Let op. Deze wet is vervallen op 30 augustus 2011. U leest nu de tekst die gold op 29 augustus 2011.

Besluit vakantie en vrijstelling van dienst werknemers BES

Uitgebreide informatie
Besluit vakantie en vrijstelling van dienst werknemers BES
Artikel 1
Werknemer in de zin van deze algemene maatregel van bestuur en de daarop berustende bepalingen is hij die ingevolge artikel 1 van de Werkliedenwet 1944 BES is aangesteld.
1.
Deze algemene maatregel van bestuur is voorts niet van toepassing op werknemers die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van deze werknemers kunnen onderwerpen welke in deze algemene maatregel van bestuur geregeld zijn, naarmate zulks met betrekking tot elke dienst of elk bedrijf waarin zij te werk zijn gesteld noodzakelijk blijkt, worden geregeld: bij ministeriële regeling.
2.
[vervallen]
Artikel 3
Voor de toepassing van deze algemene maatregel van bestuur en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften wordt verstaan onder:
overheid:
a. de Staat, indien de werknemer in dienst van deze rechtspersoon is aangesteld op Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
b. het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, indien de werknemer in dienst van deze rechtspersoon is aangesteld;
bevoegd gezag:
a. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor wat betreft de werknemers in dienst van de Staat niet zijnde personeel van het Bureau van de Rijksvertegenwoordiger;
b. het bestuurscollege, voor wat betreft de werknemers in dienst van het openbare lichaam met inachtneming van sub c;
c. de Rijksvertegenwoordiger, voor wat betreft het personeel van het Bureau van de Rijksvertegenwoordiger;
bevoegde autoriteit: het hoofd van de dienst voor wat betreft de bij zijn dienst werkzame werknemers;
hoofd van dienst: de bij besluit van het bevoegd gezag als zodanig aangewezen ambtenaren;
gezin:
a. de echtgenote van de betrokken werknemer;
b. de kinderen tot wie de betrokken werknemer in familie-rechtelijke betrekking staat die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, de stief- en pleegkinderen van de betrokken werknemer die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, de laatsten voor zover de betrokken werknemer ten behoeve van deze pleegkinderen kindertoelage geniet;
c. de overige kinderen tot wie de betrokken werknemer in familierechtelijke betrekking staat, de overige stief- en pleegkinderen van de betrokken werknemer, voor zover de betrokken werknemer ten behoeve van deze kinderen kinder-toelage geniet;
inkomen: het loon van de werknemer, verhoogd met eventuele kindertoelage, toelagen van vaste aard, compensatietoeslag krachtens de Wet Algemene Ouderdomsverzekering BES en de Wet Algemene Weduwen en Wezenverzekering BES, vaste vergoedingen voor overwerk, voor dienst op zon- en feestdagen of voor onregelmatige dienst.
Voor de berekening van de vakantie-uitkering bedoeld in hoofdstuk III wordt de compensatietoeslag hiervoor bedoeld niet als deel van het inkomen aangemerkt.
1.
De werknemer heeft per kalenderjaar aanspraak op vakantie met behoud van vol inkomen, op de voorwaarden en met inachtneming van de regelen gesteld in dit hoofdstuk. Hij is gerechtigd zijn vakantie geheel of gedeeltelijk in het buitenland door te brengen.
2.
De vakantie bedoeld in het eerste lid, wordt aan de werknemer op zijn daartoe strekkend verzoek aaneengesloten verleend door de bevoegde autoriteit.
3.
Wanneer de werknemer dit verzoekt en de dienst het toelaat, kan in een kalenderjaar ten hoogste de helft van het aantal vakantieuren waarop de werknemer per kalenderjaar aanspraak heeft gesplitst worden verleend. Door of namens het bevoegd gezag kan voor een bepaalde dienst of een bepaald dienstvak of bedrijf het minimum-aantal aaneengesloten uren worden vastgesteld dat op een zelfde dag als vakantieuren kan worden toegekend. Dit aantal mag niet hoger gesteld worden dan het voor een werknemer volgens de voor hem geldende werktijd op één dag vastgestelde aantal werkuren.
4.
Omtrent de tijdstippen, waarop de vakantie zal ingaan, alsmede omtrent de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist de bevoegde autoriteit.
5.
Bij het nemen van de beslissing bedoeld in het vorige lid, wordt met inachtneming van de belangen van de dienst zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de werknemer, waartoe deze kenbaar maakt, wanneer hij bij voorkeur de hem toekomende vakantie wenst te genieten.
1.
Voorzover aan de werknemer in een kalenderjaar het hem volgens dit hoofdstuk toekomende aantal vakantieuren niet is verleend, wordt hem de niet genoten vakantie in het daaropvolgend kalenderjaar aaneengesloten verleend. De vakantie van het voorgaande jaar en de vakantie van het lopende jaar worden aaneengesloten genoten, tenzij de werknemer te kennen geeft laatstbedoelde vakantie in het daarop volgende kalenderjaar te willen opnemen. Artikel 4 lid 3 blijft in dit laatste geval onverminderd van toepassing. Vakantie over meer dan twee kalenderjaren kan niet aaneengesloten worden verleend.
2.
Behoudens het bepaalde in artikel 6 verliest de werknemer zijn aanspraak op het door hem niet genoten aantal vakantieuren betrekking hebbende op het kalenderjaar voorafgaande aan het afgelopen kalenderjaar.
1.
De in dit hoofdstuk bedoelde vakantie kan wegens dringende redenen van dienstbelang geheel of gedeeltelijk worden geweigerd of ingetrokken bij gemotiveerde beschikking van de bevoegde autoriteit.
2.
Indien de vakantie krachtens het vorige lid geheel of gedeeltelijk is geweigerd of ingetrokken behoudt de werknemer zijn aanspraak op het aantal door hem niet genoten vakantieuren. Weigering of intrekking kan voor ten hoogste 12 maanden uitstel van de desbetreffende vakantie tot gevolg hebben. Behalve in het geval dat de dienstverhouding tot de overheid wegens ontslag eindigt, kan aan de werknemer in enig kalenderjaar nimmer een langere vakantie worden verleend dan tweemaal het hem volgens artikel 7 toekomende aantal vakantieuren.
3.
In geval van intrekking van de vakantie zoals bedoeld in het voorgaande lid wordt, indien de werknemer als gevolg daarvan van de hem op een bepaalde dag toegekende vakantieuren er een deel niet heeft kunnen genieten, geen van de op die dag vallende vakantieuren als zodanig aangemerkt. In het geval de werknemer zijn vakantie doorbrengt buiten het eiland waar hij werkzaam is, wordt hem, indien hij op het tijdstip waarop hij zijn werkzaamheden hervat minder dan 3/4 gedeelte van het aantal vakantieuren dat hij buiten het eiland waar hij werkzaam is zou doorbrengen heeft genoten, bovendien vergoed de door hem voor zich en zijn gezin gemaakte reiskosten naar de plaats waar hij op het tijdstip van de intrekking met vakantie vertoeft, vermeerderd met een vergoeding van de door hem gemaakte kosten van een rechtstreekse reis van die plaats naar het eiland waar hij werkzaam is.
1.
De werknemer heeft per kalenderjaar aanspraak op 152 werkuren vakantie.
2.
Aan de werknemer die ingevolge het voor hem geldende werkrooster avond- en/of nachtdienst en dienst op zon- en feestdagen moet verrichten wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, 176 werkuren vakantie verleend.
3.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid geldt de categorie waartoe de werknemer op 1 januari van het kalenderjaar, waarover hij aanspraak op vakantie kan doen gelden behoort, of ingeval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, de categorie waartoe hij behoort op het tijdstip van indiensttreding.
4.
Voor een werknemer voor wie de geldende werktijd korter is dan de gebruikelijke volledige werktijd, wordt het ingevolge het eerste tot en met derde lid van toepassing zijnde aantal vakantieuren vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal uren van de voor die werknemer geldende werktijd en de noemer uit het aantal uren van de voor zijn functie geldende gebruikelijke volledige werktijd.
5.
Indien gedurende een kalenderjaar wijziging optreedt in de omvang van de voor een werknemer geldende werktijd, wordt het aantal vakantieuren waarop de werknemer gedurende dat jaar aanspraak heeft, bepaald door het aantal vakantieuren voor elk tijdvak van het kalenderjaar waarin de voor de werknemer geldende werktijd gelijk is, afzonderlijk te berekenen en hiervan de som te bepalen. Het aantal vakantieuren waarop de werknemer gedurende elk tijdvak van het kalenderjaar aanspraak heeft, wordt berekend door het aantal maanden dat dat tijdvak heeft geduurd, te delen door 12 en het quotiënt te vermenigvuldigen met het aantal vakantieuren waarop de werknemer aanspraak zou hebben als het tijdvak een vol kalenderjaar zou hebben gevormd.
6.
Het aantal uren waarvoor ingevolge dit artikel aanspraak op vakantie bestaat, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.
1.
Indien een werknemer tijdens zijn vakantie blijkens een geneeskundige verklaring gedurende een of meer dagen arbeidsongeschikt is geweest, wordt het aantal hem verleende vakantieuren dat overeenkomt met het aantal werkuren gedurende welke hij arbeidsongeschikt was, beschouwd niet als vakantie te zijn genoten. Met inachtneming van de voor hem geldende bepalingen wordt hem voor de duur van zijn arbeidsongeschiktheid hetzij vrijstelling van dienst wegens ziekte verleend, hetzij ziekengeld uitgekeerd.
2.
Voor het aantal werkuren volgens de voor de werknemer geldende werktijd, waarop hij in verband met de toepassing van het eerste lid geen vakantie heeft genoten, wordt hem opnieuw vakantie verleend met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk.
1.
De aanspraken van de werknemer op vakantie worden in alle gevallen waarin de werknemer in een kalenderjaar dertig dagen of meer al dan niet aaneengesloten anders dan tengevolge van verleende vakantie, vrijstelling van dienst wegens ziekte, vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden met behoud van vol inkomen, wegens arbeidsongeschiktheid of vergoeding in vrije tijd wegens verricht overwerk, geen werkelijke dienst doet, verminderd naar reden van 1/12 gedeelte van het hem ingevolge artikel 7 toekomende aantal vakantieuren voor elk aantal van dertig dagen waarop hij geen werkelijke dienst heeft vervuld.
2.
Indien de tijd, gedurende welke de werknemer geen werkelijke dienst doet, zich over meer dan één kalenderjaar uitstrekt, worden de aanspraken op vakantie bij toepassing van het vorige lid, over de desbetreffende kalenderjaren naar evenredigheid verminderd.
3.
Indien de vermindering bedoeld in het eerste lid niet kan worden toegepast omdat de aan de werknemer toekomende vakantie in het desbetreffende kalenderjaar reeds geheel is genoten of daarvoor niet toereikend is, geschiedt de vermindering of verdere vermindering in het eerstvolgende kalenderjaar.
4.
Het aantal uren, waarop de werknemer ingevolge dit artikel over enig kalenderjaar aanspraak blijft houden op vakantie, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.
1.
Onverminderd het bepaalde in de leden 2, 3, 4 en 5 van artikel 4 heeft de werknemer gedurende de eerste zes maanden na indiensttreding slechts aanspraak op vakantie naar reden van 1/12 gedeelte van het in artikel 7 vastgestelde aantal vakantieuren voor de categorie waartoe hij behoort en wel voor iedere volle kalendermaand, dat hij in genoemd tijdvak werkelijke dienst heeft vervuld.
2.
Het aantal uren, waarop ingevolge het voorgaande lid aanspraak op vakantie bestaat, wordt zo nodig naar beneden afgerond op hele uren.
1.
Degene die onmiddellijk vóór zijn indiensttreding als werknemer in overheidsdienst werkzaam was, anders dan als ambtenaar behorende tot het onderwijzend personeel bedoeld in hoofdstuk III van het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES of behorende tot het personeel van het gesubsidieerd bijzonder onderwijs, alsmede degene die bij een publiekrechtelijke instelling, dan wel bij een door de overheid in het leven geroepen privaatrechtelijke rechtspersoon werkzaam was, behoudt bij zijn indiensttreding als werknemer aanspraak op het aantal door hem niet genoten vakantieuren waarop hij tot en met ultimo december van het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn indiensttreding plaatsvindt aanspraak kon doen gelden overeenkomstig de voor hem vóór zijn indiensttreding als werknemer geldende voorschriften. De in de vorige zin bedoelde vakantie wordt hem verleend met inachtneming van de voorschriften van dit hoofdstuk.
2.
Indien de indiensttreding in het vorige lid bedoeld plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar kan de werknemer over dat kalenderjaar voor elk aantal van dertig dagen dat hij werkelijke dienst vervult aanspraak maken op:
a. over het gedeelte van dat kalenderjaar voorafgaande aan zijn indiensttreding: 1/12 gedeelte van het aantal vakantieuren dat hem overeenkomstig de voor hem vóór zijn indiensttreding als werknemer geldende voorschriften toekwam;
b. over het gedeelte van dat kalenderjaar vanaf zijn indiensttreding: 1/12 gedeelte van het hem ingevolge artikel 7 toekomende aantal vakantieuren. Indien de indiensttreding plaatsvindt in de loop van een kalendermaand wordt deze voor de toepassing van het bepaalde onder b geacht te zijn ingegaan op de eerste van die maand. Het aantal dagen, waarop de werknemer ingevolge de berekening bedoeld onder a en b aanspraak kan doen gelden op vakantie, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren. De werknemer kan over bedoeld kalenderjaar op niet meer dan het hem ingevolge artikel 7 toekomende aantal vakantieuren aanspraak doen gelden.
Artikel 12
Het bepaalde in het vorige artikel is van overeenkomstige toepassing op:
a. de werknemer in dienst van de Staat die in dienst van een openbaar lichaam overgaat;
b. de werknemer in dienst van een openbaar lichaam die in dienst van de Staat overgaat;
c. de werknemer in dienst van een openbaar lichaam die in dienst van een ander openbaar lichaam overgaat;
d. degene die werkzaam is bij een publiekrechtelijke instelling, dan wel bij een door de overheid in het leven geroepen privaatrechtelijke rechtspersoon en die in dienst van de Staat of een openbaar lichaam overgaat.
Artikel 13
Degene behorende tot het onderwijzend personeel bedoeld in hoofdstuk III van het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES alsmede degene behorende tot het personeel bij het gesubsidieerd bijzonder onderwijs die als werknemer in dienst treedt kan in dat kalenderjaar voor elk aantal van dertig dagen dat hij in laatstbedoelde hoedanigheid werkelijke dienst vervult aanspraak doen gelden op 1/12 gedeelte van het aantal vakantieuren dat hem ingevolge artikel 7 toekomt.
Indien de indiensttreding plaatsvindt in de loop van een kalendermaand wordt deze voor de toepassing van het bepaalde in de vorige zin geacht te zijn ingegaan op de eerste van die maand.
Het aantal uren, waarop de werknemer ingevolge de hiervoor bedoelde berekening aanspraak kan doen gelden op vakantie wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.
1.
Indien de werknemer in enig kalenderjaar meer vakantie heeft genoten dan hem ingevolge dit hoofdstuk toekomt, wordt dit meerdere verrekend met de hem over een of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantie.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt met dien verstande, dat uit dien hoofde in enig kalenderjaar de vakantie nimmer met meer dan een derde gedeelte van hetgeen de werknemer ingevolge het bepaalde in artikel 7 over dat jaar toekomt, mag worden verminderd.
3.
Het bepaalde in het vierde lid van artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.
1.
Ter compensatie van de door de werknemer bij zijn overlijden niet genoten of gedeeltelijk niet genoten vakantie, wordt door de overheid aan de weduwe of weduwnaar een geldsbedrag uitbetaald gelijk aan het bedrag dat aan de werknemer aan inkomen zou zijn uitgekeerd gedurende de vakantie, indien de vakantie zou zijn genoten. Bij de vaststelling van het aantal niet genoten vakantieuren vindt artikel 9 geen toepassing.
2.
Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitbetaling, indien de overledene kostwinner was van ouders, broeders, zusters, overige kinderen of stiefkinderen, ten behoeve van deze betrekkingen.
3.
Laat de overledene ook geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede lid na, dan wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag geheel of ten dele aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.
Artikel 16
De werknemer heeft aanspraak op een vakantie-uitkering voor elke kalendermaand, waarin hij als zodanig ten laste van de overheid inkomen heeft genoten.
1.
De vakantie-uitkering bedraagt voor elke daarvoor in aanmerking komende kalendermaand zes ten honderd van het inkomen dat voor de werknemer geldt als maandinkomen op de eerste april van het jaar van uitbetaling, dan wel, bij indiensttreding in de loop van de maanden april, mei of juni van dat jaar, op de datum van indiensttreding.
2.
Voor de werknemer op weekloon, wordt het maandinkomen bepaald door het weekinkomen te vermenigvuldigen met 13 en het product te delen door 3; het alsdan verkregen bedrag wordt naar boven afgerond tot het naaste bedrag in gehele dollars.
1.
Artikel 16 is niet van toepassing ten aanzien van een kalendermaand:
a. waarin de werknemer minder dan 15 dagen in dienstverhouding tot de overheid heeft gestaan;
b. waarin de werknemer tengevolge van aan hem verleende vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden voor langer dan 15 dagen geen of gedeeltelijk inkomen ten laste van de overheid heeft genoten;
c. waarin de werknemer over meer dan 15 dagen tengevolge van aan hem opgelegde disciplinaire straf of schorsing geen of gedeeltelijk inkomen ten laste van de overheid heeft genoten.
d. waarin de werknemer over meer dan 15 dagen wegens verzuim geen inkomen ten laste van de overheid heeft genoten.
2.
Ten aanzien van de werknemer voor wie de geldende werktijd korter is dan de gebruikelijke volledige werktijd wordt het getal 15, voorkomend in het voorgaande lid, telkens vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal uren van de voor die werknemer geldende werktijd en de noemer uit het aantal uren van de voor zijn functie geldende gebruikelijke volledige werktijd.
1.
De vakantie-uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar, in de tweede helft van de maand juni, uitbetaald over de periode van twaalf maanden aangevangen met de maand juni van het voorafgegane kalenderjaar.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid vindt de uitbetaling van de vakantie-uitkering ook plaats bij ontslag of overlijden van de werknemer – tenzij het ontslag zonder onderbreking door een nieuw dienstverband als werknemer bij dezelfde overheid wordt gevolgd – en wel over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatstverstreken periode waarover vakantie-uitkering werd uitbetaald en de datum van het ontslag of het overlijden.
3.
Bij overlijden van de werknemer geschiedt de uitbetaling van de vakantie-uitkering aan de weduwe of weduwnaar.
4.
Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitbetaling, indien de overledene kostwinner was van ouders, broeders, zusters, overige kinderen of stiefkinderen, ten behoeve van deze betrekkingen.
5.
Laat de overledene ook geen betrekkingen, als bedoeld in het vierde lid na, dan wordt de vakantie-uitkering geheel of ten dele aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.
6.
Bij toepassing van het tweede lid wordt het tijdstip van artikel 17 eerste lid vervangen door de datum, voorafgaande aan die van ingang van het ontslag of aan die van het overlijden.
Artikel 20
Ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk kunnen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden vastgesteld.
1.
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de werknemer op zijn daartoe strekkend mondeling of schriftelijk verzoek door de bevoegde autoriteit vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, met behoud van vol inkomen, verleend:
I.
a. op de dag van zijn ondertrouw;
b. bij zijn huwelijk: vier werkdagen;
c. op de dag van het huwelijk van bloed- en aanverwanten in de eerste, tweede en derde graad;
d. bij bevalling van zijn echtgenote: twee werkdagen;
e. op de dag van zijn kerkelijke bevestiging en Eerste Heilige Communie en op die van zijn echtgenote, kinderen, stief- of pleegkinderen;
f. op de dag van herdenking van zijn 25-, 30-, 35- en 40-jarig dienstjubileum;
g. op de dag van herdenking van zijn 25- en 40-jarig huwelijksjubileum;
h. op de dag van herdenking van het 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum van zijn ouders, stief-, schoon-, pleeg- of grootouders;
i. bij ernstige ziekte van zijn echtgenote, ouders, stief-, schoon- of pleegouders, kinderen, stief- of pleegkinderen: ten hoogste vijftien dagen; mocht blijken dat dit aantal in bepaalde omstandigheden niet toereikend is, dan kan artikel 25 toepassing vinden;
j. bij overlijden van echtgenote, ouders, stief-, schoon- of pleegouders, kinderen, stief- of pleegkinderen: twee werkdagen;
k. bij overlijden van grootouders, huisgenoten en bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad: één werkdag;
l. op de dag vóór en op de dag waarop examen ter verkrijging van een wettelijk erkend diploma wordt afgelegd.
II.
a. indien hij gehuwd is of een eigen huishouding heeft, bij verhuizing op het eiland waar hij zijn standplaats heeft: twee dagen, en in geval van verhuizing naar een ander eiland: twee dagen zowel vóór het vertrek naar als na aankomst op de nieuwe standplaats;
b. indien hij ongehuwd is en geen eigen huishouding heeft, bij verhuizing naar een ander eiland: één dag vóór het vertrek naar de nieuwe standplaats.
a. voor het bijwonen van vergaderingen of zittingen van of het verrichten van werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges of commissies, waarin de werknemer is benoemd of aangewezen, en voor zover zulks niet in vrije tijd kan geschieden;
b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting, een en ander voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is.
2.
Aan de werknemer die tot lid van een van de eilandsraden van de openbare lichamen is verkozen, wordt op zijn verzoek door de bevoegde autoriteit steeds vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, met behoud van vol inkomen, verleend voor het bijwonen van vergaderingen van de eilandsraad, alsmede het maken van reizen in of buiten de openbare lichamen in zijn hoedanigheid van lid van de bedoelde eilandsraad. Het bepaalde in dit artikellid is niet van toepassing op de werknemer die op non-actief is gesteld of tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt of functie in verband met het toegelaten zijn tot lid van de eilandsraad van een openbaar lichaam.
3.
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt jaarlijks op daartoe strekkend mondeling of schriftelijk verzoek van de werknemer door de bevoegde autoriteit ten hoogste vijftien dagen vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, met behoud van vol inkomen, verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van werknemers in overheidsdienst, van centrale organisaties waarbij deze verenigingen zijn aangesloten of van internationale overheidswerknemers-organisaties, mits de werknemer hieraan deelneemt:
a. voor zover betreft vergaderingen van verenigingen van werknemers in overheidsdienst als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan;
b. voor zover betreft vergaderingen van centrale organisaties waarbij verenigingen van werknemers in overheidsdienst zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van werknemers in overheidsdienst;
c. voor zover betreft vergaderingen van een internationale overheidswerknemersorganisatie als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van werknemers in overheidsdienst.
De vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden in de vorige zin bedoeld, wordt slechts verleend aan werknemers, die lid zijn van verenigingen van werknemers in overheidsdienst, welke zijn vertegenwoordigd in een Commissie voor Georganiseerd Overleg in zaken overheidswerknemers betreffende.
Artikel 22
De dagen gedurende welke de werknemer de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, is ontzegd, anders dan wegens hinderlijke gedragingen of het gebruik van alcoholhoudende drank, worden als vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, met behoud van vol inkomen, aangemerkt.
1.
Indien een persoon, die hetzelfde perceel bewoont als de werknemer of ten hoogste veertien dagen tevoren bewoond heeft, lijdende is aan cholera, difterie, gele koorts, pest, pokken (variolae en varioloïdes), roodvonk, febris typhoidea en para-typhus, vlektyphus, of aan een andere bij of krachtens de Wet voor de volksgezondheid BES aangewezen ziekte van toepassing zijn, is het de werknemer verboden aan de dienst deel te nemen. De werknemer is verplicht bij het waarnemen in het perceel van een ziekte als bedoeld, hiervan ten spoedigste kennis te geven aan het hoofd van dienst.
2.
Aan de werknemer kan door het hoofd van dienst in geval van ziekten, die voor de omgeving gevaar opleveren, de deelneming aan de dienst worden ontzegd.
3.
Het verbod tot deelneming aan de dienst houdt tevens in het verbod tot betreden van dienstlokalen of terreinen.
4.
De dagen gedurende welke het de werknemer overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is aan de dienst deel te nemen, worden als vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, met behoud van vol inkomen, aangemerkt.
Artikel 24
Indien de werknemer op een dag waarop de overheidsdiensten voorzover de belangen van de dienst dit toelaten zijn gesloten, gehouden is dienst te verrichten binnen de vastgestelde werktijden dan wel, in geheel of gedeeltelijk afwisselende dienst werkzaam zijnde, op die dag volgens rooster vrij van dienst is of uit hoofde van ziekte of vakantie niet tot dienstverrichting is gehouden, geniet hij op een andere werkdag vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden. Al naar gelang hij op de dag waarop de overheidsdienst gesloten is gedurende langer dan vier uur onderscheidenlijk gedurende vier uur of korter dienst heeft verricht dan wel, in geheel of gedeeltelijk afwisselende dienst werkzaam zijnde, volgens rooster vrij van dienst is geweest of uit hoofde van ziekte of vakantie niet tot dienstverrichting was gehouden, wordt hem vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden verleend gedurende een aantal uren, overeenkomend met de gebruikelijke werktijd op een gehele, onderscheidenlijk een halve dag.
1.
Vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden kan bovendien op daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de werknemer worden verleend in de gevallen waarin het in het tweede lid bedoelde gezag of de in dat lid bedoelde autoriteit oordeelt dat daartoe aanleiding bestaat. Deze vrijstelling van dienst wordt verleend voor de duur van ten hoogste drie maanden en kan geheel of gedeeltelijk in het buitenland worden doorgebracht.
2.
Indien de vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid van dit artikel van langere duur is dan 15 dagen of voor geheel of gedeeltelijk verblijf in het buitenland wordt verleend, wordt deze bij beschikking van het bevoegde gezag verleend. Indien de vrijstelling bedoeld in het eerste lid niet van langere duur is dan 15 dagen noch voor geheel of gedeeltelijk verblijf in het buitenland wordt verleend, wordt deze door de bevoegde autoriteit verleend.
3.
Gedurende de vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid van dit artikel heeft de werknemer aanspraak op zijn vol inkomen gedurende de eerste maand en naar reden van vijftig ten honderd van zijn vol inkomen, afgerond tot het naast hogere bedrag in gehele dollars, gedurende elk der volgende twee maanden.
4.
De vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan, voor zover deze is verleend voor een langere duur dan 30 dagen en indien dringende redenen van dienstbelang zulks vorderen, worden ingekort tot minimaal 30 dagen, bij een met redenen omklede beschikking van het bevoegde gezag.
5.
Indien de werknemer tengevolge van de inkorting bedoeld in het voorgaande lid geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.
6.
Voor zover de vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid van dit artikel verleend is voor een langere duur dan 15 dagen of voor geheel of gedeeltelijk verblijf in het buitenland geschiedt herstel in activiteit na eindiging van de vrijstelling van dienst bij beschikking van het bevoegde gezag.
7.
Tijdens de vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit artikel, ondergaat het inkomen van de werknemer dezelfde wijzigingen welke het zou hebben ondergaan indien deze vrijstelling van dienst niet zou zijn verleend.
1.
Vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden kan ook zonder behoud van inkomen op daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de werknemer bij beschikking van het bevoegde gezag worden verleend in de gevallen waarin dit gezag oordeelt dat daartoe aanleiding bestaat. Deze vrijstelling van dienst wordt verleend voor de duur van ten hoogste vijf jaren en kan geheel of gedeeltelijk in het buitenland worden doorgebracht.
2.
De vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan, voor zover deze is verleend voor een langere duur dan drie maanden en indien dringende redenen van dienstbelang zulks vorderen, worden ingekort tot minimaal drie maanden bij een met redenen omklede beschikking van het bevoegde gezag.
3.
Indien de werknemer tengevolge van de inkorting bedoeld in het voorgaande lid geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.
4.
Herstel in activiteit na eindiging van de vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid geschiedt bij beschikking van het bevoegde gezag.
1.
De werknemer die voor de door hem te verrichten werkzaamheden geneeskundig is goedgekeurd en tenminste een jaar in dienst is en die wegens ziekte verhinderd is zijn dienst uit te oefenen, heeft tot herstel van zijn gezondheid aanspraak op vrijstelling van dienst wegens ziekte.
2.
De duur van een vrijstelling van dienst wegens ziekte, verlenging daarvan inbegrepen, is ten hoogste vier jaren.
3.
De aanvankelijke duur van een vrijstelling van dienst wegens ziekte wordt gesteld op ten hoogste zes maanden. Deze termijn kan met inachtneming van het bepaalde in het vorige lid, telkens met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
4.
Gedurende een vrijstelling van dienst wegens ziekte heeft de werknemer aanspraak op een inkomen naar reden van:
a. zijn vol inkomen gedurende de eerste vierentwintig maanden;
b. negentig ten honderd van zijn vol inkomen gedurende de daaropvolgende twaalf maanden;
c. tachtig ten honderd van zijn vol inkomen gedurende de resterende maanden.
5.
Een opnieuw ingetreden verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in het tweede en vierde lid genoemde termijnen als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet, nadat tenminste dertig kalenderdagen zijn verstreken sedert de werknemer zijn dienst volledig heeft hervat.
6.
Het inkomen bedoeld onder lid 4, letters b en c, wordt naar boven afgerond tot het naaste bedrag in gehele dollars.
7.
Tijdens de vrijstelling van dienst wegens ziekte ondergaat het inkomen van de werknemer dezelfde wijzigingen, welke het zou hebben ondergaan indien de werknemer niet verhinderd zou zijn geweest zijn dienst uit te oefenen.
Artikel 28
Geen aanspraak op doorbetaling van inkomen bestaat:
a. indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven voorgesteld, dat verhindering tot dienstverrichting niet kan worden aangenomen;
b. indien de werknemer de verhindering tot dienstverrichting opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;
c. indien het ziekteverzuim is veroorzaakt door of het gevolg is van een kwaal of lichaamsgebrek, waarover de werknemer bij of vóór zijn indiensttreding opzettelijk het stilzwijgen heeft bewaard of waaromtrent hij opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven.
1.
De doorbetaling van inkomen wordt gestaakt, wanneer en voor zolang de werknemer:
a. weigert zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek vanwege de dienst of, na voor zulk een onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;
b. zonder voldoende gronden nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd;
c. zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
d. tijdens de verhindering om dienst te verrichten voor zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dit door de aangewezen geneeskundige of geneeskundigen, bedoeld in artikel 32, vierde lid, in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;
e. in gebreke blijft op het door de aangewezen geneeskundige of geneeskundigen, bedoeld in artikel 32, vierde lid, bepaalde tijdstip en in de door bedoelde geneeskundige(n) bepaalde mate zijn dienst te hervatten, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen, door bedoelde geneeskundige(n) als geldig erkende reden heeft opgegeven. De in dit lid bedoelde aanspraak vervalt met ingang van de dag waarop de reden daarvoor voor het eerst aanwezig was.
2.
De doorbetaling van inkomen kan geheel of ten dele worden gestaakt, indien de werknemer de controlevoorschriften overtreedt, die zijn vastgesteld:
a. bij ministeriële regeling, voor werknemers in dienst van de Staat;
b. bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen, voor werknemers in dienst van een openbaar lichaam.
Artikel 30
In de gevallen, bedoeld in de artikelen 28 en 29 kan het bevoegde gezag op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat het bedrag van het ingehouden inkomen geheel of ten dele aan anderen dan aan de werknemer zal worden uitbetaald.
1.
Vrijstelling van dienst wegens ziekte wordt, behoudens het bepaalde in het tweede lid, door de bevoegde autoriteit verleend. Deze vrijstelling van dienst kan, onverminderd het bepaalde in artikel 33 met schriftelijke toestemming van het bevoegde gezag geheel of gedeeltelijk in het buitenland worden doorgebracht.
2.
Vrijstelling van dienst wegens ziekte voor verblijf in het buitenland als bedoeld in artikel 33 wordt bij beschikking van het bevoegde gezag verleend.
1.
De werknemer die wegens ziekte verhinderd is zijn dienst uit te oefenen, geeft daarvan onverwijld kennis aan de bevoegde autoriteit.
2.
De bevoegde autoriteit kan van de werknemer overlegging van een geneeskundige verklaring vorderen of hem door een geneeskundige laten onderzoeken.
3.
Ter verkrijging van een vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan drie achtereenvolgende dagen, is overlegging van een geneeskundige verklaring door de werknemer verplicht.
4.
Vrijstelling van dienst wegens ziekte meer dan dertig dagen of verlenging daarvan waardoor deze vrijstelling van dienst van langere duur wordt dan dertig dagen, wordt door de bevoegde autoriteit slechts verleend indien uit een schriftelijke verklaring, afgegeven door één of meerdere door de overheid aangewezen geneeskundigen, blijkt dat de betrokken werknemer wegens ziekte verhinderd is zijn dienst uit te oefenen. In de door deze geneeskundige afgegeven verklaring wordt, met inachtneming van het gestelde in artikel 27, derde lid, het tijdvak aangegeven waarin de werknemer vermoedelijk zijn dienst niet zal kunnen uitoefenen. Indien verblijf in het buitenland noodzakelijk blijkt, wordt tevens hiervan, met vermelding van de plaats van verblijf en de wijze waarop de reis moet worden volbracht, mededeling gedaan.
5.
[vervallen]
6.
[vervallen]
Artikel 33
[vervallen]
1.
Van een uitspraak krachtens artikel 32, vierde lid of krachtens artikel 36, eerste lid, staat, binnen 30 dagen nadat de werknemer van de uitspraak schriftelijk in kennis is gesteld, beroep open bij een herkeuringscommissie, bestaande uit tenminste drie geneeskundigen. Een van deze geneeskundigen wordt aangewezen door de betrokken werknemer.
2.
Het krachtens het eerste lid in te dienen beroepschrift wordt aangeboden aan het gezag of de autoriteit die ingevolge het vierde lid de herkeuringscommissie moet benoemen. Het beroepschrift vermeldt tevens de naam en het adres van de geneeskundige die door de betrokken werknemer voor benoeming in de herkeuringscommissie is aangewezen.
3.
De leden van de herkeuringscommissie mogen niet bij een uitspraak, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, betrokken zijn geweest.
4.
De leden van de herkeuringscommissie worden benoemd:
a. door het bevoegde gezag indien de werknemer zich in de openbare lichamen bevindt;
b. door of vanwege Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties indien de werknemer zich buiten de openbare lichamen bevindt.
c. [vervallen]
1.
De werknemer kan aan een geneeskundig onderzoek vanwege de dienst worden onderworpen ter beoordeling van de vraag:
a. of er sprake is van verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte;
b. of zich een omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 28 of in artikel 29 eerste lid, onder b of c;
c. of verdere maatregelen in het belang van het herstel nodig zijn;
d. wanneer en in welke mate de dienst kan worden hervat.
2.
De vanwege de dienst optredende geneeskundige(n), bedoeld in artikel 32, vierde lid, deelt het oordeel terstond mede aan de werknemer en stelt het gezag dat of de autoriteit die het onderzoek aanvroeg, daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.
1.
De werknemer aan wie vrijstelling van dienst wegens ziekte is verleend van drie maanden of meer, mag de uitoefening van zijn dienst niet hervatten, dan nadat uit een verklaring van de geneeskundige(n), bedoeld in artikel 32, vierde lid, blijkt, dat de betrokken werknemer is onderzocht en in staat is bevonden tot hervatting van zijn dienstuitoefening.
2.
De werknemer die aan het einde van een tot de maximumduur genoemd in artikel 27 verlengde vrijstelling van dienst wegens ziekte volgens een verklaring afgegeven door de geneeskundige(n), bedoeld in het eerste lid, niet geschikt is bevonden om zijn dienstuitoefening te hervatten, wordt, behoudens het bepaalde in het volgende lid, eervol ontslag uit de overheidsdienst verleend.
3.
Indien de geneeskundige(n), bedoeld in het eerste lid,van oordeel is dat hervatting van de dienstuitoefening door de betrokken werknemer niet mogelijk is wegens een opgekomen ziekte van voorbijgaande aard, wordt hem voor de duur van de ziekte vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden met behoud van zeventig ten honderd van zijn vol inkomen verleend.
Artikel 37
Na eindiging van een vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan dertig dagen of van een vrijstelling van dienst wegens ziekte voor verblijf in het buitenland, is herstel in activiteit bij beschikking vereist. Deze inactiviteitherstelling door de instantie die deze vrijstelling van dienst heeft verleend.
Artikel 38
Aan de werknemer die door een ongeval als bedoeld in de Wet ongevallenverzekering BES een lichamelijk letsel heeft bekomen waardoor hij blijvend gedeeltelijk invalide is geworden en die, indien de Wet ongevallenverzekering BES op hem van toepassing was krachtens deze wet een uitkering ineens zou hebben ontvangen, zal door de overheid een uitkering worden toegekend gelijk aan die welke door de Sociale Verzekeringsbank aan de werknemer zou zijn toegekend indien de Wet ongevallenverzekering BES op hem van toepassing was.
1.
Aan de werknemer die door een ongeval als bedoeld in de Wet ongevallenverzekering BES blijvend algeheel invalide wordt, wordt een uitkering toegekend.
2.
Indien een werknemer tengevolge van een ongeval als bedoeld in de Wet ongevallenverzekering BES overlijdt, wordt aan zijn nagelaten betrekkingen als bedoeld in artikel 9, lid 3 of lid 4 van deze wet een uitkering toegekend.
3.
Het bedrag van de uitkeringen bedoeld in het eerste en tweede lid wordt vastgesteld:
a. bij ministeriële regeling, voor werknemers in dienst van de Staat;
b. bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen, voor werknemers in dienst van een openbaar lichaam.
1.
Aan de werknemer die door een ongeval als bedoeld in de Wet ongevallenverzekering BES blijvend algeheel invalide wordt en die geen recht op pensioen kan doen gelden als bedoeld in de Werkliedenwet 1944 BES, wordt door de overheid een uitkering bij wijze van pensioen toegekend tot het bedrag dat de werknemer aan pensioen zou hebben ontvangen indien de desbetreffende voorschriften van de Werkliedenwet 1944 BES op hem van toepassing waren.
2.
Indien de werknemer bedoeld in het eerste lid komt te overlijden, wordt door de overheid aan zijn weduwe en wezen een uitkering bij wijze van pensioen toegekend tot het bedrag dat zij aan pensioen zouden hebben ontvangen indien de desbetreffende bepalingen van de Werkliedenwet 1944 BES op hen van toepassing waren.
3.
Aan de weduwe en wezen van de werknemer die tengevolge van een ongeval als bedoeld in de Wet ongevallenverzekering BES overlijdt en die geen recht op pensioen kunnen doen gelden als bedoeld in de Werkliedenwet 1944 BES wordt door de overheid een uitkering bij wijze van pensioen toegekend tot het bedrag dat de weduwe en wezen aan pensioen zouden hebben ontvangen indien de desbetreffende voorschriften van de Werkliedenwet 1944 BES op hen van toepassing waren.
1.
Aan de gewezen werknemer wiens dienstverband is geëindigd tijdens de verhindering om arbeid te verrichten door ziekte anders dan bedoeld in het volgende lid, doch vóór het verstrijken van een tijdvak van 12 maanden sedert de aanvang van de verhindering, wordt voor de verdere duur van de arbeidsongeschiktheid, doch uiterlijk tot het tijdstip van eindiging van voormeld tijdvak van 12 maanden, een uitkering toegekend overeenkomende met het inkomen dat hij gedurende vrijstelling van dienst wegens ziekte zou hebben genoten indien zijn dienstverband niet was geëindigd.
2.
Aan de gewezen werknemer wiens dienstverband is geëindigd tijdens de verhindering om arbeid te verrichten door ziekte of gebreken, welke ontstaan zijn in en door de uitoefening van de dienst en niet aan de schuld of grove nalatigheid van de betrokken werknemer zijn te wijten doch vóór het verstrijken van een tijdvak van 48 maanden sedert de aanvang van de verhindering, wordt voor de verdere duur van de arbeidsongeschiktheid, doch uiterlijk tot het tijdstip van eindiging van voormeld tijdvak van 48 maanden, een uitkering toegekend overeenkomende met het inkomen dat hij gedurende vrijstelling van dienst wegens ziekte zou hebben genoten indien zijn dienstverband niet was geëindigd.
3.
De arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het eerste en tweede lid, dient te blijken uit een verklaring van de geneeskundige(n), bedoeld in artikel 32, vierde lid.
4.
Op de uitkeringen, welke krachtens de leden 1 en 2 worden genoten, worden eventuele uitkeringen aan pensioen ten laste van het BES ambtenarenpensioenfonds of het BES werkliedenpensioenfonds, dan wel uitkeringen of onderstanden bij wijze van pensioen ten laste van de overheid, vermeerderd met de daarop komende duurtetoeslag en kindertoelage, in mindering gebracht.
5.
Het bepaalde in de Wet vergoeding verplegings- en behandelingskosten ambtenaren BES is, gedurende de tijd dat de in de vorige leden bedoelde uitkeringen worden genoten en voorts ingeval van een ongeval in de zin van de Wet ongevallenverzekering BES zolang de gevolgen van het ongeval dit noodzakelijk maken, van overeenkomstige toepassing op de hiervoor bedoelde gewezen werknemers.
Artikel 42
[vervallen]
Artikel 43
De werknemer die bij indienstneming niet geneeskundig werd onderzocht en op het tijdstip van inwerkingtreding van deze algemene maatregel van bestuur een jaar of langer in dienst is, wordt voor de toepassing van deze paragraaf geacht geneeskundig te zijn goedgekeurd.
Artikel 44
De Wet ziekteverzekering BES en de Wet ongevallenverzekering BES en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften zijn op de werknemer die voor de door hem te verrichten werkzaamheden geneeskundig is goedgekeurd doch korter dan een jaar in dienst is en op de werknemer die voor de door hem te verrichten werkzaamheden niet geneeskundig is goedgekeurd van toepassing met dien verstande dat de betrokkene bij algehele arbeidsongeschiktheid recht kan doen gelden op het navolgende:
I. Ziekengeld:
a. indien hij gehuwd is of ongehuwd en kostwinner:
gedurende de eerste zesentwintig weken: bij huisverpleging en bij ziekenhuisverpleging 100% van het inkomen;
gedurende de daaropvolgende zesentwintig weken: bij huisverpleging en bij ziekenhuisverpleging 85% van het inkomen;
b. indien hij ongehuwd en geen kostwinner is:
gedurende de eerste zesentwintig weken: bij huisverpleging 100% van het inkomen en bij ziekenhuisverpleging 85% van het inkomen;
gedurende de daaropvolgende zesentwintig weken: bij huisverpleging en bij ziekenhuisverpleging 70% van het inkomen.
II. Ongevallengeld:
gedurende de eerste eenhonderdvier weken 100% van het inkomen;
gedurende de daaropvolgende tweeënvijftig weken 90% van het inkomen;
gedurende de resterende tweeënvijftig weken 80% van het inkomen.
Artikel 45
De artikelen 39 en 40 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de werknemer bedoeld in deze paragraaf.
1.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vakantie en vrijstelling van dienst werknemers BES.
2.
Dit besluit berust op artikel 6B van de Werkliedenwet 1944 BES.
3.
[wijzigt de Werkliedenwet 1944 BES]
4.
[vervallen]
5.
[vervallen]
Artikel 47
[vervallen]
Artikel 48
[vervallen]
Artikel 49
[vervallen]
Artikel 50
[vervallen]
Artikel 51
[vervallen]
Artikel 52
[vervallen]
Artikel 53
[vervallen]
Artikel 54
[vervallen]
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Vakantie
+ Hoofdstuk III. Vakantie-uitkering
+ Hoofdstuk IV. Vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden
+ Hoofdstuk V
+ Hoofdstuk VI. Slot- en overgangsbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht