1.
Een bezitter van een goed verliest het bezit, wanneer hij het goed kennelijk prijsgeeft, of wanneer een ander het bezit van het goed verkrijgt.
2.
Zolang niet een der in het vorige lid genoemde gronden van bezitsverlies zich heeft voorgedaan, duurt een aangevangen bezit voort.
Inhoudsopgave
- Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht