1.
De inbreng van de vennoot kan bestaan in geld, goederen, genot van goederen en arbeid.
2.
Op de inbreng van een goed zijn de bepalingen omtrent koop, op de inbreng van genot van een goed de artikelen 1584-1623 van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtsverhouding zich daartegen niet verzet.
Inhoudsopgave
- Boek 7a. Bijzondere overeenkomsten; vervolg
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht