1.
Onze Minister maakt een koppeling van scholen en instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor de uitvoering van de tweede correctie door gecommitteerden. Onze Minister maakt deze koppeling bekend aan het bevoegd gezag van elke school en instelling voor educatie en beroepsonderwijs en kan, zo nodig, zelf een gecommitteerde aanwijzen voor een school of instelling. Op grond van deze koppeling wijst het bevoegd gezag een of meer gecommitteerden aan. Het bevoegd gezag maakt deze aanwijzing bekend aan de scholen waarvoor zij de tweede correctie verrichten. De aanwijzing geldt tot na de afloop van de herkansing.
2.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de aangewezen gecommitteerde zijn verplichtingen nakomt.
3.
In afwijking van het eerste lid, worden voor het praktisch gedeelte van het centraal examen vmbo geen gecommitteerden aangewezen.
4.
De gecommitteerde voegt bij het gecorrigeerde werk een verklaring betreffende de verrichte correctie. Deze verklaring wordt mede ondertekend door het bevoegd gezag van de gecommitteerde.
1.
Het centraal examen voor de scholen voor voortgezet onderwijs kent een eerste, tweede en derde tijdvak.
2.
Het eerste en tweede tijdvak worden afgenomen in het laatste leerjaar.
3.
Het derde tijdvak wordt aansluitend aan het laatste leerjaar afgenomen door het College voor examens.
4.
Het College voor examens kan vakken aanwijzen waarin wegens het zeer geringe aantal kandidaten, het centraal examen in het tweede tijdvak wordt afgenomen door het College voor examens.
5.
Bij toepassing van het derde of vierde lid, gelden de volgende regels:
a. de directeur deelt aan Onze Minister mee welke kandidaten het centraal examen zullen afleggen en in welke vakken;
b. de kandidaten leveren de opgaven, de door hen gemaakte aantekeningen alsmede andere door hen gemaakte stukken in bij een van degenen die toezicht houden. Het College voor examens bepaalt, in welke gevallen wordt afgeweken van de eerste volzin alsmede in welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de andere stukken, bedoeld in die volzin aan de kandidaten worden teruggegeven;
c. het College voor examens deelt het door de kandidaat behaalde cijfer voor het centraal examen aan de directeur mee.
6.
Het College voor examens kan bepalen dat een toets wordt afgenomen op een tijdstip dat is gelegen voor de aanvang van het eerste tijdvak.
1.
In afwijking van artikel 37, tweede lid, kan het bevoegd gezag een leerling uit het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar toelaten tot het centraal examen in één of meer vakken, niet zijnde alle vakken van het eindexamen.
2.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt het schoolexamen in dat vak of die vakken afgesloten voor aanvang van het eerste tijdvak in dat leerjaar.
3.
Artikel 49, vierde lid, en artikel 50, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt het derde tijdvak aansluitend aan het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar afgenomen door het College voor examens.
5.
Indien de leerling in één of meer vakken centraal examen heeft afgelegd in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar, en niet is bevorderd tot het volgende leerjaar, vervallen de met dit centraal examen of deze centrale examens behaalde resultaten.
1.
De directeur deelt jaarlijks voor 1 november aan Onze Minister mede hoeveel kandidaten in elk vak aan het centraal examen in het eerste tijdvak zullen deelnemen.
2.
De directeur zendt jaarlijks ten minste drie dagen voor de aanvang van de centrale examens in het eerste tijdvak aan Onze Minister een lijst waarop voor iedere kandidaat vermeld staat in welke vakken hij centraal examen zal afleggen en waarop is aangegeven welke cijfers de kandidaat voor het schoolexamen heeft gehaald. Voor de aanvang van het tweede tijdvak zendt de directeur een lijst met de kandidaten, de in het eerste tijdvak door die kandidaten behaalde cijfers, de voor zover van toepassing, alsnog behaalde cijfers voor het schoolexamen, alsmede een overzicht van het vak of de vakken waarin elke kandidaat centraal examen zal afleggen, aan Onze Minister.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op een bevoegd gezag dat op grond van artikel 103b, tweede lid, van de wet examengegevens samen met het persoonsgebonden nummer verstrekt aan Onze Minister.
4.
Indien een examenprogramma differentiaties kent als bedoeld in artikel 7, derde lid, kan een kandidaat per tijdvak in niet meer differentiaties centraal examen afleggen dan volgens het desbetreffende programma is vereist.
1.
Onze Minister zorgt ervoor dat de opgaven, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Wet College voor examens tijdig beschikbaar worden gesteld aan de directeur van de school.
2.
De directeur zorgt ervoor, dat de opgaven voor het centraal examen geheim blijven tot de aanvang van de toets waarbij deze opgaven aan de kandidaten worden voorgelegd. Het College voor examens kan opgaven aanwijzen waarop de eerste volzin niet van toepassing is.
3.
Tijdens een toets van het centraal examen worden aan de kandidaten geen mededelingen van welke aard ook, aangaande de opgaven gedaan, uitgezonderd mededelingen van het College voor examens.
4.
De directeur draagt er zorg voor dat het nodige toezicht bij het centraal examen wordt uitgeoefend.
5.
Zij die toezicht hebben gehouden, maken een proces-verbaal op. Zij leveren dit in bij de directeur samen met het gemaakte examenwerk.
6.
Een kandidaat die te laat komt, mag tot uiterlijk een half uur na de aanvang van de toets tot die toets worden toegelaten.
7.
De aan de kandidaten voorgelegde opgaven voor een toets van het centraal examen blijven in het examenlokaal tot het einde van die toets.
1.
De directeur doet het gemaakte werk van het centraal examen met een exemplaar van de opgaven, de beoordelingsnormen en met het proces-verbaal van het examen toekomen aan de examinator in het desbetreffende vak. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens toe. De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens. De examinator zendt de score en het beoordeelde werk aan de directeur.
2.
De directeur doet de van de examinator ontvangen stukken met een exemplaar van de opgaven, de beoordelingsnormen, het proces-verbaal en de regels voor het bepalen van de score, bepaald in het eerste lid, onverwijld aan de directeur van de school, bedoeld in artikel 36, tweede lid, toekomen. Deze stelt het ter hand aan de gecommitteerde.
3.
De gecommitteerde beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij toe de beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens. Daarnaast voegt de gecommitteerde bij het gecorrigeerde werk, de in artikel 36, vierde lid, bedoelde verklaring mede ondertekend door het bevoegd gezag van de gecommitteerde.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid.
1.
De directeur draagt er zorg voor dat bij het maken van het cspe van een eindexamen vmbo, een examinator in het desbetreffende vak of programma aanwezig is. De examinator beoordeelt de prestaties tijdens het maken van de opgaven en legt zijn bevindingen van de verrichtingen van de kandidaat schriftelijk vast, volgens daartoe door het College voor examens gegeven richtlijnen. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij toe de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens. De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens. De examinator zendt de score en voor zover mogelijk het beoordeelde werk aan de directeur.
2.
Voor het cspe vmbo vindt de beoordeling tevens plaats door een tweede examinator. De tweede examinator kan een deskundige als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de wet of een andere examinator van de school zijn. De tweede examinator beoordeelt het resultaat van de opgaven, alsmede de verrichtingen van de kandidaat zoals blijkend uit de in het eerste lid bedoelde schriftelijke vastlegging daarvan. De directeur overhandigt de tweede examinator daartoe een exemplaar van de opgaven, de beoordelingsnormen, het proces-verbaal, alsmede de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in het eerste lid. Artikel 41, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
De examinator en de gecommitteerde stellen in onderling overleg de score voor het centraal examen vast. Indien de examinator en de gecommitteerde daarbij niet tot overeenstemming komen, wordt het geschil voorgelegd aan het bevoegd gezag van de gecommitteerde. Dit bevoegd gezag kan hierover in overleg treden met het bevoegd gezag van de examinator. Indien het geschil niet kan worden beslecht, wordt hiervan melding gemaakt aan de inspectie. De inspectie kan een onafhankelijke corrector aanwijzen. De beoordeling van deze corrector komt in de plaats van de eerdere beoordelingen.
2.
De directeur stelt het cijfer voor het centraal examen in een vak vast op grond van de score, bedoeld in het eerste lid, en met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Wet College voor examens.
1.
Indien het centraal examen naar het oordeel van de inspectie niet op regelmatige wijze heeft plaatsgehad kan zij besluiten dat het geheel of gedeeltelijk voor een of meer kandidaten opnieuw wordt afgenomen.
2.
De inspectie verzoekt het College voor examens nieuwe opgaven vast te stellen en bepaalt op welke wijze en door wie het examen zal worden afgenomen.
Artikel 44. Onvoorziene omstandigheden centraal examen
Indien door onvoorziene omstandigheden het centraal examen in één of meer vakken aan één of meer scholen niet op de voorgeschreven wijze kan worden afgenomen, beslist Onze Minister hoe alsdan moet worden gehandeld.
1.
Indien een kandidaat om een geldige reden, ter beoordeling van de directeur, is verhinderd bij één of meer toetsen in het eerste tijdvak tegenwoordig te zijn, wordt hem in het tweede tijdvak de gelegenheid gegeven het centraal examen voor ten hoogste twee toetsen per dag alsnog te voltooien.
2.
Indien een kandidaat in het tweede tijdvak evenzeer verhinderd is, of wanneer hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak ten overstaan van het College voor examens zijn eindexamen te voltooien.
3.
De kandidaat meldt zich zo spoedig mogelijk door tussenkomst van de directeur aan bij het College voor examens. In dat geval deelt de directeur aan het College voor examens mede, wanneer dat zich voordoet, dat ten behoeve van de kandidaat toepassing is gegeven aan artikel 55, eerste, tweede dan wel derde lid, en waaruit deze toepassing bestaat.
4.
Na afloop van het derde tijdvak deelt het College voor examens het resultaat mede aan de directeur.
1.
Het College voor examens stelt regels voor de uitvoering van de rekentoets. Het College voor examens stelt in ieder geval een regeling vast voor de uitvoering van de correctie voor zover de rekentoets bestaat uit open vragen.
2.
De regeling, bedoeld in het eerste lid, treedt slechts in werking na goedkeuring door Onze Minister. Onze Minister kan zijn goedkeuring onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
3.
Met inachtneming van de artikelen 23, zevende lid, 24, zevende lid, en 25, vijfde lid, worden de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens bij de beoordeling van de rekentoets toegepast.
4.
De rekentoets wordt afgenomen in het voorlaatste en laatste leerjaar.
5.
Het College voor examens kan bij regeling bepalen dat de rekentoets niet onder toezicht van een of meer gecommitteerden staat.
6.
Artikel 43 en artikel 44 zijn van overeenkomstige toepassing.
7.
Indien de leerling de rekentoets heeft afgelegd in het voorlaatste leerjaar en niet is bevorderd tot het laatste leerjaar, vervallen de met de rekentoets behaalde resultaten. In afwijking hiervan kan de leerling die na het voorlaatste leerjaar van het vwo deelneemt aan het laatste leerjaar van het havo en de leerling die na het voorlaatste leerjaar van het havo deelneemt aan het laatste leerjaar van één van de leerwegen van het vmbo, het op het vwo respectievelijk havo behaalde cijfer voor de rekentoets behouden.
1.
Er is een rekentoets ER waarbij de opgaven zijn aangepast voor kandidaten met ernstige rekenproblemen.
2.
Het bevoegd gezag informeert een kandidaat tijdig voor de eerste gelegenheid over de mogelijkheid van het afleggen van de rekentoets ER, alsmede over de mogelijke gevolgen voor doorstroom naar het vervolgonderwijs of voor de arbeidsmarkt.
3.
Op verzoek van een kandidaat verleent de directeur toestemming voor het afleggen van de rekentoets ER, indien de kandidaat aantoonbaar ernstige problemen heeft met de beheersing van de vereiste rekenvaardigheden.
4.
Er is in ieder geval sprake van aantoonbare ernstige rekenproblemen indien de kandidaat:
a. zich heeft ingespannen de vereiste rekenvaardigheden te leren;
b. daarbij gebruik heeft gemaakt van de door de school geboden extra ondersteuning; en
c. hij desondanks aanhoudend onvoldoende resultaten laat zien.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Inhoud van het eindexamen
+ Hoofdstuk III. Regeling van het eindexamen
- Hoofdstuk IV. Centraal examen en rekentoets
+ Hoofdstuk V. Uitslag, herkansing en diplomering
+ Hoofdstuk VI. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk VII. Slot- en overgangsbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken