1.
Het eindcijfer voor de rekentoets en alle vakken van het eindexamen wordt uitgedrukt in een geheel cijfer uit de reeks 1 tot en met 10.
2.
De directeur bepaalt het eindcijfer op het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor het schoolexamen en het cijfer voor het centraal examen. Indien de uitkomst van de berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.
3.
Indien in een vak alleen een schoolexamen is afgenomen en niet tevens een centraal examen, is het cijfer voor het schoolexamen tevens het eindcijfer.
4.
Van de cijfers die zijn behaald bij de gelegenheden om de rekentoets af te leggen, bedoeld in artikel 51a, geldt het hoogst behaalde cijfer als eindcijfer voor de rekentoets.
5.
In afwijking van het vierde lid bepaalt de directeur in overleg met de kandidaat die gebruik heeft gemaakt van de rekentoets ER of van meerdere gelegenheden om de rekentoets af te leggen en gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 51a, vierde of vijfde lid, welk van de voor de rekentoets behaalde cijfers geldt als eindcijfer.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Inhoud van het eindexamen
+ Hoofdstuk III. Regeling van het eindexamen
+ Hoofdstuk IV. Centraal examen en rekentoets
- Hoofdstuk V. Uitslag, herkansing en diplomering
+ Hoofdstuk VI. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk VII. Slot- en overgangsbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken