Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;
archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument;
beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat:
a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid;
b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid; of
c. in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt;
beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid;
certificaat: certificaat als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid;
college van staat: het Kabinet van de Koning, de Staten-Generaal, de overige Hoge Colleges van Staat, de Kabinetten van de Gouverneurs of de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden;
cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;
ensemble: een op grond van artikel 3.13 aangewezen rijksmonument met cultuurgoederen;
inspecteur: inspecteur als bedoeld in artikel 8.3;
instelling: krachtens privaatrecht opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;
monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;
museaal cultuurgoed van de Staat: cultuurgoed van bijzonder belang dat eigendom is van de Staat of waarvan de zorg aan de Staat is toevertrouwd;
normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde;
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
opgraving: handelingen als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid;
restauratie: werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en noodzakelijk zijn voor herstel;
rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister;
rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3;
Staat: Staat der Nederlanden;
verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.
Inhoudsopgave
- Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Beheer van collecties
+ Hoofdstuk 3. Aanwijzing als beschermd erfgoed
+ Hoofdstuk 4. Bescherming van erfgoed
+ Hoofdstuk 5. Archeologische monumentenzorg
+ Hoofdstuk 6. Internationale teruggave
+ Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen
+ Hoofdstuk 8. Handhaving en toezicht
+ Hoofdstuk 9. Overgangsrecht
+ Hoofdstuk 10. Intrekken en wijzigen andere wetten
+ Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht