Besluit radioamateurs BES
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet telecommunicatievoorzieningen BES ;
b. beschikking: de beschikking waarbij een machtiging is verleend;
c. bewijs van bevoegdheid: het door Onze Minister afgegeven bewijs van bevoegdheid als radioamateur uitgereikt na een met goed gevolg afgelegd examen als bedoeld in artikel 6;
d. machtiging: een machtiging voor een radio-elektrische zend- en ontvanginrichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, en artikel 16 van de wet bestemd voor de aanleg, het bezit of het gebruik van een amateurstation;
e. radioamateur: een daartoe bevoegd persoon die uit een zuiver persoonlijk oogmerk en zonder enig geldelijk voordeel proeven neemt op telecommunicatiegebied;
f. amateurstation: een zend- en ontvanginrichting voor radiotelegrafie of radiotelefonie, bestemd voor het nemen van proeven op telecommunicatiegebied;
g. radiotelegrafie: telecommunicatie via de ether door middel van morsetekens;
h. radiotelefonie: telecommunicatie via de ether door middel van spraak;
i. klasse van uitzending: een aanduiding bestaande uit drie symbolen die respectievelijk de modulatievorm van de draaggolf, het type signaal dat de draaggolf moduleert en de soort informatie die wordt uitgezonden, aangeven. De betekenis van de symbolen is aangegeven in bijlage 1 behorende bij dit besluit;
j. bandbreedte: het frequentieverschil tussen de hoogste en de laagste frequentie waarbinnen tijdens modulatie 99% van de uitgezonden energie wordt waargenomen;
k. ongewenste hoogfrequentuitstralingen: alle hoogfrequente uitstralingen op andere frequenties dan de zendfrequentie en de frequentie in de frequentiebanden die noodzakelijkerwijs in verband met het modulatieproces in beslag worden genomen;
l.
bij toepassing van frequentie- of fasemodulatie: het door de direct met de antenne-inrichting te koppelen trap van de zendinrichting afgegeven gemiddelde vermogen;
bij de overige modulatietoepassingen: 25% van het door de direct met de antenne-inrichting te koppelen trap afgegeven gemiddeld vermogen, gerekend over een periode van de hoogfrequent uitgangswisselspanning tijdens het maximum van het modulerende signaal;
m. toegestane zendvermogen: de waarde van het zendvermogen welke tijdens het gebruik van de zendinrichting niet mag worden overschreden;
n. maximum zendvermogen: de waarde van het zendvermogen welke als gevolg van de constructie van de zendinrichting niet kan worden overschreden.
Artikel 2
Terzake van telecommunicatievoorzieningen ten behoeve van radioamateurs gelden, onverminderd, tenzij anders is bepaald, de regels die zijn gesteld bij en krachtens het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES en de navolgende bepalingen.
Artikel 3
In afwijking van artikel 34, eerste lid, van het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES, worden machtigingen voor radioamateurs verleend voor ten hoogste tien jaar.
1.
Radioamateurs verkrijgen een machtiging indien zij in het bezit zijn van een door Onze Minister afgegeven bewijs van bevoegdheid als radioamateur. Een zodanig bewijs wordt verstrekt nadat zij met goed gevolg een daartoe strekkend examen hebben afgelegd.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt de machtiging van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde Nederlanders en personen van andere nationaliteit gedurende drie maanden na hun aankomst op het grondgebied van een openbaar lichaam beschouwd als een machtiging in de zin van dit besluit.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde Nederlanders en personen, na verloop van de in het tweede lid genoemde periode van drie maanden, tegen betaling van een door Onze Minister te bepalen vergoeding machtiging verleend na overlegging van de geldige machtiging van het land van herkomst.
4.
In afwijking van het eerste lid wordt de machtiging verleend aan een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkende onderwijsinstelling waar telecommunicatie een deel van het onderwijspakket vormt, indien de docent, die belast is met het geven van het onderwijs inzake het radioamateurisme, in het bezit is van een amateurradio machting A als bedoeld in artikel 22.
5.
In afwijking van het eerste lid kan tevens machtiging worden verleend aan een op het grondgebied van een openbaar lichaam gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging van radioamateurs.
Artikel 5
Geen examen behoeft te worden afgelegd door:
a. Nederlanders die in het bezit zijn van een geldig Nederlands radioamateur machtiging;
b. personen van andere nationaliteit mits zij in het bezit zijn van een geldige machtiging van een land dat is aangesloten bij de Conférence Européenne des Administrations des Postes et des Télécommunications (CEPT);
c. personen van andere nationaliteit die gedurende een periode van ten hoogste drie maanden op het grondgebied van een openbaar lichaam verblijven mits zij in bezit zijn van een geldige machtiging van het land van herkomst, en dat land radioamateurs afkomstig uit een openbaar lichaam op de voet van wederkerigheid gedurende eenzelfde periode zonder aanvullende eisen toelaat.
1.
Het examen, bedoeld in artikel 4, wordt afgenomen door een bij besluit in te stellen commissie.
2.
Tegen de beslissing van de commissie staat geen beroep open.
3.
Onze Minister stelt een reglement vast voor het examen en bepaalt tevens de eisen waaraan moet worden voldaan ter verkrijging van een machtiging als radioamateur. Daarin kan mede worden bepaald dat Onze Minister in bepaalde gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing kan verlenen indien op een andere door Onze Minister te bepalen wijze aan de exameneisen wordt voldaan.
4.
De aanvrager wordt eerst tot het examen toegelaten nadat de voor het examen of een onderdeel daarvan dan wel voor de ontheffing ingevolge artikel 31, onderdeel a, van de wet verschuldigde vergoeding is betaald.
5.
Het examen wordt afgenomen in de Nederlandse of de Engelse taal.
6.
Onze Minister houdt een register bij van de verleende bewijzen van bevoegdheid als radioamateur.
Artikel 7
Onze Minister kan op verzoek van de belanghebbende een uittreksel verstrekken uit het register, waaruit blijkt dat de machtinginghouder in het bezit is van een bevoegdheid als radioamateur, dat overeenkomt met de daartoe strekkende internationale eisen, zulks ter verkrijging van een machtiging in landen waarmede het Koninkrijk der Nederlanden laterale of multilaterale overeenkomsten van wederkerigheid heeft ondertekend. Dit uittreksel heeft een geldigheidsduur van één jaar en wordt opgesteld in de Engelse of Spaanse taal.
Artikel 8
De uitgifte van roepletters, bedoeld in artikel 40 van het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES, geschiedt voor wat betreft radioamateurs overeenkomstig het bepaalde in bijlage 2 behorende bij dit besluit.
1.
De machtiginghouder is verplicht een register te houden met betrekking tot de zendinrichtingen die deel uitmaken of deel hebben uitgemaakt van het amateurstation overeenkomstig het model aangegeven in bijlage 3 behorende bij dit besluit en dit register volledig in te vullen. De machtiginghouder dient onverwijld bij elke mutatie een afschrift van dit register aan Onze Minister toe te zenden. Onder mutatie wordt tevens verstaan veranderingen in het correspondentieadres van de machtiginghouder.
2.
De machtiginghouder dient de gegevens met betrekking tot de zendinrichtingen gedurende drie jaren in het register te bewaren, te rekenen vanaf het moment dat de betreffende zendinrichtingen geen deel meer uitmaken van het amateurstation.
3.
Op het vaste adres van het amateurstation dienen de beschikking, het registratiebewijs en het register aanwezig te zijn.
4.
Indien zendinrichtingen van het amateurstation zich op een andere plaats dan het vaste adres bevinden, dient het registratiebewijs in afwijking van het bepaalde in het derde lid, bij deze zendinrichtingen aanwezig te zijn.
5.
Alle aan de machtiginghouder verstrekte bescheiden blijven eigendom van de Staat der Nederlanden.
Artikel 10
Zodra een in dit besluit bedoelde zend- of ontvanginrichting voor gebruik gereed is, stelt de machtiginghouder Onze Minister daarvan in kennis ten einde de keuring, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderscheidenlijk 69, eerste lid, van het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES te kunnen doen plaatsvinden.
Artikel 11
De machtiginghouder mag de navolgende zendinrichtingen aanwezig hebben:
1. Zendinrichtingen die uitsluitend zijn ingericht voor de frequentiebanden waarin frequenties voorkomen welke zijn toegewezen aan de machtiginghouder mits deze voldoen aan de volgende eisen:
a. In de zendinrichting dienen zodanige technische voorzieningen te zijn aangebracht dat het gebruik is geblokkeerd van de niet aan de machtiginghouder toegewezen frequenties, één en ander voor zover de mechanische, elektrische en elektronische uitvoering van de zendinrichting dit toelaat;
b. Het toegestane zendvermogen van de zendinrichtingen bedraagt maximaal 250 Watt, tenzij overeenkomstig artikel 12, achtste en negende lid, toestemming is verleend hiervan af te wijken. Tevens mogen delen of onderdelen van de zendinrichtingen niet meer hoogfrequent zendvermogen kunnen afgeven dan voor de goede werking van deze zendinrichtingen noodzakelijk is;
c. Indien de zendinrichting meer zendvermogen kan afgeven dan het toegestane zendvermogen moet de zendinrichting zijn uitgerust met een niet direct toegankelijke voorziening die ervoor zorgt dat het toegestane zendvermogen niet kan worden overschreden;
d. De zendinrichtingen dienen te voldoen aan de in artikel 20 gestelde technische voorschriften.
2. Andere zendinrichtingen mits deze zodanig zijn gedemonteerd dat de zendinrichtingen niet geschikt zijn of op eenvoudige wijze geschikt gemaakt kunnen worden voor het doen van uitzendingen.
1.
De machtiginghouder mag het amateurstation slechts gebruiken voor het doen van technische en wetenschappelijke onderzoekingen.
2.
De machtiginghouder mag uitsluitend informatie uitzenden die betrekking heeft op amateurstations en op de door middel van amateurstations te verrichten onderzoekingen, alsmede opmerkingen van persoonlijke aard, waarvoor uit hoofde van hun onbelangrijkheid het gebruik van de openbare Telegraaf- en Telefoondienst niet in aanmerking zou komen. Elk ander gebruik van het amateurstation is verboden.
3.
De machtiginghouder is verplicht het amateurstation te gebruiken overeenkomstig de status van de amateurdienst zoals is aangegeven in § 4 en § 5.
4.
Gedurende uitzendingen op frequenties waarop de amateurdienst met een secundaire status is toegelaten, is de machtiginghouder verplicht:
a. te allen tijde voorrang te verlenen aan diensten met een primaire status;
b. ingeval bij storing veroorzaakt in een radioverbinding van een primaire dienst, deze radioverbinding onmiddellijk te beëindigen.
5.
De machtiginghouder mag het amateurstation doen gebruiken door radioamateurs met een A, B, C of N machtiging onder de voor hen geldende voorschriften en beperkingen.
6.
De machtiginghouder mag het amateurstation slechts gebruiken indien hij daarbij aanwezig is, behoudens ingeval van Packet-radio als bedoeld in artikel 14, derde lid, onder b, alsmede in geval van georganiseerde radioamateurpeilevenementen.
7.
De machtiginghouder dient passende maatregelen te treffen ter voorkoming van het gebruik van het amateurstation door onbevoegden.
8.
Onze Minister kan aan de houder van een machtiging A, B of C toestemming verlenen, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden af te wijken van de in de voorschriften en beperkingen voorgeschreven klassen van uitzending, frequenties, zendvermogen en het bemand gebruik van het amateurstation. In geval Onze Minister toestemming verleent voor onbemand gebruik van een zendinrichting, blijft de machtiginghouder aansprakelijk dat het gebruik slechts strekt ten dienste van het radioamateurisme.
9.
Onze Minister kan aan de houder van een machtiging A die twee jaar in het bezit is van de desbetreffende machtiging, met uitzondering van de banden boven de 30 MHz en de banden genoemd in artikel 22, tweede lid, toestemming verlenen om de maximale vermogen te verhogen tot 1500 Watt.
10.
Onze Minister kan aan een houder van een machtiging A, B, of C die twee jaar in het bezit is van desbetreffende machtiging, toestemming verlenen om de toegestane zendvermogen in de banden boven de 30 MHz te verhogen tot 1000 Watt, voor het voeren van technische en wetenschappelijke proefnemingen van korte duur.
11.
De machtiginghouder dient bij het gebruik van het amateurstation overlast in het amateurradioverkeer te voorkomen.
1.
Bij het begin en bij het einde van elke uitzending dient de machtiginghouder zijn roepletters ten minste éénmaal uit te zenden. Is de uitzending opgebouwd uit kortdurende uitzendingen, dan worden deze aangemerkt als één uitzending.
2.
Gedurende de uitzending dienen de roepletters ten minste éénmaal per 10 minuten duidelijk herkenbaar en waarneembaar in de over te dragen informatie te worden uitgezonden.
3.
Indien tijdens een georganiseerde amateurradiowedstrijd een groepsstation wordt gevormd, is het toegestaan dat de deelnemers de roepletters van een van de deelnemende machtiginghouders gebruiken.
Artikel 14
De uitzending van de roepletters dient op één van de hier navolgende wijze te geschieden:
1. Identificatie door middel van spraak.
a. De toegelaten klassen van uitzending zijn:
A3E, H3E, R3E, F3E, G3E of J3E.
b. Het te bezigen spellingsalfabet luidt:
A Alfa N November
B Bravo O Oscar
C Charlie P Papa
D Delta Q Quebec
E Echo R Romeo
F Foxtrot S Sierra
G Golf T Tango
H Hotel U Uniform
I India V Victor
J Juliet W Whiskey
K Kilo X X-ray
L Lima Y Yankee
M Mike Z Zulu
2. Identificatie door middel van morse telegrafie:
a. De toegelaten klassen van uitzending zijn:
A1A, F1A, F2A, J2A en G2A.
b. Toegestaan is een seinsnelheid van ten hoogste twintig woorden per minuut. Ingeval van een georganiseerde amateurradiowedstrijd is een seinsnelheid van ten hoogste dertig woorden per minuut toegestaan.
3. Identificatie door middel van automatische telegrafie:
a. De toegelaten klassen van uitzending zijn:
F1B, F2B of J2B.
b. Toegestaan is het gebruik van:
1°. verreschrijfapparatuur: start-stop systeem met 5 eenheden informatie bits volgens het internationaal telegrafie-alfabet no. 2 (Baudot) met een seinsnelheid van 45, 50, 75, 100 of 200 baud.
2°. verreschrijfapparatuur: start-stop systeem met 7 eenheden informatie bits volgens het internationaal telegrafie-alfabet no. 5 (ASCII) met een seinsnelheid van 110 of 300 baud.
3°. amtor: synchroon systeem met foutencorrectie met 7 eenheden informatie bits volgens het telegrafie-alfabet genoemd in aanbeveling 625 van het Comité Consultatif International de Radio (CCIR) met een seinsnelheid van 100 baud.
4°. systeem Hell: hierbij worden de karakters, als een soort beeldschrift weergegeven in een raster van 7x7 beeldpunten. De seinsnelheid is 122.5 baud.
5°. Packet-radio Ax-25: ARQ-telegrafiesysteem, afgeleid van het transmissieprotocol X.25 genoemd in de aanbevelingen van het Comité Consultatif International de Téléphone et de Télégraphe (CCITT). In het adresveld van het transmissieprotocol X-25 dienen de roepletters van de machtiginghouder, de eventuele tussenstations waarlangs het bericht wordt verzonden (maximaal 8) en de geadresseerde machtiginghouder te zijn opgenomen. De digitale informatie wordt uitgezonden in groepen van acht bits welke in het adresveld een ASCII-karakter vormen.
4. Identificatie door middel van systemen voor beeldoverdracht:
3°. Facsimilé en Slow-scan televisie (SSTV)
Amateurtelevisie:
De toegelaten klassen van uitzending zijn: A3F, C3F en F3F.
De opbouw van het beeldsignaal dient zodanig te zijn dat weergave van het beeld na demodulatie mogelijk is met het desbetreffende gedeelte van een televisieontvanger geschikt voor CCIR-norm B en G: lijnfrequentie: 15 625 Hz beeldfrequentie: 25 Hz rasterfrequentie: 50 Hz aantal lijnen per beeld: 625 horizontale afbuiging van links naar rechts verticale afbuiging van boven naar beneden.
De roepletters moeten aan de ontvangstzijde na demodulatie in leesbaar schrift zichtbaar zijn.
1°. De toegelaten klassen van uitzending zijn:
A3C, A3F, F3C, F3F, G3C of J3C.
2°. De opbouw van het facsimilé-beeld aantal lijnen per minuut: 60, 90, 120 of 240.
3°. De opbouw van het slow-scan televisiebeeld:
lijnfrequentie: 16 2/3 Hz
beeldfrequentie: 1/7,2 Hz
aantal lijnen per beeld: 120
pulsduur lijnsynchronisatie: 5 ms
pulsduur beeldsynchronisatie: 30 ms
5°. Indien het beeldsignaal via frequentiemodulatie van een hulpdraaggolf de zender moduleert, gelden hiervoor de volgende eisen voor de modulatie van de hulpdraaggolf:
Facsimilé:
Zwartniveau: 1500 Hz
Witniveau: 2300 Hz
SSTV:
Synchronisatie-impuls (ultra zwart): 1200 Hz
Zwartniveau: 1500 Hz
Witniveau: 2300 Hz
Indien het beeldsignaal de draaggolf direct in frequentie moduleert dient het frequentieverschil tussen de hoogste en de laagste frequentie overeen te komen met het verschil tussen de hierboven genoemde uiterste frequenties.
De roepletters moeten aan de ontvangstzijde na demodulatie in leesbaar schrift zichtbaar zijn.
5. Afwijkingen: Indien bij automatische telegrafie of beeldoverdracht niet aan de voorgeschreven wijze van identificatie kan worden voldaan, dient de identificatie te geschieden door middel van spraak of morse-telegrafie.
Artikel 15
De machtiginghouder mag, behoudens ingeval van nood, uitsluitend radioverbindingen maken met radioamateurs alsmede met gebruikers van andere stations die bevoegd zijn op amateurfrequenties radioverbindingen te maken.
2.
De machtiginghouder dient er voor te zorgen dat de zendinrichtingen zijn voorzien van een serienummer dat niet op eenvoudige wijze verwijderbaar of uitwisbaar is.
1.
De mechanische constructie en de elektrische opbouw (van de delen) van het amateurstation dienen te voldoen aan – naar de stand der techniek – redelijk te stellen eisen.
2.
Tot de in het eerste lid bedoelde eisen behoren in ieder geval:
a. Delen van het amateurstation waartussen de spanning meer dan 50 Volt voor wissel-spanning of 110 Volt voor gelijkspanning kunnen bedragen of waarvan de spanning ten opzichte van de aarde meer dan 50 Volt voor wisselspanning of 110 Volt voor gelijkspanning kunnen bedragen, dienen deugdelijk tegen aanraking te zijn beschermd.
b. Aanraakbare metalen delen van de met het sterkstroomnet verbonden inrichtingen dienen op deugdelijke wijze te zijn geaard of dienen door middel van een dubbele of versterkte isolatie van de onder spanning staande delen te zijn gescheiden.
c. Antennes en hoogfrequent-voedingslijnen dienen zo te worden geplaatst dat er geen gevaar voor aanraking van onder spanning staande delen bestaat.
d. Indien de voedingsspanning van de met de antenne of antennevoedingslijn gekoppelde laatste trap van de zendinrichting meer dan 50 Volt voor de wisselspanning of 110 Volt voor gelijkspanning kan bedragen, dient een deugdelijke voorziening aanwezig te zijn, die voorkomt dat de voedingsspanning op de antenne komt.
Artikel 18
De bandbreedte van de uitzendingen dient beperkt te worden tot een voor de te nemen proeven noodzakelijke grens.
Artikel 19
De stabiliteit van de frequentie van het uitgezonden signaal moet voldoen aan – naar de stand der techniek – redelijk te stellen eisen.
Artikel 20
Het vermogen van ongewenste hoogfrequent-uitstralingen mag per component niet meer bedragen dan in de navolgende tabel is aangegeven:
Frequentieband waarin de ongewenste hoogfrequent uitstraling plaatsvindt Zendvermogen per hoogfrequent component Maximaal vermogen
9 kHz – 40 MHz 1 Watt 100 microWatt
  > 1 Watt – 40 dB(*1)
40 MHz – 960 MHz 10 Watt 10 microWatt
  > 10 Watt – 60 dB(*1)
960 MHz – 17.7 GHz 10 Watt 100 microWatt
  – 50 dB (*1) > 10 Watt
  > 17.7 GHz Naar de stand van de techniek
Artikel 21
De machtiginghouder moet er voor zorgdragen dat door de uitzendingen van de zendinrichting de grenzen van de hem toegewezen frequentiebanden en het toegestane zendvermogen niet worden overschreden.
1.
De machtiginghouder mag het amateurstation uitsluitend gebruiken in overeenstemming met de in het navolgende schema weergegeven combinaties:
2.
In de frequentiebanden 10.1 – 10.15 MHz, 18.068 – 18.168 MHz en 24.89 – 24.99 MHz is het houden van amateurradiowedstrijden niet toegestaan. In de frequentieband 10.1 – 10.15 is het maximum zendvermogen 250 Watts.
3.
In de frequentiebanden tussen 1.8 MHz en 148.0 MHz zijn uitsluitend smalbandige uitzendingen toegestaan.
4.
Het gebruik van het amateurstation voor amateurtelevisie is uitsluitend toegestaan in frequentiebanden vanaf 430 MHz en hoger. In de frequentiebanden 430 – 440 MHz is hiervoor uitsluitend de klasse van uitzending C3F toegestaan.
1.
De machtiginghouder mag het amateurstation uitsluitend gebruiken in overeenstemming met de in het navolgende schema weergegeven combinaties:
2.
In de frequentiebanden tussen 28.1 MHz en 148.0 MHz zijn alleen smalbandige uitzendingen toegestaan.
3.
Het gebruik van het amateurstation voor amateurtelevisie is uitsluitend toegestaan in frequentiebanden vanaf 430 MHz en hoger. In de frequentieband 430 – 440 MHz, is hiervoor uitsluitend de klasse van uitzending C3F toegestaan.
1.
De machtiginghouder mag het amateurstation uitsluitend gebruiken in overeenstemming met de in het navolgende schema weergegeven combinaties:
2.
In de frequentiebanden 50.0 – 54.0 en 144.0 –148.0 MHz zijn alleen smalbandige uitzendingen toegestaan.
3.
Het gebruik van het amateurstation voor amateurtelevisie is uitsluitend toegestaan in frequentiebanden vanaf 430 MHz en hoger. In de 430 – 440 MHz frequentieband is uitsluitend de klasse van uitzending C3F toegestaan.
1.
De machtiginghouder mag het amateurstation uitsluitend gebruiken in overeenstemming met de in het navolgende schema weergegeven combinaties:
2.
Het maximum toegestane zendvermogen bedraagt 25 Watt.
Artikel 26
Ingeval van internationale communicatie gelden mede de voorschriften opgenomen in bijlage 4 behorende bij dit besluit. Indien de voorschriften opgenomen in de artikelen 22, 23, 24 en 25 daarvan afwijken, hebben de voorschriften opgenomen in bijlage 4 voorrang.
Artikel 27
Het is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de wet om:
a. een verbod als omschreven in artikel 12, tweede lid, te overtreden; en
b. de verplichtingen opgenomen in de artikelen 1, onderdeel o, 12, eerste, tweede en zesde lid, 15, 20, 22, 23, 24 en 25 niet na te leven.
Artikel 28
De geldigheidsduur van een machtiging die is verleend krachtens de artikel 15, eerste lid, van de Wet telecommunicatievoorzieningen en die bestemd is voor telecommunicatievoorzieningen ten behoeve van radioamateurs is, gerekend vanaf het tijdstip van verlening, gelijk aan de duur waarvoor de machtiging is verleend.
Artikel 29
Een toestemming die is verleend krachtens artikel 11, eerste lid, onderdeel b, of 12, achtste lid, van het Landsbesluit radioamateurs wordt gelijkgesteld met een toestemming verleend krachtens artikel 11, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 12, achtste lid.
Artikel 30
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit radioamateurs BES.
Inhoudsopgave
+ § 1. Definities
+ § 2. Algemene bepalingen
+ § 3. Verplichtingen
+ § 4. Bijzondere voorschriften
+ § 5. Internationale communicatie
+ § 6. Strafbepaling
+ § 7. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht