Besluit van 23 augustus 1907, tot vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur bedoeld in artikel 69A, eerste en tweede lid, der wet op het Notarisambt
Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van den 6den Juni 1907, 1ste afdeeling C, n°. 384 en van den 11den Juni 1907, n°. 1607, afdeeling Kunsten en Wetenschappen;
Overwegende, dat volgens artikel 69 A der wet van 9 Juli 1842 ( Staatsblad n°. 20) op het Notarisambt, zooals deze wet laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 12 December 1905 ( Staatsblad n°. 320), bij algemeenen maatregel van bestuur moet worden vastgesteld de nadere regeling der overbrenging van de notarieele archieven, van vóór de invoering der Fransche wetgeving dagteekenende, naar 's Rijks algemeen archiefdepôt te 's Gravenhage en naar de Rijksarchiefdepôts in de provincies of naar andere bij algemeenen maatregel van bestuur nader aan te wijzen archiefdepôts;
Den Raad van State gehoord (advies van den 9den Juli 1907, n°. 27);
Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van den 13den Augustus 1907, 1ste afdeeling C, n°. 347 en van den 19den Augustus 1907, n°. 2178, afdeeling Kunsten en Wetenschappen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
te bepalen als volgt:
1.
Van de in artikel 69 A der wet op het Notarisambt genoemde notarieele archieven zullen naar het Rijksarchief in eene provincie worden overgebracht de minuten en andere bescheiden van de notarissen, die vóór het in dat artikel gemelde tijdstip hunne ambtsbediening hebben uitgeoefend binnen de thans bestaande grenzen van die provincie.
2.
Ten aanzien van de provincie Zuidholland geschiedt deze overbrenging naar het Rijksarchief te 's Gravenhage.
Artikel 2
De in artikel 1 genoemde archieven worden gesteld onder het beheer van den Rijksarchivaris, die belast is met de bewaring van het Rijksarchief, waarheen die archieven zullen zijn overgebracht.
1.
De overbrenging der in artikel 1 genoemde archieven geschiedt op de wijze en op het tijdstip tusschen den bewaarder der algemeene bewaarplaats en den Rijksarchivaris van het Rijksarchief, waarheen de archieven worden overgebracht, in gemeen overleg te bepalen met dien verstande, dat de overbrenging moet plaats vinden binnen tien jaren na het in werking treden van dit besluit. Indien geen voldoende ruimte beschikbaar is, zal door de zorgen van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken hierin zoo spoedig mogelijk worden voorzien. In dat geval zal zoo noodig de termijn door Ons hoogstens met twee jaren worden verlengd.
2.
Indien het overleg tusschen den bewaarder en den Rijksarchivaris niet tot eenstemmigheid leidt, beslist de algemeene Rijksarchivaris.
Artikel 4
Van de in artikel 1 genoemde archieven, die uit eene algemeene bewaarplaats naar een Rijksarchief worden overgebracht, wordt door den Rijksarchivaris van dat archief een inventaris in duplo opgemaakt, die van eene verklaring aangaande die overbrenging wordt voorzien. Beide exemplaren worden door den bewaarder, die de archieven heeft afgegeven, en den Rijksarchivaris onderteekend. Een exemplaar wordt in de algemeene bewaarplaats, het ander in gemeld archief bewaard.
Artikel 5
Indien stukken, welke van vóór en na de invoering der Fransche Wetgeving dagteekenen, in een deel zijn gebonden, worden zij niet overgebracht.
1.
De kosten van overbrenging uit de algemeene bewaarplaatsen naar de Rijksarchieven worden geregeld door de bewaarders der algemeene bewaarplaatsen na bekomen instemming van Onzen Minister van Justitie.
2.
De declaratiën dier kosten vereischen tot staving hunner deugdelijkheid geen ander bewijs dan eene instemming van Onzen Minister van Justitie en zijn overigens aan geene verdere formaliteiten onderworpen.
Artikel 7
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is gemachtigd om aan de Rijksarchivarissen op te dragen aan gemeenten, die een eigen archivaris en doelmatige archieflokalen hebben, van de overeenkomstig artikel 1 naar de Rijksarchieven overgebrachte notarieele archieven de zoodanige, welke die gemeenten betreffen, tot wederopzeggens in bewaring te geven, onder voorwaarde dat het betrokken gemeentebestuur zich verbinde:
a. de genoemde archieven zoo spoedig mogelijk en in elk geval binnen den tijd van vijf jaren te doen inventariseeren naar een plan, dat de instemming behoeft van Onze voornoemde Minister;
b. in een reglement voor het gemeentearchief en eene instructie voor den gemeente-archivaris op die archieven toepasselijk te verklaren de voor de Rijksarchieven geldende of nader vast te stellen bepalingen omtrent de toegankelijkheid en het gebruik van archieven;
c. ten allen tijde aan Onzen voornoemden Minister, den algemeenen Rijksarchivaris en de Rijksarchivarissen in de provinciën desverlangd eenige stukken uit de genoemde archieven tijdelijk af te staan of kosteloos de ten behoeve van het Rijk verlangde afschriften te verstrekken;
d. aan den algemeenen Rijksarchivaris en aan den Rijksarchivaris in de provincie, waartoe de gemeente behoort, steeds toegang tot de bewaarplaats van die archieven te doen verleenen;
e. terstond mededeeling te doen aan Onzen voornoemden Minister van iedere vaststelling, wijziging of intrekking van een reglement voor het gemeentearchief of van eene instructie voor den gemeente-archivaris en van iedere benoeming, schorsing, ontslag of overlijden van een ambtenaar behoorende tot het personeel van het gemeente-archief.
Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandsche Zaken zijn, ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State en aan de Algemeene Rekenkamer.
Dobbin, den 23sten Augustus 1907
De Minister van Justitie,
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
Uitgegeven den zevenden September 1907.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht