1.
Hij die zowel schuldenaar als schuldeiser van de boedel is, kan zijn schuld met zijn vordering op de boedel verrekenen, indien beide zijn ontstaan vóór de aanvang van de surseance of voortvloeien uit een handeling vóór de aanvang van de surseance met de schuldenaar verricht.
2.
De vordering op de schuldenaar wordt zo nodig berekend naar de regels in de artikelen 261 en 262 gesteld.
3.
Van de zijde van de boedel kan geen beroep worden gedaan op artikel 136 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Inhoudsopgave
+ Titel I. Van faillissement
- Titel II. Van surseance van betaling
+ Titel III. Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht