Besluit ter uitvoering van de artikelen 16 en 19 van de Wet medisch tuchtrecht BES
1.
In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet medisch tuchtrecht BES .
2.
Tenzij anders bepaald, worden onder de voorzitter en de leden van het College tevens hun plaatsvervangers begrepen.
1.
De leden en de secretaris van het College leggen, alvorens met de uitoefening van hun bediening aan te vangen, in handen van de president van het Hof van Justitie, bijgestaan door deszelfs griffier, de navolgende eed of belofte af:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning en gehoorzaamheid aan de wet, en dat ik mij bij mijn rechtspraak zal laten leiden door het algemeen belang en in ieder bijzonder geval mijn ambt zal vervullen zonder aanzien des persoons».
2.
Tijd en plaats der beëdiging worden door de president vastgesteld in overleg met de te beëdigen personen.
3.
Van het afleggen van de eed of de belofte wordt proces-verbaal opgemaakt.
4.
Door het afleggen van de eed of de belofte aanvaarden de benoemde person en tevens hun bediening.
Artikel 3
De artikelen 10 en 149 van het Wetboek van strafvordering BES zijn op de leden en de secretaris van het College, alsook op de Inspectie voor de Gezondheidszorg van toepassing, met dien verstande, dat van wetenschap, van de persoon over wie geklaagd is of van opgeroepen getuigen of deskundigen afkomstig, voor zover deze personen beklaagde zijn in de zin van het Wetboek van strafvordering BES in generlei vorm mededeling mag worden gedaan, tenzij zij zelf daartoe toestemming verlenen.
Artikel 4
De leden en de secretaris van het College ontvangen voor het bijwonen van bijeenkomsten van het College een door Onze Minister vast te stellen bedrag.
Artikel 5
[Vervallen]
1.
Een ingevolge artikel 12 van de wet in te dienen klaagschrift bevat:
1e. de naam en de woonplaats van de klager;
2e. een voor de behandeling der zaak gekozen domicilie binnen het grondgebied van de openbare lichamen;
3e. de klacht, en de feiten en gronden, waarop deze berust;
4e. indien geklaagd wordt:
a. door een rechtstreeks belanghebbende: een duidelijke aanduiding van het belang, hetwelk de klager bij het onderwerp van de klacht heeft;
b. door een van overheidswege met het toezicht op de Volksgezondheid belaste persoon: vermelding van de kwaliteit van de klager;
c. door het bestuur van een lichaam, bij hetwelk de geneeskundige, tandheelkundige, vroedvrouw of apotheker in dienst is of waarbij deze voor het verlenen van geneeskundige, tandheelkundige, verloskundige of artsenijkundige hulp is ingeschreven: een duidelijke omschrijving van de onderlinge verhouding.
2.
Bij het klaagschrift wordt tenminste een afschrift daarvan overgelegd.
3.
Het klaagschrift en het afschrift daarvan moeten zijn ondertekend en van dagtekening voorzien.
1.
De secretaris tekent onverwijld de dag van indiening op het klaagschrift aan en doet dit aan de voorzitter toekomen.
2.
Indien naar het oordeel van de voorzitter het klaagschrift niet voldoet aan het bij het vorige artikel bepaalde, deelt hij de inzender, indien deze tenminste bekend is, mede in hoeverre het klaagschrift naar zijn mening onvolledig is en nodigt hij hem uit het verzuim binnen een bepaalde tijd te herstellen.
3.
Niet-ondertekende en onvolledige, niet aangevulde klaagschriften kunnen door het College als niet voor behandeling vatbaar worden terzijde gelegd, onverminderd de bevoegdheid van de klager, op grond van dezelfde feiten een nieuw klaagschrift in te zenden.
4.
Indien gedurende de behandeling van de klacht blijkt, dat de voorzitter het tweede lid van dit artikel niet of niet op de juiste wijze heeft toegepast, herstelt het College het verzuim. De zaak wordt alsdan, zo nodig, teruggebracht in de staat, waarin zij zich bevond op het tijdstip, waarop de voorzitter dat lid had behoren toe te passen.
1.
De voorzitter is bij de instelling van het in artikel 12 tweede lid der wet bedoelde voorlopige onderzoek niet beperkt tot de feiten en omstandigheden, in het klaagschrift vermeld.
2.
Hij is ten behoeve van dit onderzoek bevoegd:
a. de klager en de persoon, over wie geklaagd is, uit te nodigen voor hem te verschijnen ten einde te worden gehoord; hij kan dezelfde personen ook verzoeken schriftelijk binnen een bepaalde termijn inlichtingen te verschaffen;
b. getuigen en deskundigen uit te nodigen met gelijk doel voor hem te verschijnen; hij kan deskundigen bovendien verzoeken schriftelijk binnen een bepaalde termijn van advies en verslag te dienen;
c. getuigen en deskundigen met gelijk doel op te roepen en deskundigen tot het dienen van advies en verslagopdracht te verlenen; in dit geval zijn de getuigen en deskundigen verplicht te verschijnen en getuigenis af te leggen, behoudens het bepaalde in artikel 15 van de wet;
d. vergezeld van door hem noodzakelijk geachte getuigen en deskundigen een plaatselijk onderzoek in te stellen op alle plaatsen, met uitzondering van woningen en plaatsen, alleen door een woning toegankelijk, indien de bewoner de toegang weigert. Indien tijdens een plaatselijk onderzoek de orde wordt verstoord of den voorzitter tegenstand wordt geboden, kan hij de hulp der openbare macht inroepen.
1.
De voorzitter wordt tijdens het voorlopig onderzoek bij al zijn verrichtingen bijgestaan door de secretaris.
2.
De secretaris maakt van het gebeurde tijdens de zittingen en tijdens een plaatselijk onderzoek een proces-verbaal op, hetwelk door de voorzitter en de secretaris ondertekend wordt.
1.
De persoon, over wie geklaagd is, kan zich reeds bij het voorlopig onderzoek doen bijstaan door een of meer raadslieden.
2.
Het bepaalde bij artikel 50ter van het Wetboek van strafvordering BES is met betrekking tot de personen die als raadslieden kunnen optreden, van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien het voorlopig onderzoek leidt tot een der in artikel 12, tweede lid, tweede en derde volzin der wet bedoelde beslissingen van het College, worden deze beslissingen genomen in raadkamer.
2.
In alle andere gevallen neemt het College een beslissing niet dan nadat degene over wie geklaagd is ter terechtzitting is opgeroepen en, ingeval van verschijning, gehoord is.
1.
Zodra de voorzitter de zaak voldoende voorbereid acht, bepaalt hij de dag der terechtzitting.
2.
De secretaris roept onverwijld de klager en de persoon over wie geklaagd is, tegen die zitting op, onder mededeling van de samenstelling van het College, de secretaris inbegrepen.
3.
Bij deze oproepingen wordt een termijn van tenminste zes vrije dagen in acht genomen.
1.
De secretaris draagt zorg, dat vóór de terechtzitting alle op de zaak betrekking hebbende stukken, hetzij in het oorspronkelijk, hetzij in gewaarmerkt afschrift, op een door hem te bepalen plaats ter inzage liggen voor belanghebbenden.
2.
De secretaris brengt het ter inzage liggen ter kennis van de klager en de persoon, over wie geklaagd is.
3.
De voorzitter neemt zonodig maatregelen ter verzekering van de geheimhouding der ter inzage liggende stukken.
Artikel 14
De hierna vermelde artikelen van de Wet ambtenarenrechtspraak BES vinden overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder de rechter, onderscheidenlijk de raad, wordt verstaan: het College, onder de griffier: de secretaris, en onder partijen: de klager en de persoon over wie geklaagd is:
a. de artikelen 56 tot en met 61, met dien verstande dat door de voorzitter worden uitgeoefend de bevoegdheden omschreven in artikel 60 en de tweede zin van het derde lid van artikel 61;
b. de artikelen 63 tot en met 81, gelijk deze artikelen toepassing vinden bij de behandeling van zaken voor de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken.
1.
Het bepaalde in artikel 10 is met betrekking tot het onderzoek ter terechtzitting eveneens van toepassing.
2.
De bevoegdheden, welke op de zitting aan de persoon over wie geklaagd is toekomen, komen ook toe aan zijn raadsman.
1.
De leden van het College en de secretaris kunnen zich, hetzij op de gronden genoemd in artikel 13 van de wet, hetzij op andere gronden, verschonen. Het tweede en derde lid van genoemd artikel zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.
2.
Bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten kunnen niet tezamen voor de behandeling van een zaak zitting nemen in het College.
3.
Bij de behandeling van een geding door het College mag niet worden dienst gedaan door een secretaris, in bloed- of aanverwantschap tot de derde graad ingesloten bestaande aan een der genen, die zitting hebben.
4.
De zwagerschap houdt op door ontbinding van het huwelijk waardoor zij is veroorzaakt.
1.
De samenstelling van het College blijft van de eerste behandeling ter terechtzitting af tot de beslissing in raadkamer onveranderd.
2.
Blijkt om enige reden wijziging van de samenstelling wenselijk of noodzakelijk, dan wordt de behandeling ter terechtzitting opnieuw aangevangen.
1.
De terechtzittingen zijn als regel niet openbaar.
2.
Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, kan het College een openbare behandeling gelasten.
Artikel 19
Het College beraadslaagt en beslist in raadkamer en grondt de beslissing uitsluitend op hetgeen ter terechtzitting heeft plaats gehad en op de stukken ten aanzien waarvan artikel 14 is toegepast. De artikelen 123 en 124 van de Wet ambtenarenrechtspraak BES zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De eindbeslissing van het College bevat:
a. de namen, voornamen en woonplaatsen van de klager, van de persoon over wie geklaagd is, en van diens raadsman;
b. een omschrijving van de feiten en omstandigheden, welke naar aanleiding van de klacht zijn onderzocht;
c. de met redenen omklede beslissing;
d. de namen van hen, die als voorzitter en als leden over de zaak hebben gezeten, en van de secretaris;
e. de dag waarop en de plaats waar de eindbeslissing genomen is.
2.
De artikelen 130 en 131 van de Wet ambtenarenrechtspraak BES zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Van de beslissing bedoeld in artikel 20 zendt de secretaris onverwijld afschrift aan de persoon over wie geklaagd is, onverminderd het in artikel 16 derde lid der wet bepaalde.
2.
De persoon over wie geklaagd is kan op zijn kosten verdere afschriften bekomen.
3.
Zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, geeft de secretaris de bescheiden van de zaak, die zich onder zijn berusting bevinden, terug aan de rechthebbenden.
1.
Indien het College overeenkomstig artikel 16 tweede lid der wet bepaald heeft, dat een bepaalde beslissing dient te worden bekend gemaakt, geschiedt die bekendmaking door plaatsing in een of meer door het College in de beslissing aan te wijzen tijdschriften of nieuwsbladen. Het College kan de beslissing ook in enige verzameling van rechterlijke uitspraken en beslissingen doen opnemen.
2.
De namen en woonplaatsen der in de beslissing genoemde personen worden met de andere gegevens, welke omtrent die personen een aanwijzing bevatten, uit de beslissing weggelaten.
3.
Het College kan in de beslissing gelasten, dat bepaalde overwegingen, welke voor bekendmaking minder in aanmerking komen, in de bekend te maken tekst zullen worden geschrapt.
4.
Van alle weglatingen moet in de bekendgemaakte tekst duidelijk blijken.
5.
De bekendmaking geschiedt niet voordat de beslissing onherroepelijk is geworden.
1.
De maatregel van oplegging van een geldboete wordt, zodra de beslissing onherroepelijk is geworden, door de secretaris ter kennis gebracht van de ontvanger der directe belastingen van de woonplaats van hem, aan wie de boete is opgelegd.
2.
De maatregelen van schorsing in de uitoefening van geneeskunst onderscheidenlijk artsenijmengkunst en van ontzegging van de bevoegdheid geneeskunst onderscheidenlijk artsenijmengkunst uit te oefenen worden, zodra de beslissingen onherroepelijk zijn geworden, door de secretaris ter kennis gebracht van de Procureur-Generaal. Van het onherroepelijk worden der beslissingen wordt bovendien mededeling gedaan aan de persoon over wie geklaagd is, alsook aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
1.
Hoger beroep tegen de beslissingen van het College wordt ingesteld door indiening van een beroepschrift bij de griffier van het Hof van Justitie.
2.
Het beroepschrift bevat:
a. naam en woonplaats van de inzender;
b. een duidelijke aanduiding van de beslissing waartegen het beroep is gericht;
c. de gronden van het beroep;
d. indien het beroep wordt ingesteld door een van overheidswege met het toezicht op de Volksgezondheid belaste persoon: vermelding van diens kwaliteit.
Artikel 25
De termijn van beroep bedraagt dertig dagen, te rekenen:
a. in geval van behandeling ter terechtzitting: vanaf de dagtekening der in artikel 21 bedoelde verzending van de in artikel 20 bedoelde beslissing aan de persoon, die het hoger beroep instelt;
b. in het geval van artikel 17 lid 2 onder b van de wet: vanaf de dagtekening der beschikking, houdende de niet-ontvankelijkverklaring, de afwijzing zonder nader onderzoek of de niet-toepassing na onderzoek.
Artikel 26
Het beroep schorst de in eerste aanleg gegeven beslissing tot op het beroepschrift uitspraak is gedaan.
Artikel 27
Indien meer personen binnen de bepaalde termijn, beroep hebben ingesteld worden hun beroepen tegelijk behandeld.
1.
De hierna vermelde artikelen van de Wet ambtenarenrechtspraak BES vinden op de behandeling in hoger beroep overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder de rechter, onderscheidenlijk de raad, wordt verstaan: het Hof van Justitie, terwijl onder partijen wordt verstaan: de klager en de persoon over wie geklaagd is:
a. de artikelen 56 tot en met 61, met dien verstande dat door de voorzitter worden uitgeoefend de bevoegdheden omschreven in artikel 60 en de tweede zin van het derde lid van artikel 61;
b. de artikelen 63 tot en met 81, gelijk deze artikelen toepassing vinden bij de behandeling van zaken voor de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken.
2.
De artikelen 15 tot en met 23 van dit besluit zijn op de behandeling voor het Hof van Justitie van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ter uitvoering van de artikelen 16 en 19 van de Wet medisch tuchtrecht BES.
Inhoudsopgave
+ Begripsbepalingen
+ Slotbepaling
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht