grieven en klachtenbehandeling
+ § 15. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht